Home
Kerkgeschiedenis
Preken
Diversen
Links
Contact

Van Trouw en Genade

75 Jaar Christelijke Gereformeerde Kerk Soest 1923-1998

Woord Vooraf

L.S.

De kerkenraad heeft ons gevraagd om, ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan, de geschiedenis van onze gemeente te beschrijven.
Wij hebben dat verzoek graag aanvaard, niet beseffend dat de bestudering van de bronnen (vooral kerkenraadsnotulen en ander archiefmateriaal) zoveel tijd zou vergen.
Toch hebben wij aan ons werk heel veel genoegen beleefd.
Het kennisnemen van hetgeen in het verleden is gebeurd, heeft ons inzicht in het ontstaan en de voortgang van onze gemeente verdiept. Maar vooral de trouw en genade van de Koning van de Kerk is ons op vele momenten gebleken. Hij houdt Zijn gemeente in stand, ondanks vele menselijke tekortkomingen en zonden.
Vandaar ook de titel van dit boek: "Van trouw en genade".

De periode vanaf de instituering in 1923 tot 1950 is beschreven door br. Westeneng; br. van Arkel heeft het overzicht verzorgd over de jaren 1950 tot 1975 en de eerste hoofdstukken, waarin beknopt de kerkelijke ontwikkelingen (landelijk en in Soest) zijn weergegeven, terwijl ds. Slagboom in hoofdlijnen de belangrijkste gebeurtenissen vanaf 1975 beschrijft.

Wij zijn dank verschuldigd aan ieder die ons inlichtingen heeft verstrekt, foto's heeft afgestaan, een interview heeft gegeven of een bijdrage heeft geschreven. U treft het hierna allemaal aan.
Met name noemen we onze br. L. Rovers, die heel veel typewerk heeft verricht en gezorgd heeft, dat de kopij drukklaar gemaakt werd.

Wij hopen dat u veel genoegen aan het boek beleeft en dwars door alle gebeurtenissen heen tot de erkenning komt, dat we ons bestaan en voortbestaan alleen aan de Heere, onze God te danken hebben. Hem alleen de eer.

Soest, 16 mei 1998. D. van Arkel, Ds. J. Slagboom, J.C. Westeneng.

Hoofdstuk 1. Korte samenvatting van de kerkelijke ontwikkelingen vanaf 1800

Inleiding

Een beschrijving van de geschiedenis van de plaatselijke gemeente kan niet plaatsvinden, zonder een blik in de kerkelijke ontwikkelingen in het verleden. Alleen dan kunnen we het ontstaan en voortbestaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Soest(dijk) begrijpen.
Uiteraard kan deze beschrijving slechts globaal en kort zijn. Voor geïnteresseerde gemeenteleden, die door dit boekje gestimuleerd worden om meer van de kerkgeschiedenis te weten, zijn er vele goede boeken beschikbaar.

De kerkgeschiedenis is in feite zo oud als de kerk en begint dus al in de eerste eeuw. Zover gaan wij niet terug. We nemen aan, dat de lezer op de hoogte is van de belangrijkste gebeurtenissen in de vroege kerk en uit de tijd van de Reformatie.
Wij beginnen onze nadere beschrijving aan het einde van de Franse overheersing en na de terugkeer van Willem de Eerste uit Engeland naar Nederlandin 1813. Na de vereniging van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden in 1815 wordt hij tot koning gekroond. Hij is - uiteindelijk - een belangrijke oorzaak voor het ontstaan van de Afscheiding.

De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1816

In 1816 grijpt Willem I in de kerkelijke organisatie in, door de Dordtse Kerkorde af te schaffen en een nieuw reglement op het bestuur van de Hervormde Kerk vast te stellen. Hierdoor wordt de kerk in feite staatskerk. Daarnaast zijn er theologische ontwikkelingen in de Hervormde Kerk, waarbij de rechtzinnige prediking onder druk komt te staan. In veel kerken hoort men niet meer de Bijbelse boodschap van vrije genade voor verloren mensen, maar wordt de nadruk gelegd op eigen verdiensten, blijkend uit een braaf leven.

Door deze ontwikkelingen vervreemden velen van de kerk en komen samen in gezelschappen (conventikels). Maar ook binnen de kerk wordt er gelukkig nog voor de rechtzinnige leer gestreden, door diverse predikanten en door de mannen van het Reveil.
De vrijzinnige predikanten worden echter voluit getolereerd, hetgeen in diverse plaatsen tot grote problemen leidt. Diverse gemeenteleden gaan elders kerken, waar de 'rechte leer' wordt verkondigd.

De Afscheiding

In 1834 komt het in Ulrum tot een conflict tussen de plaatselijke predikant (en kerkenraad) ds. Hendrik de Cock en het classikale bestuur. Nadat hij tot het inzicht is gekomen - o.a. door gesprekken met een Godvrezend gemeentelid - dat zijn prediking niet Bijbels is, gaat ds. de Cock anders preken. Dat valt op en leidt er toe, dat velen uit de omgeving bij hem naar de kerk komen en ook hun kinderen in Ulrum laten dopen. Dat - en enkele scherpe geschriften van de Cock, o.a. over de Evangelische Gezangen - leidt er toe dat hij wordt geschorst en niet meer mag preken.
Hij denkt aanvankelijk nog niet aan afscheiden, maar algemeen wordt aangenomen dat een bezoek van een andere rechtzinnige predikant (Ds. H.P. Scholte) hem op de gedachte heeft gebracht om zich af te scheiden. Dat gebeurt op 14 oktober 1834 door het opstellen en ondertekenen van de Akte van Afscheiding of Wederkering.
De Afscheiding grijpt snel om zich heen. Er is ook een voedingsbodem voor, gezien de situatie in de Hervormde Kerk en de vele kerkleden, die de kerkdiensten niet meer bezoeken en in gezelschappen bijeen komen. Ook ds. Scholte scheidt zich af, gevolgd door ds. van Velzen, kandidaat van Raalte, ds. A. Brummelkamp, ds. Gezelle Meerburg en ds. T.F. de Haan. Overal worden Afgescheiden gemeenten gesticht. Ds. de Cock trekt, ondanks zijn zwakke gezondheid, van plaats tot plaats en preekt in boerenschuren, huiskamers en in de open lucht.
Hij bevestigt ambtsdragers, doopt kinderen en houdt vele preken. Ook de opleiding tot predikant wordt in de eerste jaren door genoemde predikanten verzorgd.
Zo ontwikkelt zich de Christelijke Afgescheiden kerk.

Interne strubbelingen

Al snel ontstaan er strubbelingen in de jonge Afgescheiden kerk. Over allerlei zaken bestaan meningsverschillen. Vooral de te hanteren kerkorde geeft moeilijkheden. Ds. Scholte heeft een nieuwe kerkorde opgesteld en op de synode heeft de meerderheid die orde ingevoerd. Ds. de Cock is voorstander van het gebruik van de Dordtse kerkorde, maar accepteert dat besluit.
Anderen dreigen met een nieuwe afscheiding.
Daar komt bij, dat er ook dieper liggende verschillen optreden. Er is niets nieuws onder de zon!
De verschillen betreffen o.a. het verstaan en de betekenis van de Doop.
Al spoedig scheiden (delen) van gemeenten zich weer af en ontstaan de Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis.

Vervolgingen en landverhuizing

Ook Koning Willem I ziet de ontwikkelingen in kerkelijk Nederland met lede ogen aan. Op advies van zijn ambtenaren wil hij de Afscheiding tot staan brengen en teniet doen. Hij grijpt daarvoor terug op een nog bestaande wet uit de Franse tijd. Op grond daarvan mogen er - zonder toestemming - geen bijeenkomsten worden gehouden met meer dan 20 personen.
Burgemeesters die de Afscheiding niet welgezind zijn, maken dankbaar gebruik van deze bepalingen en jagen godsdienstoefeningen van de Afgescheidenen uiteen, zetten predikanten en ouderlingen gevangen. Ook gaat men over tot inkwartiering van soldaten, juist bij afgescheidenen. In het inmiddels tot stand gekomen blad "De Reformatie" komen keer op keer vele voorbeelden van vervolgingen voor, ook in onze omgeving (o.a. Bunschoten).
Maar, de Afgescheiden gemeenten groeien tegen de verdrukking in. Er ontstaat een eenvoudige theologische opleiding, er ontstaan steeds meer gemeenten, het werk gaat voort, soms op ongelegen plaatsen en uren. Groot is de trouw en liefde van de eerste dienaren, ouderlingen en diakenen.
Juist ook de verzorging van de armen vroeg toen veel aandacht. Vele afgescheidenen behoorden tot de 'eenvoudige stand'. Boerenarbeiders, kleine ambachtslieden, kortom de later gegeven omschrijving 'de kerk der kleine luyden' is voluit van toepassing.
Sommigen worden vervolging en boeten zat en vragen aan de koning erkenning aan. Anderen zijn van oordeel, dat zoiets nooit mag gebeuren. Ook dat is een punt van onderling verschil en afsplitsing.
De maatschappelijke omstandigheden verslechteren ook. Door aardappelziekte ontstaat grote armoede en honger. Dit brengt sommigen er toe - onder aanvoering van ds. H.P. Scholte - om naar Amerika te verhuizen. De 'nieuwe wereld' trekt en biedt grote kansen, ook als het gaat om godsdienstvrijheid.
Zo vertrekken er in 1847 en volgende jaren grote groepen afgescheidenen naar de staat Michigan.
Daar treffen we tot op vandaag de herinneringen aan deze landverhuizing aan door herkenning van de plaatsnamen (Holland, Zeeland, Noordeloos, e.d.) en door de namen van de nakomelingen van deze verhuizers.

De Vereniging van 1869 / Christelijke Gereformeerde Kerk

Geleidelijk aan ontstaat er rust voor de afgescheidenen. De overheid legt zich er bij neer, dat er naast de Hervormde Kerk nog een kerk is ontstaan. Maar binnen de Afgescheiden kerken is er geen sprake van eensgezindheid. Zoals we al vermeldden, was er kort na de Afscheiding onenigheid ontstaan. De daaruit ontstane gemeenten hadden zich aaneengesloten tot de zogenaamde Kruisgemeenten (hoewel hier en daar ook zelfstandige gemeenten bestonden).
Men voelde wel aan, dat het verder gescheiden optrekken niet verantwoord was. Vooral de 'leiders' in de Kruisgemeenten (w.o. de bekende ds. W.H. Gispen) raakten steeds meer overtuigd van de noodzaak om als broeders van hetzelfde huis weer bijeen te komen.
In 1869 komt de vereniging tussen de Christelijke Afgescheidenen en de Kruisgemeenten tot stand op de synode van Middelburg. Helaas lukt het niet om alle kruisgemeenten 'mee te krijgen'.
Hier en daar blijven gemeenten zelfstandig voortbestaan. Vele van deze gemeenten zijn in 1907 door ds. Kersten bijeengebracht binnen de Gereformeerde Gemeenten.
De synode van 1869 besluit ook de naam van de kerk te wijzigen in Christelijke Gereformeerde Kerk.
Er ontstaat een kerkgemeenschap van 328 gemeenten met 232 predikanten en rond de 100.000 leden.
De vereniging van 1869 is door de Heere gezegend. De kerken groeien sterk. Ook de in 1854 gestichte Theologische School in Kampen bloeit.
In 1886 (Doleantie) is de Chr. Ger. Kerk gegroeid tot ongeveer 200.000 leden.

De Doleantie

In de Hervormde Kerk blijft de situatie ook na de afscheiding ongewijzigd. Het modernisme behoudt volop haar plaats, ondanks het feit dat er steeds weer door rechtzinnige predikanten wordt geprobeerd verkeerde leringen te weren. In de jaren '80 wordt besloten om in de 'proponentsformule' (ondertekeningsformulier van kandidaten) elke verwijzing naar Schrift en Belijdenis te schrappen. Er ontstaan ook moeilijkheden met het afleggen van belijdenis des geloofs door jonge mensen die de 'moderne richting' zijn toegedaan. Via het afleggen van geloofsbelijdenis in buurgemeenten kunnen zij toch tot het Heilig Avondmaal komen.
Uiteindelijk ontstaat in 1886 de Doleantie. De eerste gemeente is Kootwijk. De kerkenraad wordt geschorst, omdat er een kandidaat van de in 1880 door Abraham Kuyper gestichte Vrije Universiteit is beroepen.
Begin 1887 wordt er een Gereformeerd Kerkelijk Congres gehouden, waardoor de Doleantie eerst goed op gang komt.
Zo ontstaat de Nederduitsche Gereformeerde Kerk, aanvankelijk met de toevoeging Dolerend.
Ook de Doleantie grijpt snel om zich heen. In 1888 zijn er al 150 Dolerende gemeenten. Kuyper schrijft eind 1888 in De Heraut: "In dit halve jaar is het (aantal gemeenten) derhalve met 79 vermeerderd. Hierbij worde tevens in het oog gehouden, dat in tal van andere kerken reeds reformatie doorbrak tengevolge der actie van 1834, en dat in sommige kerken beide bewegingen doorwerkten, zonder dat dusver de vruchten hiervan nog ineen wierden gestrengeld". Hieruit spreekt al de wens tot vereniging.

De Vereniging van 1892

Er zijn dus na 1886 twee kerken met een gereformeerd karakter. Al spoedig ontstaat er behoefte om elkaar te ontmoeten en naar eenheid te zoeken. Dat laat niet lang op zich wachten.
In 1892 wordt de vereniging tussen de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken gesloten, ondanks het feit dat hier en daar protesten klinken en bewegingen op gang komen om (nog) niet tot vereniging over te gaan.
Die bezwaren zijn vooral gericht tegen de verbondsbeschouwing van Kuyper (de zgn. veronderstelde wedergeboorte). Ook andere kwesties spelen nog een rol.
Het verzet mag echter niet baten. Men besluit tot vereniging, zij het dat niet alle kerkenraden die weg volgen.
De Chr. Geref. synode krijgt ook een bezwaarschrift van 700 gemeenteleden tegen de vereniging, maar honoreert de bezwaren niet.
De nieuwe verenigde kerk krijgt ook een nieuwe naam: Gereformeerde Kerken.

Het voortbestaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk(en)

De kerkenraden van Noordeloos, Teuge en Zierikzee zijn tegen de vereniging en besluiten niet mee te gaan, doch Chr. Geref. te blijven.
Ook ds. F.P.L.C. van Lingen en ds. J. Wisse besluiten niet mee te gaan. En zo zijn er al spoedig meer.
Op 20 juli 1892 komt men bijeen in Utrecht en besluit men "te blijven wat men is: Christelijk Gereformeerd". Ook wordt duidelijk stelling genomen tegen het leerstuk van de veronderstelde wedergeboorte.
Al snel wordt het kerkelijke leven verder georganiseerd. In 1894 wordt een predikanten-opleiding gestart. Het aantal gemeenten groeit snel. Ook diverse predikanten, die aanvankelijk met de vereniging zijn meegegaan, keren weer terug.
Zo zijn er 10 jaar later al 66 gemeenten en 22 predikanten.

De ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken

In de Gereformeerde Kerken blijven aanvankelijk de meeste Christelijke Gereformeerde en Dolerende Kerken naast elkaar bestaan. Ter onderscheiding dragen ze de naam Gereformeerde Kerk A of B. Geleidelijk ontstaat plaatselijk vereniging van de A- en B-kerken met als laatste kerk die van Bunschoten in 1931.
Op synodaal niveau blijven aanvankelijk diverse kwesties problemen geven. Zo zijn er bijv. nu twee theologische opleidingen ('Kampen' en de VU). Velen vinden dat ook die verenigd moeten worden. De Christelijke Gereformeerden willen Kampen echter behouden.
Ook diverse leeropvattingen van Kuyper blijven de gemoederen bezig houden, totdat in 1905 hiervoor oplossingen gevonden worden.
Ondanks diverse kwesties (bijv. de zaak Geelkerken in 1926 over het al of niet spreken van de slang in het paradijs) groeien de Gereformeerde Kerken uit tot een gemeenschap van ruim 800 kerken en meer dan 800.000 zielen.
In de oorlogsjaren ontstaat er een ernstig conflict, hetgeen o.a. leidt tot de afzetting van Prof. Dr. K. Schilder. Daaruit komt de Vrijmaking voort, waarbij diverse kerkenraden zich 'vrijmaken' van de synodale besluiten. Hieruit ontstaan de Gereformeerde Kerken, onderhoudende artikel 31, later veranderd in Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt).
In de jaren '60 en '70 ontstaat er in de Gereformeerde Kerken steeds meer ruimte voor schrift-kritische opvattingen, die geleidelijk ook steeds verder gaan.
Diverse protesten en bewegingen om die ontwikkelingen tegen te gaan hebben echter geen resultaat.
Ook de kerkverlating neemt steeds grotere vormen aan. Jaarlijks verlaten reeds meer dan 10.000 leden deze kerken.

Tot zover een summiere beschrijving van de kerkelijke ontwikkelingen vanaf 1800.
We gaan nu over tot korte beschouwing van de kerkelijke ontwikkelingen in Soest, na 1800.

Hoofdstuk 2 Korte beschrijving van de kerkelijke ontwikkelingen in Soest

Hoe zag Soest er uit aan het begin van de 19e eeuw ?

In het boekje "De Utrechtse gemeenten in 1815" komt uiteraard ook een beschrijving voor van Soest (toen Zoest genoemd). Ook Isselt behoorde toen bij Soest.
Om u een indruk te geven van omvang, leefwijze en bedrijvigheid in Soest worden hierna enkele gegevens vermeld (in de spelling van die tijd):

Aantal inwoners

1560 personen

Getal van woonhuizen

290, onder welke eenige hutten begrepen.

Aantal kerken

Twee, een Gereformeerde (=Hervormde) en een Roomsche Kerk, benevens noch een kleine kapel onder het gehucht Isselt gelegen, welke tot particulieren dienst van de familie van Dam, Heeren van voorschreven heerlijkheid, gestrekt heeft.

Getal van groote boeren-, kleine boeren- en keuters of arbeiderswoningen

35 boerderij; agt en veertig kleine dito en 20 arbeiderswoningen.

Namen van polders of bedijkte gronden

Er zijn geen bedijkte polders. Men vindt in Zoest de volgende afdelingen als Isselt, de Hoge en Lage Birk, den Berg Hees, de Heeser Engh, de Zoester Engh, Middelwijk, Langeeindt, de Maaten en Zoestdijker akkers.

De onderscheidene soorten van gronden

De laage lande kleiachtig. De Hooge gronden grof zandig met kleine keien van marmer en gewoone straat steen gemengd.
Ook ligte veen en heigronden. De weilanden 920 morgen. De bouwlanden 1200 morgen. De bosschen 100 morgen. De veengronden 200 morgen. De Heigronden 1000 morgen.

De voornaamste soorten van granen en andere producten

Rogge, boekweit, haver, aardappelen, knollen, welke laatst genoemde door de voortreffelijkheid in smaak, alom gedebiteerd worden.

Wegen, strekkende naar de naast omliggende plaatsen en derzelver aard en gesteldheid

Naar Utrecht, Naarden en Amersfoort en de nabij gelegen dorpen. De weg naar Utrecht ligt grootendeels door heidevelden in de zomer zwaar zandig, in de winter vochtig en hier en daar met gaten.

Als we deze beschrijving op ons laten inwerken, zijn de grote veranderingen op allerlei terrein niet moeilijk aan te geven. Soest was een agrarische gemeenschap. Er was alleen een flessenfabriek "debiterende 's jaarlijks circa 500.000 flessen van groen glas". Voorts verdienden sommigen hun brood met het uitoefenen van de toen gebruikelijke ambachten als wagenmaker, hoefsmid, rietdekker en zadelmaker.
Andere aktiviteiten zijn: het metselen van bakovens (er wordt in Soest daartoe zeer geschikt leem gevonden) en het zoeken van straatstenen op de hei. Voorts wordt er turf gestoken en gebaggerd (zes tot zevenduizend tonnen per jaar).
Het personen- en goederenvervoer vindt plaats met beurtschepen (Amsterdam-Amersfoort), met boerenwagens en - uiteraard - te voet. Zo is Utrecht vier uur gaans, Amersfoort anderhalf uur en Naarden drie uur.

Soester knollen

Zoals bekend, hebben de Soesters als bijnaam: Soester knol. Het staat vast, dat deze bijnaam direkt te maken heeft met de teelt van knollen. De knollen werden begin augustus gezaaid en werden dus als nagewas geteeld.
Hiervoor werd al gemeld, dat de Soester knollen van uitstekende kwaliteit waren en daarom gretig aftrek vonden. Hoewel het geen volksvoedsel was, werden ze toch in vele gezinnen gegeten. Kooplieden uit het Gooi kochten hele partijen op en ventten die uit in Hilversum, Zeist e.d.
Hoewel als veevoer geteeld, waren ze voor menselijke consumptie heel geschikt, mits maar op de juiste manier bereid (aldus E. Heupers in "Soest bij kaarslicht en tuitlamp"). In dat boek komt ook een beschrijving voor van de bereidingswijze: "Volgens overlevering werde de Soesterknollen door de inheemse bevolking met schil en al gestoofd . . . Ze werden gegeten als een "muuspot", dat wil zeggen als stamppot, vermengd met aardappelen en vet.
De knollen moesten lichtelijk aangebrand zijn en een bruin korstje hebben. Dat bracht de gewenste smaak aan het gerecht. Bij voorkeur moesten de knollen zo heet mogelijk, althans warm, worden opgediend, zo van het vuur, dampend op tafel gezet".
De bijnaam "Soesterknol" werd vroeger veel als scheldnaam gebruikt. De bedoeling was om door deze naam te wijzen op het minderwaardige voedsel dat de Soester at en daarom voor achterlijk werd versleten.

De Reformatie in Soest

De Reformatie kwam in Soest laat op gang. Eerst in 1580 kwam de breuk met de R.K. Kerk en werd de kerk gezuiverd van alle zaken die te maken hadden met de Rooms-Katholieke eredienst.
Slechts een betrekkelijk klein gedeelte van de Soester bevolking ging mee met de Hervorming.
Dit gebeurde overigens niet zozeer omdat men tot die overtuiging was gekomen, maar veeleer op last van de Staten van Utrecht. Slechts enkelen waren de "nye leer" uit overtuiging toegedaan. Aangezien de overgrote meerderheid niet met de Hervorming meeging, werden de beelden niet vernietigd, maar opgeborgen in een zijtorentje aan de zuidkant van de kerk.
In 1593 werd door de Staten van Utrecht een commissie in het leven geroepen, die moest onderzoeken in hoeverre de Hervorming op het platteland van Utrecht een feit was geworden. Over de kerk te Soest wordt o.a. gerapporteerd: "De kercke is niet wel gerepareert, noch behoorlijck van d' oude onwezen gesuvert".
De predikant van Soest, ds. Samuel Pitius gaf te kennen dat er nog allerlei moeilijkheden waren. Over het kerkbezoek was hij wel tevreden, maar de meeste inwoners waren aan de oude godsdienst trouw gebleven.
De meeste mensen bleven ook trouw aan het Groot Gaesbeecker Gilde.
Dat Gilde was geliefd. Het bestond al vanaf 1560. De gildefeesten waren een jaarlijks terugkerend evenement. Aanvankelijk bleef men ook na de Hervorming lid van het gilde, hoewel de Hervormde Kerk daartegen bezwaren had. De feesten waren luidruchtig en gingen vaak gepaard met veel drankgebruik. Later is als voorwaarde van toelating tot het Gilde gesteld, dat men lid moest zijn van de Rooms Katholieke Kerk.
Een groot deel van de Soester bevolking wilde de oude gebruiken handhaven. Ook vooraanstaande dorpsgenoten bleven de hervorming vijandig gezind.
Mede daardoor kreeg de Reformatie niet veel aanhang.

Afscheiding en Doleantie in Soest

De Afscheiding gaat vrijwel geheel aan Soest voorbij. Er scheiden zich enkelingen af van de Hervormde kerk. In "De Afscheiding van 1834 deel 4 Classis Utrecht" van dr. C. Smits vond ik het volgende vermeld:
"In de streek om Bunschoten vond de Afscheiding weinig ingang. In deze jaren (rond 1850) is er geen Afgescheiden gemeente in bijvoorbeeld Baarn, Huizen, Naarden en Bussum. Vandaar dat de Afgescheidenen uit de omgeving wel aansluiting bij Bunschoten zoeken. Circa 1852 zijn er "als protest tegen de toenmalige prediking in de Hervormde Kerk" huisoefeningen aan de Vuursche. Voorganger is P. Vervat, een smid. Na zijn dood treedt Jacob de Ruig uit Soest als voorganger op".
Met de Doleantie verloopt het anders. Op 27 november 1887 wordt er een Nederduitsch Gereformeerde Kerk geïnstitueerd en daar komen we J. de Ruig weer tegen. Hij is de eerste oefenaar van de dolerende gemeente en wordt aangesteld als oefenaar.
Hij blijft dat 20 jaar lang!

De Gereformeerde Kerk van Soest

Vanaf 1892 komt deze Dolerende kerk dus in het verband van de Gereformeerde Kerken.
In 1938 wordt deze kerk omgedoopt tot de Gereformeerde kerk van Soestdijk en wordt er in Soest een tweede kerk geïnstitueerd.
Vele bekende Gereformeerde predikanten hebben in de kerk van Soestdijk en Soest gediend.
Ik noem: ds. R.E. van Arkel, ds. S. Wouters, ds. H. van Andel, ds. J.A.C. Rullmann en ds. D.H. Borgers.
Inmiddels zijn de kerken weer samengevoegd en sinds enige tijd gefedereerd in het kader van het Samen-Op-Weg proces.

Tot zover een korte historische schets van Soest en de kerkelijke ontwikkelingen na 1800 in het algemeen en ter plaatse.
We komen nu tot de beschrijving van het ontstaan van de Christelijke Gerefomeerde Kerk in Soest en haar verdere ontwikkeling.

Hoofdstuk 3. De Christelijke Gereformeerde Kerk in Soest. De periode van 1923 (instituering) tot 1950

3.1 De eerste jaren, van instituering in 1923 tot 1926

Instituering van de gemeente

Op 1 mei 1923 vergadert de classis Utrecht waarbij het verzoek wordt behandeld van een aantal leden woonachtig te Soest en Soestdijk, om in Soest een zelfstandige gemeente van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland te institueren. Nadat de classis daartoe toestemming heeft verleend laten de broeders er geen gras over groeien; reeds op 16 mei wordt onder leiding van de kerkenraad van Baarn een vergadering belegd, waartoe alle manslidmaten zijn opgeroepen. Niet bekend is waar deze vergadering wordt gehouden. Aanwezig zijn P. Floor, C. Plooy, A.J. Heins, C. Plomp, W. de Kruijff en B. Verburg. Afwezig is A. Pothoven, hoewel deze wel wordt verwacht. De classis Utrecht wordt vertegenwoordigd door ds. J. Tolsma van Zeist; tevens is ds. G. Molenaar van Baarn met zijn gehele kerkenraad aanwezig. Deze heeft de leiding van de vergadering, laat zingen psalm 89: 7 en zet vervolgens het doel van deze bijeenkomst uiteen.

De verkiezing van een kerkenraad vindt direkt daarna plaats. Tot ouderling worden benoemd P. Floor (voorzitter) en C. Plomp (scriba); diaken wordt B. Verburg. De ambtsdragers worden nog op de avond waarop de verkiezing heeft plaatsgehad, bevestigd. Ds. Molenaar preekt in de bevestigingsdienst over psalm 123: 7, met als hoofdgedachte "De onmisbare vereisten voor een volgeling van Christus". Als de pas geïnstitueerde gemeente naar huis gaat, is er vreugde en dankbaarheid; met vertrouwen ziet men de toekomst tegemoet. De eerste notulen spreken van hoop en verwachting. Moge de gemeente onder de zegen van de Heere "groeije en bloeije".

Later blijkt dat Heins het niet eens is geweest met de gang van zaken met betrekking tot de verkiezing; waarschijnlijk is er vooraf enig overleg geweest hoe de toekomstige kerkenraad er uit zou kunnen zien. Hij komt echter pas in augustus met zijn bezwaren op de kerkenraadsvergadering, waarbij de problemen niet worden opgelost. In september komt de zaak opnieuw op de kerkenraad; het geschil houdt de broeders behoorlijk bezig en daarom is de hulp van ds. Molenaar ingeroepen. Heins, die op dat moment nog geen lid is maar nog tot de gemeente van Baarn behoort, heeft zijn bezwaren uiteengezet in een brief. Volgens hem bestaat er een afspraak met P. Floor over de verkiezing van de toekomstige ambtsdragers, waarvan hij nu erkent dat deze afspraak onjuist is. Hij is echter (niet ten onrechte) van mening dat ook Floor verkeerd heeft gehandeld. De problemen tussen de broeders worden nog tijdens deze vergadering opgeruimd, waarbij Heins verklaart nu ook lid te willen worden van de gemeente Soestdijk. Hij voegt de daad bij het woord en verzoekt aan ds. Molenaar hem de attestatie van Baarn te doen toekomen. De dankbaarheid overheerst in de kerkenraad; de Heere is een hoorder der gebeden.

Op 2 oktober 1928 ontvangt de kerkenraad een schrijven van de scriba van de generale synode dat "de gemeente van Soest op de genummerde lijst staat ingeschreven onder nr. 68".

De gemeente in wording hield reeds kerkdiensten vanaf 28 maart in het koetshuis van de heer Legemaat, een boerderij aan de Turfstraat (nu de Waldeck Pyrmontlaan). Waarschijnlijk moest voor iedere kerkdienst - zondag en door de week - de ruimte opnieuw worden ingericht.

Voorlopig vraag de zakelijke kant van de jonge gemeente alle aandacht. Er is geen geld, wel beschikt men over een gebouw waarin men bijeen kan komen maar voordat daarvan een kerk is gemaakt moet er nog heel wat gebeuren. De eerste kerkenraadsvergadering na de instituering, op 23 mei, wordt vooral besteed aan besluitvorming over de financiën. Ook daaruit blijkt duidelijk hoe groot het vertrouwen is op Gods zorg, maar ook geeft het een indruk van het mogelijke aantal leden dat men verwacht. Zo zijn er reeds 100 stoelen aangekocht; als men bedenkt dat het ledenaantal op dat moment ca. 30 bedraagt, blijkt hieruit dat er gegronde verwachtingen zijn voor de groei in de toekomst. Er zijn echter veel gasten die zich voorlopig nog niet aansluiten. De meeste toekomstige leden zijn op dat moment aangesloten bij de gemeente van Baarn.

Er moeten in de voorlopige kerk echter meer dan 100 zitplaatsen zijn geweest. Er wordt immers niet alleen plaatsengeld gevraagd voor de stoelen maar ook voor de banken. De huur van een zitplaats in een bank bedraagt fl. 5,--; voor een stoel is dat fl. 4,--. Zondag zal driemaal worden gekollekteerd; één kollekte voor de diakonie, eenmaal voor de kerk en nog een kollekte bij de uitgang, waarschijnlijk ook voor de kerk. Ook in de week wordt een kerkdienst gehouden, omdat er natuurlijk 's zondags veel leesdienst zal zijn. Alle reden dus om te verwachten dat er bij de doordeweekse dienst, wanneer dus een predikant voorgaat, behoorlijk belangstelling zal zijn. Dan zal er niet drie, maar slechts tweemaal worden gekollekteerd, geheel bestemd voor de kerk. Zolang blijkt dat er voldoende belangstelling voor de kerkdienst in de week is, wordt besloten daarmee door te gaan.

Op dat moment is er al een tekort van fl. 285,-- ontstaan door de aanschaf van de stoelen, het stofvrij maken van de kerk en door de aankoop van vier lampen en twee kollektezakjes. De kerkenraadsleden Floor, Plomp en Verburg besluiten staande de vergadering dat zij ieder fl. 100,-- aan de kerk zullen lenen tegen 5% per jaar. Het gemeentelid Heins zal daarvoor ook worden gevraagd; blijkbaar was daarover reeds voor deze vergadering overleg geweest, omdat hem gevraagd zou worden "of hij bij zijn toezegging bleef". Zo komt er wat ruimte om een preekstoel te laten maken en deze met de banken te beitsen. Penningmeester wordt voorlopig de scriba, Verburg.

Op advies van ds. Molenaar wordt aan de "leden", dus aan diegenen die in Soest en Soestdijk wonen, geadviseerd om de attestatie in Baarn op te vragen. Met de kerkenraad van Baarn wordt later afgesproken dat de kerkelijke grenzen dezelfde zullen zijn als de gemeentelijke grenzen. Wie dus in Baarn woonde maar in Soest lid wenste te worden, kreeg daarvoor van de beide kerkenraden geen toestemming.

Groei van de gemeente

In de eerste jaren van haar bestaan groeit het ledental fors. Niet alleen omdat de leden die in Baarn ter kerke gingen maar in Soest woonden zich lieten overschrijven, maar vooral door de overkomst vanuit de Gereformeerde kerk. Op 19 juni 1923 komt dhr. Huygen, lid van de Gereformeerde kerk, op de kerkenraadsvergadering met het verzoek zich te mogen aansluiten. Dat gebeurt niet zomaar; er wordt grondig geïnformeerd naar de beweegredenen en daarna wordt aan Huygen gevraagd "belijdenis" af te leggen. Op dezelfde vergadering spreekt de kerkenraad over de krappe plaatsruimte in de kerk, dit ondanks de meer dan 100 zitplaatsen. Scriba Verburg krijgt de opdracht om een aantal gegevens te verkrijgen zodat op de volgende kerkenraadsvergadering verder gesproken kan worden hoe dit probleem op te lossen.

Kerkbouw

Nog maar net twee maanden nadat de gemeente is geïnstitueerd wordt er een vergadering gehouden met de mannelijke leden. Het ruimtegebrek is dan al zo groot en de verwachtingen voor de toekomst zijn zo hooggespannen, dat de kerkenraad het aandurft om aan de gemeente voor te stellen een stukje grond te kopen en kerkbouw te overwegen. De kerkenraad heeft zich goed gerealiseerd dat er heel wat aan vast kon zitten en dat de leden terdege moesten beseffen wat de consequenties zouden kunnen zijn. Daarom werd gevraagd een presentielijst te tekenen; alleen C. Plooy weigert dat. Hij noemt dit een nieuwigheid en is niet van plan aan nieuwigheden mee te doen. Voor de financiering van de kerkbouw zal een obligatie-lening worden uitgegeven en, als er dan nog geld nodig is, zal een hypotheeklening worden afgesloten. W. de Kruijff jr., die niet ter vergadering is, komt de volgende dag berichten dat ook hij zijn goedkeuring geeft aan de plannen. Daarmee is de kerkenraad gemachtigd door de gemeente en is dus de weg vrij om zaken te doen.

Met voortvarendheid gaat de kerkenraad te werk. Reeds in augustus wordt gekozen uit twee mogelijkheden om een stukje grond aan te kopen. Er is een terrein beschikbaar aan de Turfstraat en een ander stuk bouwgrond dat ook geschikt wordt geacht, ligt aan de Spoorstraat (nu dus aan de Julianalaan). Besloten wordt om het terrein aan de Spoorstraat te kopen voor fl. 3.000,-- omdat er dan tegelijkertijd ruimte is om zonodig een pastorie te bouwen. Zelfs is er al een voorlopige tekening van de kerk op tafel; voorlopig gaat men daarmee akkoord.

Op 27 augustus 1923 komen de belijdende manslidmaten met de kerkenraad opnieuw bijeen. De kerkenraad doet mededeling van de aankoop van de grond aan de Spoorstraat hetgeen met instemming wordt vernomen. Er is een tekening voor een kerkgebouw met 250 zitplaatsen die al is goedgekeurd door de gemeente-architect, maar een prijsopgave is nog niet binnen. Wel wordt overwogen, omdat er veel werk ligt te wachten nu de plannen voor de kerkbouw vastere vormen beginnen aan te nemen, om de kerkenraad uit te breiden met een ouderling en een diaken. De beslissing daarover wordt uitgesteld tot Nieuwjaar 1924. De kollekte aan de uitgang zal worden bestemd voor het bouwfonds, de kollekte voor de diakonie vervalt en wordt bestemd voor de kerk.

Concrete voorstellen voor de bouw van de kerk worden besproken op 17 september; er zijn twee offertes aangevraagd waarbij een aannemer uit Blaricum aanbiedt de kerk te bouwen voor fl. 13.500,-- en een aannemer uit Soest meent dit voor fl. 11.000,-- te kunnen doen. De broeders (ook hiervoor zijn de manslidmaten van de gemeente uitgenodigd) achten dit echter onhaalbaar, zeker gezien de tijdsomstandigheden (de economie is niet sterk). Bovendien is het ontwerp van de kerk te kostbaar, reden waarom wordt besloten architect Plooy uit Amersfoort te vragen een andere tekening te maken. Op dezelfde vergadering wordt voor het eerst gesproken over een orgelfonds.

Architect Plooy bericht al spoedig dat hij geen kans ziet om, op basis van de eisen die door de gemeente-architect (dus bouw- en woningtoezicht) aan een kerk worden gesteld, een ontwerp in te dienen waarvan de bouwkosten beneden de fl. 10.000,-- zouden liggen. Deze architect is echter wel zo slim en blijkbaar onze gemeente zo gunstig gezind dat hij adviseert dit direct met de gemeente-architect, de heer Beekman, te bespreken en hem te vragen een kerkgebouw voor 250 zitplaatsen te ontwerpen. Aldus besluit de kerkenraad. Tegelijkertijd wordt er een bouwcommissie gevormd.

De notulen vermelden niets over de contacten met de architect, maar reeds op 31 oktober 1923 heeft de aanbesteding van de kerk plaatsgehad. Er is dus in de korte tussenliggende periode intensief overlegd, hetgeen ook blijkt uit het besluit van de kerkenraad op 9 oktober dat met spoed de verkoop van obligaties ter hand dient te worden genomen. Het was namelijk ook de architect Beekman blijkbaar niet gelukt om onder de fl. 10.000,-- te blijven; de aanbesteding heeft reeds plaats gehad voor het bedrag van fl. 12.163,--. Het werk is gegund aan aannemer Klein. Voordeel in de afhandeling van de procedures was natuurlijk wel dat de gemeentearchitect reeds bij het ontwerp was betrokken.

Maar financieel is de zaak nog lang niet rond. Spoedig moet de eerste termijn van de bouw worden betaald maar het geld daarvoor is nog niet binnen. Om dat voorlopig dan maar op te lossen, besluiten de kerkenraadsleden Floor en Plomp elk een obligatie ter waarde van fl. 600,-- te nemen; Verburg doet mee voor fl. 332,60. Alleen op deze wijze kan de gemeente de verplichting van de eerste termijnbetaling nakomen. Plomp zal regelen dat het kerkgebouw premievrij wordt verzekerd.

Op 12 december wordt de eerste steen gelegd door ds. G. Molenaar. Deze spreekt bij deze plechtigheid over Genesis 28, de geschiedenis van Jakob te Bethel. De preek handelt over "Dit is een huis Gods". Ds. Molenaar sprak de bede uit "dat in dit gebouw nooit zou worden afgeweken van de zuivere verkondiging van het Woord" en spreekt de wens uit "dat vele levende stenen zouden worden toegevoegd aan dit geestelijk huis". De plechtigheid wordt besloten met het zingen van psalm 138: 1.

Ondertussen worden intensieve pogingen ondernomen om de obligatielening te plaatsen. Gehoopt wordt op deze wijze fl. 10.000,-- bij elkaar te krijgen, maar dat lukt niet. Er rest geen andere mogelijkheid dan op 1 april 1924 een hypotheek te nemen van fl. 6.500,-- van een gemeentelid uit Baarn voor de looptijd van 10 jaar tegen een rente van 6%. (Later wordt duidelijk dat dit ene heer Salomons is geweest; als in 1926 kandidaat Oosthoek het beroep aanneemt en de gemeente voor grote uitgaven komt te staan in de toch al moeilijke tijd, gaan Floor, Plomp en Verburg op bezoek om hem te vragen de rente te verlagen van 6% naar 5%). De financiering is daarmee voorlopig rond maar er rust wel een loodzware financiële last op de schouders van de kleine gemeente. Door de vele uitgaven van de kerkbouw en inrichting is er geen geld beschikbaar voor een gevelsteen met opschrift. De bestrating voor de kerk is ook niet uitnodigend om de kerk binnen te gaan, maar ook daarvoor kan geen geld worden uitgetrokken. Het plaatsengeld in de kerk wordt verhoogd naar fl. 6,--. Wanneer dit echter een bezwaar is, mogen behoeftige leden volstaan met fl. 4,-- (wijziging van een plaats kan alleen in overleg met de kerkenraad). Alle mogelijkheden worden aangepakt om geld binnen te krijgen.

De bouw verloopt zeer voorspoedig: de architect en aannemer Klein berichten dat de kerk op 8 april zal worden opgeleverd. De kerkenraad wil de kerk zo spoedig als maar mogelijk is, in gebruik nemen en besluit aan de gemeente de gelegenheid te geven om de kerk te bezichtigen op diezelfde dag en dan tegelijkertijd de plaatsen te verhuren. De officiële opening wordt vastgesteld op de dag daarna, dus op 9 april 1924. Als sprekers zullen worden gevraagd. ds. G. Salomons van Baarn en ds. J.A. Riekel van Maarssen en als genodigden burgemeester en wethouders van Soest, oud-burgemeester Doelen Grothe met zijn echtgenote, architect Beekman en aannemer Klein.

Bij de ingebruikname van de kerk wordt het Woord bediend door maar liefst drie predikanten. Ds. Salomons spreekt over "de liefelijkheid van God woningen", ds. Riekel over "de Hogepriester van God Huis" en ds. J. Tolsma van Zeist over "de blijvende Koning van de strijdende Kerk". De dankbaarheid van de gemeente is groot en klinkt zelfs door in de stijl van de notulen van de kerkenraadsvergadering die op 29 april werd gehouden. Scriba Verburg geeft daarin een opsomming van de vele zegeningen: "De eerste samenkomst van de gemeente in wording op 28 maart 1923, op 1 mei daarna de toestemming van de classis om de gemeente te institueren, op 16 mei bevestiging van de eerste ambtsdragers, en op 9 april 1924 de opening van een prachtig kerkgebouw. Alles nog geen jaar na de instituering.

Het oorspronkelijke ontwerp van de kerk schijnt zelfs iets te zijn uitgebreid zodat er, volgens Verburg, ruimte is voor ca. 300 zitplaatsen. In zijn blijdschap heeft hij waarschijnlijk de zegeningen nog groter gemaakt dan ze al waren; immers 300 zitplaatsen in het huidige kerkgebouw (waarvan de ruimte sindsdien niet is gewijzigd) lijkt wel wat aan de hoge kant.
De commissaris van de Koningin met de burgemeesters en de beide wethouders komen op 10 augustus 1928 de kerk bezichtigen.

Br. Legemaat en zijn vrouw, die zo gulhartig hun koetshuis hebben afgestaan voor de kerkdiensten, ontvangen later ieder een "gemakkelijke stoel voor dagelijks gebruik" als bewijs van dank.

Behalve aan de zitplaatsen is er echter nog niet veel gedaan aan de verdere inrichting van de eenvoudige kerkzaal. Reeds in augustus komt W. de Kruijff op de kerkenraadsvergadering en attendeert op de noodzaak om te zorgen voor een aantal stoven, aangezien er kerkgangers waren die "verlegen zaten om een warme stoof". De Kruijff krijgt opdracht om 50 stuks aan te schaffen en zorg te dragen voor opgewarmde stoven naar behoefte. De kosten daarvan neemt hij voor eigen rekening.

Voor de consistorie wordt een kachel gekocht van de smid Huisman in Baarn. Deze levert ook een kachel voor de kerk, die ongeveer in het midden van de kerkzaal wordt geplaatst, waarbij een lange pijp niet alleen zorgt voor de afvoer van de rook maar ook zo nu en dan voor de nodige problemen bij de stookaktiviteiten. Dicht bij de kachel was het niet uit te houden van de hitte, maar aan de buitenkant was het letterlijk steenkoud. Het hoogtepunt bij de stokerij viel tijdens de kollektezang; dan werd de kachel opgepord en van extra brandstof voorzien om de lange preek die dan stond te beginnen, zonder aanvulling door te komen. Meermalen veroorzaakte deze stokerij dan een explosie van rook en roet, dit tot grote hilariteit van de jeugd die echter de koude trotseert door achter in de kerk te gaan zitten. Dit leidde vervolgens tot een vermaning van de ouderlingen aan de ouders van de jongelui, die dan weer een poosje rustig waren.

De lange kachelpijp geeft zoveel problemen dat Zijtveld en Verburg gaan onderzoeken of de pijp niet beter door de zijmuur kan lopen en door het dak; er blijkt nogal wat hinder te ontstaan door rookontwikkeling in de kerk. Reeds in die tijd blijkt dat de achtergevel van de kerk doorregent, een probleem dat pas tientallen jaren later is opgelost door deze met leien te bedekken. Zijtveld houdt later een warm pleidooi om in de zomer al kolen te kopen; er is een forse prijsstijging voorspeld. De vraag is wel wat voordeliger is, eierkolen of anthraciet (zulke discussies kwamen regelmatig voor). Zijtveld en Legemaat zullen daarnaar onderzoek doen en bestellen eierkolen. Later komen er "gaskolen" en een scherm om de kachel als beveiliging.

Van de Gereformeerde kerk te Bunschoten wordt een avondmaalsstel gekocht, maar niet nadat Floor en Verburg dit ter plaatse hebben bekeken en gehoorlijk op de aanschafprijs hebben gepingeld. Korte tijd na hun bezoek krijgt de kerkenraad schriftelijk te horen dat het servies niet onder de fl. 70,-- zal worden verkocht. De broeders Floor, Plomp en Verburg nemen de kosten van de aanschaf voor hun rekening en schenken het avondmaalsstel aan de kerk. Opnieuw een bewijs van hun betrokkenheid bij de dienst van de Heere en de liefde voor deze heilige zaak waarvoor dikwijls indrukwekkende offers werden gebracht. Want dat het offers waren, is wel duidelijk.

Kort daarna schenkt een onbekend gemeentelid een doopvont.

De gemeente groeit

Het plaatselijk kerkelijk leven in Soest werd in die jaren vooral gedomineerd door de Rooms Katholieke en iets minderer mate door de Gereformeerde en Hervormde kerk. Vooral de Gereformeerde kerk kende een bloeiend gemeenteleven. Die grote betrokkenheid op het kerkelijk leven, toen nog kenmerkend voor het Gereformeerde deel van de Soester bevolking, verklaart dat vanuit die kring de ontwikkelingen van de jonge en aktieve Christelijke Gereformeerde kerk met belangstelling werden gevolgd. De aantrekkingskracht was voelbaar en meerderen die aangesloten waren bij de plaatselijke Gereformeerde kerk maar zich niet in de prediking en/of cultuur konden vinden, leefden al mee met de pas gestichte Christelijke Gereformeerde kerk. De gemeente moest zich nog vormen en een duidelijk profiel van de cultuur, die voor velen in later jaren vaak zo beslissend is geweest bij de kerkelijke keuze was er nog niet. Dat maakte de keuze misschien wel wat gemakkelijker, alhoewel de kerkenraad niet lichtvaardig omging bij de beslissing om nieuwe leden, indien deze afkomstig waren uit andere kerkgenootschappen, toe te laten.
En zo leeft menigeen al mee zonder daadwerkelijk bij de gemeente te behoren. Nu het nieuwe kerkgebouw er staat, werkt het besef van een eigen onderkomen kennelijk stimulerend op de vorming en uitbreiding van de gemeente. Het is de kerkenraad bekend dat meerderen vanuit een ander kerkverband overwegen over te komen naar de Christelijke Gereformeerde kerk, maar de kerkenraad voelt zich, zeker in die beginfase, nog niet voldoende zeker van zijn zaak om daarin zelfstandig te werk te gaan. Een uitzondering daarop is de aansluiting van N. Legemaat en zijn vrouw, een van de eersten die (reeds in april 1924) zijn overgekomen uit de Gereformeerde kerk. Vermoedelijk is dit de man die al langere tijd belangeloos zijn koetshuis ter beschikking had gesteld voor het houden van de kerkdiensten. Dus zo moeilijk was het niet om daarover een besluit te nemen. Maar de beslissing over een aantal andere verzoeken tot aansluiting bij de gemeente is uitgesteld tot na de ingebruikname van de kerk. Op vrijdag 23 mei 1924 vergadert de kerkenraad waarbij ds. Salomons fungeert als voorzitter. Op deze vergadering wordt met een aantal toekomstige leden gesproken over de motieven waarom zij zich bij de gemeente willen aansluiten. Dat zijn dan Gijsbertus van Zijtveld, tot dan toe lid van de Hervormde kerk, Aart Brons en zijn vrouw Beertje Bakker (leden van de Gereformeerde kerk), Marretje Westeneng en Willemina Floor. Zij worden allen toegelaten nadat zij eerst (opnieuw) belijdenis van het geloof hebben afgelegd door de belijdenisvragen van Voetius te beantwoorden. De namen zullen tweemaal aan de gemeente worden afgekondigd en indien geen wettige bezwaren worden ingebracht, zal de bevestiging van de nieuwe lidmaten spoedig plaatshebben. Niet bekend is of daaronder verstaan moet worden dat opnieuw in het midden van de gemeente openbare belijdenis van het geloof werd afgelegd. Het is echter niet uitgesloten dat dit de gewoonte was, temeer omdat de "bevestiging" plaats vond in een doordeweekse dienst, dus als er een predikant voorging.

Kort daarna breidt de gemeente opnieuw fors uit door de komst van A. Verheul, echtgenote van W. Kersten en haar vier kinderen (haar echtgenoot volgde kort daarop; later zijn zij vertrokken naar de Gereformeerde Gemeente), P.J. van der Burg en zijn vrouw, W.I. Maaswinkel en echtgenote, W. Zwiers en zijn vrouw E. Zwiers-Laman. Zij komen met attestatie over vanuit andere Christelijke Gereformeerde kerken en vestigden zich in Soest. J. van Schaik en zijn vrouw Delia Pothoven met vijf kinderen, warvan op 24 juli 1924 melding wordt gemaakt, komt over uit de Gereformeerde kerk van Culemborg. Nazaten van hen behoren nog steeds tot de huidige gemeente.

Kerkenraad

Al kort na de instituering wordt, zoals al opgemerkt, overwogen de kerkenraad uit te breiden, vooral met het oog op de vele aktiviteiten in verband met de kerkbouw. De kerkenraad bestaat al die tijd nog steeds uit slechts twee ouderlingen en een diaken. Het was wel de bedoeling om in januari 1924 opnieuw ambtsdragers te kiezen, maar het is er niet van gekomen. In november stelt de kerkenraad het dubbeltal W. Kersten en J. van Schaik voor de verkiezing van een ouderling en het tweetal A. Heins en N. Legemaat voor diaken. De vergadering met de manslidmaten wordt geleid door ds. Salomons, waarbij Kersten en Legemaat worden gekozen. Beiden nemen hun benoeming aan, maar Heins, die al eerder problemen heeft gehad met een verkiezing, dient bezwaar in tegen de procedure. Echter niet tijdens de vergadering waarin de verkiezing plaats heeft, maar korte tijd later in een gesprek met een van de kerkenraadsleden. Hij weigert echter op de kerkenraadvergadering te komen en zijn bezwaren toe te lichten. Wel blijkt dat Heins de mening is toegedaan dat in de verkiezing niet is gehandeld overeenkomstig de artikelen 22 en 24 van de Dordtse Kerkorde; nadere toelichting ontbreekt. Indien niet alsnog daaraan recht wordt gedaan, zal hij zijn attestatie opvragen.

De kerkenraad besluit Heins (nogmaals) dringend te verzoeken op de eerstkomende kerkenraadsvergadering zijn bezwaren te komen bespreken; mocht hij aan dat verzoek geen gehoor geven dan kan hij zijn attestatie krijgen. Heins laat nu wel wat van zich horen in een brief, waarbij hij mededeelt inmiddels al te hebben bedankt als lid van de gemeente. Het is het eerste ingrijpende konflikt waarmee de kerkenraad te maken kreeg.

In december 1925 stelt de kerkenraad de dubbeltallen C. Plomp en A.J. van Breda voor ouderling en B. Verburg en G. van Zijtveld voor diaken. Plomp en Verburg zijn dan aftredend. Zij worden herkozen, maar naar de mening van de consulent ds. K. Groen die de leiding heeft bij de verkiezing behoeft er geen nieuwe bevestiging plaats te vinden omdat het hier een herverkiezing betreft.

Diakonie

Eén kollekte uit iedere kerkdienst is bestemd voor de diakonie. De sociale voorzieningen zijn in die tijd niet best, en de overheid verwacht, niet geheel ten onrechte, dat de kerk ook wel voor de belangrijkste primaire maatschappelijke noden van haar leden zal zorgen. Ook de gemeente weet dat; alhoewel soms ook wel al te gemakkelijk de gang naar de diakonie wordt gemaakt. Niet ieder heeft dat altijd begrepen.

Hoe bescheiden de middelen van de diakonie ook zijn, de kerkenraad gaat met de aanvragen die hem bereikt, pastoraal en zorgvuldig om. Ziekte in een gezin is in vele gevallen de oorzaak van geldelijke zorgen; en de kerkenraad, die tevens als diakonie optreedt, probeert daadwerkelijk enige bijstand te bieden, al moet men daarvan ook geen al te grote verwachtingen hebben. Hoe kon het ook anders, een kleine gemeente met een zware hypotheek op het kerkgebouw en bezig met de voorbereidingen om een predikant te beroepen.

De Wekker

Op verzoek van de redaktie van "De Wekker" gaat de kerkenraad op zoek naar een gemeentelid dat de funktie van korrespondent voor ons landelijk kerkblad wil vervullen; tot vreugde van de kerkenraad biedt J. Stienstra zich aan. Maar de administratie van de Wekker is het daar niet mee eens; deze weigert de benoeming. Niet bekend is waarom.

Verenigingsleven

Reeds spoedig wordt melding gemaakt van een jongelingsvereniging. Ouderling Floor is dan, op verzoek van de kerkenraad, van plan om met de voorzitter P.J. van der Burg te spreken over de vergoeding van de kosten voor het gebruik van de consistorie, in dit geval de kosten van licht en brandstof, wanneer de j.v. vergadert. Maar het bestuur van de jongelingsvereniging verzoekt de kerkenraad dringend om niet te veel te vragen en eigenlijk liever de consistorie gratis ter beschikking te stellen. Het belang van een goed verenigingsleven wordt op dat moment door de kerkenraad blijkbaar nog niet zo sterk ingezien. Voor het eerste jaar wordt de vergoeding vastgesteld op fl. 10,--. Het jaar daarop verzoekt de voorzitter van de vereniging dit bedrag te verlagen, maar de kerkenraad vindt dat dit tegenover de leden van de gemeente niet te verantwoorden is.

Kerkdiensten

Ds. Salomons heeft inmiddels medegedeeld dat hij vanaf april 1925 niet meer iedere week zal preken maar 1 x per 14 dagen. Het gaat dan niet om de kerkdiensten die op zondag worden gehouden maar om de door de weekse dienst. Voor de kerkenraad is dat een aanleiding om andere predikanten te laten komen, waarbij vooral ook wordt gedacht aan predikanten die op het verlanglijstje staan voor een beroep. Ds. Salomons heeft tot die tijd waarschijnlijk ook de catechisaties gegeven; de ouderlingen nemen dat over. Ook in de zomer gaan de catechisaties door.
In de Soester Courant worden de kerkdiensten opgegeven, maar daarin schijnen zoveel fouten voor te komen dat dit niet meer zinvol wordt gevonden. Niet bekend is of dat aan de krant ligt of aan de informatie van de kerkenraad.

Koster en onderhoud kerk

De Kruijff en zijn vrouw, die al eerder genoemd zijn toen er voor warme stoven gezorgd moest worden, fungeren als koster. Voor de jaarlijkse grote schoonmaak van de kerk wordt er een beroep gedaan op de gehele gemeente. (Later is deze gewoonte weer verlaten maar inmiddels weer verheven tot een gemeentelijke aktiviteit). De extra kosten uit deze poetsbeurt kunnen echter niet uit de beschikbare middelen worden betaald; er is gewoon geen geld. Bij Legemaat wordt daarom een busje geplaatst waar ieder zijn gave voor de grote schoonmaak kan brengen.

J. Derks, die aanvankelijk dicht bij de kerk woonde en een stukje grond achter de kerk leende voor een groentetuin, is inmiddels verhuisd en ziet geen kans meer om deze grond te gebruiken. Voor de kerkenraad is dat reden om de grond in bruikleen te geven aan koster de Kruijff.

Zorgen

Na de eerste dankbare jaren waarin, naar het besef van de gemeente, de zegeningen van de Heere meer dan overvloedig zijn, tekent zich nu een periode van problemen af. Het nieuwe is er af en, zoals zo vaak na een periode van dankbaarheid waarin alles te mooi lijkt om waar te zijn, ontstaan er problemen tussen gemeenteleden, nemen de financiële zorgen toe, stagneert de groei van de gemeente en heeft de kerkenraad de handen vol aan de organisatie. Sommige leden dreigen de gemeente te verlaten, alleen omdat men niet tot een oplossing komt bij een onderling konflikt. Terecht wijst de kerkenraad in zo'n geval het verzoek om afgifte van de attestatie af, slechts wanneer er geen andere uitweg schijnt te zijn gaat men over tot deze uiterste 'oplossing'. Er worden geen attestaties afgegeven indien men in Soest blijft wonen, tenzij het echt niet anders kan.

De kandidaatstelling voor ambtsdragers wordt uitgesteld omdat men eerst wil proberen "het kerkelijke leven in goede banen te leiden". De financiële zorgen worden zo groot dat besloten wordt niet meer iedere week maar slechts eenmaal per twee weken een door de weekse dienst te houden. De weekdiensten in de zomer worden zelfs geheel gestopt. Ook het kerkbezoek op de zondag loopt terug, zelfs zodanig dat in de winter in de consistorie gekerkt gaat worden; de kerk is trouwens ook moeilijk te verwarmen, maar daarmee was nog wel te leven.

Het weeshuis

In Soest is lange tijd het landelijk weeshuis van onze kerken gevestigd geweest. Het gebouw stond onder aan de Turfstraat (dus de Waldeck Pyrmontlaan), vlakbij de boerderij van Legemaat waar de eerste kerkdiensten werden gehouden. Op 6 augustus 1924 werd het weeshuis in gebruik genomen; de kerkenraad had in de direkte zin daarmee echter geen bemoeienis. Dit viel geheel onder de verantwoordelijkheid van de commissie die daartoe door de kerken was aangesteld. Daarbij diende de commissie zich te richten naar "het huishoudelijk regelement van de Vereniging van Diaconieën tot oprichting en instandhouding van een weeshuis voor de weezenzorg der Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland". Deze commissie heeft wel aangevoeld dat ook de kerkenraad in Soest daarvan op de hoogte moest zijn, reden waarom onder de ingekomen stukken daarvan uitdrukkelijk verslag wordt gedaan.
Toen in Soest een Christelijke Gereformeerde kerk werd geïnstitueerd, ontstond er een nauwe band tussen het weeshuis en de kerkelijke gemeente. De kerk stond vlakbij en de kinderen die in het weeshuis verbleven, gingen dan ook in Soest naar de kerk. Met de weesvader, P.J. van der Burg, bestond een intensief kontakt; opmerkelijk is dat deze broeder op advies van de kerkvisitatoren hetzelfde formulier heeft ondertekend waarin ook de ouderlingen en diakenen verklaren trouw te blijven aan de belijdenis. De betrokkenheid met het weeshuis is dus groot. De kerkenraad besluit dan ook al spoedig om in de laatste maand van elk jaar (dus slechts eenmaal per jaar) een kollekte te houden voor het weeshuis. Op voorstel van de weesvader wordt in de zomer van 1924 op zondagmiddag gestart met een zondagsschool om onderwijs te geven aan de jeugd, waarschijnlijk ook aan de jeugd van de gemeente. Op de tweede kerstdag wordt 's morgens met de zondagsschool kerstfeest gevierd, waarbij ook de kerkenraad nadrukkelijk is uitgenodigd.
Ieder jaar houdt de landelijke organisatie de jaarvergadering in de kerk, waarbij de kerkenraad echter als voorwaarde stelt dat de kollektes alle bestemd zullen zijn voor het kerkbouwfonds van de gemeente.

Als na enige jaren het ledental van de gemeente terugloopt komen er ook plaatsen vrij. De weesouders en weeskinderen nemen dan zonder overleg een aantal van deze vrije plaatsen in gebruik, hetgeen niet naar de zin is van de kerkenraad. Ouderling Floor zal dit met de wezencommissie bespreken; van overleg met de weesouders, hetgeen meer voor de hand zou liggen, is echter niets bekend. De zaak komt nog niet tot een oplossing, en de kerkenraad richt zich tot de Vereniging van Diaconieën met het verzoek om regelend op te treden en de weesouders te wijzen op de noodzaak om plaatsengeld te betalen. Het is tegenover de gemeente niet verantwoord om dit wel van de leden te vragen maar niet van de bewoners van het weeshuis. De Vereniging van Diaconieën deelt de zienswijze van de kerkenraad niet; men vindt dat voor de weesouders plaatsengeld een privé-zaak is, maar het gaat de vereniging te ver om dat ook van de wezen te vragen. Dan besluit de kerkenraad dit maar te laten rusten maar wel de weesouders op hun plicht te wijzen dat zij, in tegenstelling tot de kinderen, wel plaatsengeld verschuldigd zijn. Zij kunnen dan plaatsnemen in de smalle rij banken voor in de kerk naast de middenrij waar de kinderen zitten.

Later rijpt het inzicht in het belang van het weeshuis waarop de kerkenraad zich aansluit bij de Vereniging (alleen Verburg is tegen) en bereid is kontributie te betalen. Niet overbodig wanneer men bedenkt hoeveel kerkgangers er afkomstig waren uit het weeshuis. De kollektes op de jaarlijkse weeshuisdag in de kerk van Soestdijk, die altijd bestemd zijn voor de plaatselijke gemeente, worden dan vervangen door een huurbedrag van fl. 20,-- plus een vergoeding voor de koster.

Orgelfonds en orgel

Nog voordat de bouw van de kerk een feit was, werd het plan besproken om een orgelfonds te vormen. Een van de mogelijkheden is om maandelijks met een busje rond te gaan bij de leden en belangstellenden(!). De beslissing daarover wordt echter voorlopig uitgesteld totdat er in januari 1924 een orgelcommissie wordt gevormd waarvan P.J. Drost voorzitter is. Kort daarop wordt een orgel gekocht voor fl. 120,-- Drost schijnt te weinig tijd te hebben om zich aktief met het orgelgebeuren bezig te houden, en wordt vervangen door Kersten. Deze vormt dan met Legemaat en van der Burg vanaf eind 1926 de orgelcommissie.

Orgelhandelaar van Dam uit Utrecht wil bemiddelen bij de aankoop van een orgel dat op 5 april 1927 wordt gekocht voor fl. 100,-- en ook door hem wordt overgeplaatst. Het 'oude' orgel wordt door hem voor fl. 10,-- ingeruild. Helaas is echter niet bekend wat voor instrument in dat jaar in de kerk is geplaatst.

Beroepingswerk

Begin 1925 bespreekt de kerkenraad de mogelijkheden van het beroepingswerk, mede op verzoek van enkele gemeenteleden. Er is veel leesdienst, regelmatig ook tweemaal per zondag. Dat heeft inmiddels ook geleid tot het voorstel van de gemeente om niet alleen ouderling Floor te laten preeklezen maar ook ouderling Kersten. Binnen de kerkenraad ligt dat echter nogal gevoelig. Ouderling Plomp is van mening dat Floor het maar net zolang moet doen "totdat hij niet meer kan". Noodgedwongen wordt er dan schriftelijk gestemd en dan blijkt dat Plomp in deze mening alleen staat.

De kerkenraad besluit op de komende classis-vergadering "handopening" te vragen om een predikant te beroepen. Floor en Kersten, die zijn afgevaardigd, zullen deze zaak toelichten waarbij als traktement wordt voorgesteld fl. 2.000,-- per jaar, plus pastorie en belasting. Als blijkt dat de classis daarmee akkoord gaat, wordt er een ledenvergadering belegd op 11 maart onder leiding van ds. Salomons. Ondanks de reeds hoge offerbereidheid van de gemeente en de forse hypotheek op het kerkgebouw, wordt benadrukt dat de financiële konsekwenties niet gering zijn. Maar de gemeente accepteert dit, hoewel er nog geen pastorie is.

In deze ledenvergadering wordt besloten ds. J.L. de Vries van Rijnsburg bij acclamatie te beroepen, maar hem tevens nog eens uit te nodigen voor een weekdienst om een goed oordeel van hem te krijgen. Op de avond van de verkiezing is ds. Salomons door ziekte verhinderd en vervangen door ds. H. Hoogendoorn. Ds. de Vries bevestigt de ontvangst van de beroepsbrief en deelt mede dat hij van plan is om op donderdag 30 mei met zijn echtgenote de gemeente te bezoeken. Zover is het echter niet gekomen, want reeds op 27 mei wordt melding gemaakt van zijn bedankbrief.

De kerkenraad aarzelt om opnieuw te beroepen; scriba Verburg vindt het financieel niet verantwoord. De meerderheid beslist echter en zo wordt er een nieuw tweetal gesteld, de predikanten J.A. Riekel van Maarssen en A. Zwiep van Hillegom. Ds. Zwiep wordt met ruime meerderheid van stemmen gekozen, maar bedankt al spoedig. Daarna besluit de kerkenraad te wachten tot de kandidaten beroepbaar worden gesteld.

Ds. B. Oosthoek 1926-1928

Ds. Oosthoek beroepen

Op dinsdag 3 juni 1926 vergadert de kerkenraad met 13 manslidmaten. De zondag daarvoor is van de kansel bekendgemaakt dat er een belangrijke vergadering wordt gehouden en dat de leden deze vergadering, indien enigszins mogelijk niet moeten verzuimen. De kerkenraad wil doorgaan met het beroepingswerk en, nu spoedig 4 kandidaten beroepbaar zullen worden gesteld (het laatste examen in Apeldoorn moet nog worden afgelegd), met de gemeente overleggen of er bij acclamatie beroepen zal worden - men denkt dan aan kandidaat Oosthoek - of na verkiezing uit een tweetal. Het mag wat verwondering wekken dat al over beroepen werd gesproken nog voor de kandidaten beroepbaar waren, maar niet zelden is het gebeurd dat een kerkenraad op de dag van het eindexamen de kandidaat reeds met een bezoek en beroepsbrief kwam vereren.

Alle aanwezigen zijn het er over eens dat kandidaat Oosthoek bij acclamatie kan worden beroepen. Eigenlijk heeft men dus al van te voren gestemd. Het traktement wordt vastgesteld op fl. 2.000,-- plus vrije woning, belasting en zes vrije zondagen. De consulent, ds. K. Groen van Baarn wordt gevraagd om op dinsdag 13 juli 1926 voor te gaan in een bidstond voorafgaande aan de verkiezing. (ds. Salomons van Baarn heeft inmiddels een beroep naar een andere gemeente aangenomen). Ds. Groen heeft voor de bidstond zijn tekst gekozen uit Romeinen 5: "de lijdzaamheid werkt bevinding, de bevinding hoop, en de hoop beschaamt niet". Na de dienst blijven de leden die stemrecht hebben, nog even achter en vervolgens wordt kandidaat Oosthoek bij acclamatie beroepen. Uit alles blijkt dat de gemeente zich heel sterk bij dit beroep betrokken voelt.

Grote dankbaarheid is er als op 5 augustus de kerkenraad de brief ontvangt van kandidaat Oosthoek waarin deze mededeelt dat hij met grote vrijmoedigheid en blijdschap het beroep aanneemt. Scriba Verburg kan dan zijn vreugde niet op en notuleert na de kerkenraadsvergadering van 25 augustus alle zegeningen die de gemeente in de korte tijd van haar bestaan van de Heere heeft mogen ontvangen.
"Op 16 mei 1923 zelfstandige gemeente geworden met een ledental van 8 manslidmaten met vergaderplaats het koetshuis van Legemaat dat daarvoor vrijwillig werd afgestaan; op 20 augustus 1923 werd een akker grond gekocht om daarop een kerk te bouwen; op 31 oktober 1923 vond de aanbesteding plaats door architect Beekman; op 12 december de eerste steenlegging door de consulent ds. G. Molenaar van Baarn; op 9 april 1924 werd het vriendelijk kerkgebouw in gebruik genomen en nu, nadat voor de derde maal een beroep is uitgebracht - ditmaal op kandidaat Oosthoek - werd het beroepingswerk met des Heeren zegen bekroond. Wij kunnen niet dan met volle vrijmoedigheid zeggen: de Heere heeft groote dingen bij ons gedaan. We hebben rijke stof om dankbaar en verblijd te zijn. Op 16 mei 1923 gemeente geworden en zo hopen wij op 24 oktober 1926 een eigen herder en leeraar te ontvangen. Stelle de Heer deze Zijn dienstknecht in deze gemeente tot een rijke zegen."

De kerkenraad besluit aan ds. Salomons te berichten dat, nu de gemeente Soestdijk spoedig een eigen predikant krijgt, de weekdiensten waarin ds. Salomons (ondanks zijn vertrek uit Amersfoort) regelmatig voorgaat, komen te vervallen. Met de catechisaties zal worden gewacht tot ds. Oosthoek zijn werk zal aanvangen.

Een eigen pastorie van de gemeente is dan nog niet beschikbaar; het toekomstige dominees-echtpaar (kandidaat Oosthoek is dan nog niet getrouwd) zal voorlopig zijn intrek nemen in een gehuurde woning. De gemeente wordt bijeengeroepen om een aantal praktische zaken in verband met de verhuizing te regelen; daarvoor zijn alle leden uitgenodigd. Voor het eerst worden dan de vrouwelijke leden genoemd, ook niet-leden zijn aanwezig. Er wordt een "Comité van Dames" gevormd om te zorgen dat er gordijnen komen en in de kollektes kan men extra gaven kwijt, met vermelding van de specifieke bestemming in verband met de komst van de toekomstige dominee. Zijtveld neemt zich voor alle leden te gaan bezoeken die de gewoonte hebben om onder de leesdiensten weg te blijven. Kersten krijgt de opdracht om een geschikt cadeau te kopen dat bij het huwelijk van kandidaat Oosthoek en Hendrika Veldkamp zal worden aangeboden.
Op 5 oktober 1926 doet kandidaat Oosthoek examen voor de classis Utrecht. De bevestiging vindt plaats op zondagmorgen 24 oktober, waarbij ds. K. Groen preekt over Ezechiel 33: 7. Ds. Oosthoek doet intrede in de avonddienst met een preek over psalm 43: 3 en 4, "de bede om leiding van Hermons voet naar Sions top". Scriba Verburg heeft van de bevestiging en intrede een uitvoerig verslag gedaan in De Wekker van 5 november 1926.

De bouw van de pastorie

De plannen voor de bouw van een eigen pastorie worden, ondanks de moeilijke financiële omstandigheden, niet in de kast gezet. Floor, Plomp en Verburg, die inmiddels verlaging van de hypotheekrente hebben weten te bereiken, gaan opnieuw bij de hypotheekverstrekker op bezoek. Er is ook geld nodig voor een pastorie en de heer Salomons, die blijkbaar niet onbemiddeld is en de kerk een warm hart toedraagt, is bereid ook daarvoor geld te lenen tegen de verlaagde rente van 5%.

Architect Beekman, die ook de tekening van de kerk heeft geleverd, heeft inmiddels ook een pastorie ontworpen. Het eerste ontwerp wordt niet goedgekeurd en Beekman moet opnieuw aan het werk. Plomp komt echter met een alternatief dat fl. 1.000,-- goedkoper is. Op de vergadering die de kerkenraad daarvoor op 23 september 1926 heeft belegd, moeten de leden dan een keuze maken. De hele vergadering blijkt dan de voorkeur te geven aan het ontwerp van architekt Beekman, met uitzondering van Plomp die er geheel tegen is en Zijtveld die er "ten halve" tegen is.
De pastorie wordt aanbesteed voor fl. 7.500,-- exclusief glas- en schilderwerk. Op 17 december wordt de eerste steen gelegd waarbij alle werklieden een gulden ontvangen. Het is de bedoeling in de voorgevel een steen met opschrift te plaatsen, als geschenk van de leden. De kerkenraad zal met een intekenlijst daarvoor de gemeente doorgaan. De pastorie wordt voor fl. 8.000,-- verzekerd, hetgeen opmerkelijk is omdat er in die tijd nogal wat bezwaren bestonden tegen verzekeren.

De plechtigheid van de eerste steen legging wordt besloten met een bijeenkomst in de consistorie waar ds. Oosthoek, die dan al enkele maanden in de gemeente staat, een meditatie houdt over de vreze des Heeren waarvoor deze woning openstaat. In maart wordt de nieuwe pastorie in gebruik genomen.

Kerkenraad

Al spoedig nadat ds. Oosthoek voorzitter is geworden, besluit de kerkenraad dat het aantal diakenen van twee naar drie zal worden gebracht. De ambtsdragers zullen na drie jaar aftreden waarbij zoals toen gebruikelijk herverkiezing mogelijk is. De oudste ouderling wordt met aller goedvinden aangewezen om als ouderling van dienst te fungeren. Kersten wordt benoemd als voorlezer (pas bij de grote restauratie van de kerk in de jaren zeventig is de voorlezer afgeschaft), vervanger is Plomp. Eenmaal wordt de kandidaatstelling van ambtsdragers uitgesteld in verband met een konflikt in de gemeente, dat zo hoog oploopt dat besloten wordt "een dubbele kerkenraad" aan te vragen. Bedoeld is waarschijnlijk een vervroegde kerkvisitatie om het advies van visitatoren te vernemen.

Als de rust weer wat is teruggekeerd, helaas niet nadat een broeder de gemeente heeft verlaten, vindt alsnog verkiezing van ambtsdragers plaats. Floor wordt herkozen als ouderling en van Zijtveld wordt benoemd tot diaken. Verburg, die al scriba is, wordt weer benoemd tot penningmeester. Ds. Oosthoek zal zorgen voor de kerkelijke berichtgeving aan de Stichtse Kerkbode.

Opmerkelijk is in die jaren het besluit, met een verwijzing naar de Dordtse Kerkorde, om op de eerste Paasdag het Heilig Avondmaal te vieren.
Voor de catechisaties wordt aanvankelijk gebruik gemaakt van een lesboekje dat is uitgegeven door ds. J. Jongeleen. Later wordt, vanwege een verschillende zienswijze, daar weer vanaf gestapt.

Financiën

Financieel blijven er zorgen. Het ledental is welliswaar toegenomen, vooral door de overkomst van leden uit de Gereformeerde kerk, maar de financiële lasten zijn nauwelijks te dragen. Niet verwonderlijk als we bedenken dat in een periode van drie jaar een kerk en een ruime pastorie werden gebouwd, terwijl men daarnaast de verplichtingen heeft ten opzichte van het predikantsechtpaar.
Indrukwekkend is het, vaak ook ontroerend als men beseft wat deze mensen in die tijd hebben opgeofferd voor het kerkelijk leven. Er wordt een aparte vergadering belegd met de manslidmaten om de zorgen te bespreken. Van de kansel wordt een klemmend beroep gedaan op de leden om naar vermogen te geven; de koster doet dan vrijwillig afstand van zijn jaarlijkse vergoeding van fl. 20,--. De notulen gewagen van een broeder die op de kerkenraad komt vragen of iemand zijn obligatie van fl. 50,-- wil overnemen; hij heeft dat geld nodig om nieuwe bovenkleding te kopen. De zorgen zijn groot; maar voor de dienst van de Heere is menigeen bereid om werkelijk offers te brengen. In die tijd was er nog niet, zoals nu, een generaal deputaatschap dat vooral tot taak heeft om onderling financiële bijstand en advies te verlenen. De liefde voor de kerk en dienst van de Heere, zoals die toen door een zeer trouwe kern van de gemeente is opgebracht, kan ons, behorend tot de latere generatie, soms beschamen.

Verenigingsleven

In januari 1927 is B. van der Kamp voorzitter van de jongelingsvereniging Jozef. Deze verwijt de kerkenraad dat hij te weinig belangstelling toont voor het verenigingswerk en verzoekt om meer samenwerking te bevorderen tussen jongelingsverenigingen. De kerkenraad ziet echter geen heil in de voorgestelde samenwerking, maar neemt zich wel voor om elke eerste vergadering van de maand met een ouderling en een diaken aanwezig te zijn bij de bijeenkomst van de vereniging.
Later wordt een reglement opgesteld dat de goedkeuring behoeft van de kerkenraad. Driemaal in het winterseizoen nodigt de vereniging een spreker uit voor een lezing die dan in de kerk wordt gehouden; dit wordt dikwijls gecombineerd met de jaarvergadering. Daarvoor moet een vergoeding van fl. 5,-- worden betaald.
In september wordt een meisjesvereniging opgericht; vanaf 15 jaar kan men zich aanmelden.

Het tehuis voor ouden van dagen

Naast de diakonie, die in de latere jaren meer en meer moest bijspringen, hoewel de mogelijkheden minimaal waren, had één een van de leden een tehuis voor ouden van dagen dat in de eerste plaats bestemd was voor de bejaarden van eigen gemeente. Welke criteria aan de opname werden gesteld is niet duidelijk, evenmin of de diakonie daar werkelijk bemoeienis mee had, maar wel wordt de kerkenraad al spoedig, al dan niet terecht, geconfronteerd met de mededeling dat de woning van deze broeder spoedig te klein zou zijn gezien de vele aanvragen tot plaatsing. Soms wordt de kerkenraad te hulp geroepen bij onderlinge meningsverschillen tussen de bewoners. Een enkel probleem wordt, nadat de zaken zijn aangehoord, afgedaan met de mededeling dat het te kinderachtig is om daarmee een kerkenraad op te zadelen. Maar dankbaarheid is er als broeders elkaar de hand kunnen geven. Wel blijkt hier uit dat samenleven in een geestelijk huis niet altijd een garantie is voor vredig samenleven in één woonhuis.

Leden

De komst van een eigen dominee is van groot belang voor de ontwikkeling van de gemeente en het ledenbestand. In de eerste twee jaren van haar bestaan is de gemeente welliswaar aanvankelijk sterk uitgebreid, maar in het eerste halfjaar van 1926 is het ledenbestand met maar liefst 17 leden teruggelopen. Dat gaat nog even door. Ds. van der Meulen, predikant van de Gereformeerde kerk, bericht dat mej. van Liebeek-de Koning zich bij zijn gemeente heeft aangesloten, en daarmee dus niet meer bij de Christelijke Gereformeerde kerk behoort. Deze dame had dus niet de moeite genomen om de kerkenraad daarvan in kennis te stellen. Maar ook het omgekeerde komt voor; leden die zich aansluiten waarbij de kerkenraad dan aan de Gereformeerde kerk moet berichten dat zij zijn overgekomen.

Nu de gemeente echter niet alleen een eigen kerkgebouw maar ook een predikant heeft, is de beslissing om over te komen wat gemakkelijker. Als reden voor de overkomst wordt vaak opgegeven dat in de prediking in de Christelijke Gereformeerde kerk "meer voedsel voor de ziel wordt ontvangen en zij het met de leer niet eens zijn". Een broeder kan niet worden toegelaten omdat hij wel eens zondagsarbeid moet verrichten. Deze zaak houdt de kerkenraad en de betrokken broeder erg bezig; samen met hem wordt op de kerkenraadsvergadering gebeden of er een andere werkkring voor hem kan worden gevonden.

Het verzoek van ene van der Kraats en gezin, leden van de Gereformeerde kerk,om zich te mogen voegen bij de gemeente wordt om onduidelijke redenen aangehouden. De kerkenraad wil eerst een afwachtende houding aannemen en met hen spreken. Dat bezoek verloopt dermate teleurstellend dat de kerkenraad meent te moeten besluiten hen niet toe te laten; vanzelfsprekend betekent dat ook het einde van het meeleven van dit gezin.

De overkomst van Gerrit Nap met zijn vrouw en acht gedoopte kinderen wordt zonder bijzonderheden vermeld; deze familie (verwant aan de familie van der Post) behoort tot de oudste leden van de gemeente.

Het verslag en de handelwijze van de kerkenraad ten aanzien van het verzoek van ene mej. Annie Smid is veelzeggend. Ook zij is lid van de Gereformeerde kerk en heeft trouwplannen met Willem de Kruijff. Maar ze wil gelukkig niet kerkelijk gescheiden met hem optrekken en dus overkomen naar de Christelijke Gereformeerde kerk. Daarvoor ontvangt zij van de voorzitter een compliment die echter tegelijkertijd zijn teleurstelling toont omdat zij zegt geen verschil te horen in de prediking in de Gereformeerde of de Christelijke Gereformeerde kerk. Na dit betoog van ds. Oosthoek wil ze er nog eens goed over nadenken en de beslissing om over te komen nog maar even uitstellen. Korte tijd daarna wordt ze alsnog toegelaten.

Ontroerend is het getuigenis van Daniël van Wilsum, de latere predikant van onze kerken. Op de vergadering van 27 februari 1928 vertelt hij hoe hij door de prediking van de hervormde predikant Kieviet in Baarn en door het boekje van docent van der Schuit over "Na 25 jaar" tot een ander inzicht is gekomen. Als lid van de Gereformeerde kerk kreeg hij steeds meer moeite met de opvatting over de doop in de Gereformeerde kerk; de Kuijperiaanse gedachten waren natuurlijk zeer aktueel. Het heeft hem gebracht tot de overtuiging dat hij zich diende te voegen bij de "meest zuivere kerk". Met grote vrijmoedigheid wordt hij toegelaten tot lid van de Christelijke Gereformeerde kerk. Ds. van Wilsum heeft na de studie in Apeldoorn de kerken gediend van Kornhorn, Eindhoven en Dedemsvaart.

Op de vergadering van 25 januari 1927 wordt voor het eerst melding gemaakt van het voornemen van Hendrik Willem Westeneng, zijn vrouw Jacoba Hooijer en hun "gansche gezin", aangesloten bij de Gereformeerde kerk, om over te komen. Het gezin telt dan negen kinderen. Er wordt "een commissie" benoemd, bestaande uit ds. Oosthoek en Floor om met deze familie te spreken over de motieven. Volgens de notulen is het bezoek "alleszins bevredigend" verlopen en zo worden zij, na bevestigend te hebben geantwoord op de bekende vragen, toegelaten. Vele nakomelingen, tot op vandaag, hebben sindsdien hun plaats ingenomen in Christelijk Gereformeerd Soest en daarbuiten. De trouw en de diepe Godsvreze van deze voorouders is daarbij een groot voorbeeld geweest. In de geschiedenis van onze gemeente is daarna deze naam, met die van J. van Schaik die in 1924 uit de Gereformeerde kerk van Culemborg kwam, niet meer weg te denken. Meerderen uit deze gezinnen zijn met elkaar getrouwd en de plaatselijke kerk trouw gebleven. Het negatieve in deze ontwikkeling is onmiskenbaar dat daardoor de Christelijke Gereformeerde kerk van Soest wel eens het stempel kreeg opgedrukt als zijnde "een kerkje van Westenengen en van Schaiken". Ds. I. de Bruijne, zoon van de latere pastor ds. L. de Bruijne die van 1940 - 1950 in Soest als hulpprediker stond, deed een dergelijke typering dan simpelweg af met een verwijzing naar Gods trouw die doorwerkt in de geslachten, maar die ook merkbaar is in de vorming van een gemeente ondanks een soms wellicht wat overheersende plaats in het ledenbestand.

Op zijn minst vooruitstrevend mag het voorstel worden genoemd om de gemeente in drie wijken te verdelen, waarbij ds. Oosthoek voor ieder wijk "een meisje" zal vragen om wekelijks de leden en meelevenden te bezoeken en te trachten bouwsteentjes te verkopen. Kort daarvoor heeft de kerkenraad, zoekend naar mogelijkheden om de financiering van de kerk en pastorie te bekostigen namelijk besloten kaarten te ontwerpen met bouwsteentjes en die aan de man te brengen. Zo wordt het diakonaat (van de jonge dames in de gemeente!) gecombineerd met fondswerving.

Met de kerkenraad van Baarn ontstaat een ernstig meningsverschil. Wat is het geval? Eén van de leden van de kerk in Soestdijk had geruime tijd een diepgaand en hardnekkig konflikt met de kerkenraad. Ondanks vele gesprekken en bezoeken kwam de zaak niet tot een oplossing, maar scheen zelfs te verharden. Zonder dat de Soestdijker kerkenraad daarvan op de hoogte werd gesteld, had de kerkenraad in Baarn toegestaan dat één van de kinderen, dat in Soestijk als dooplid stond ingeschreven, daar belijdenis deed. Toen de kerkenraad van Soestdijk daarvan vernam werd de classis ingeschakeld die Baarn tot de orde riep en naar de kerkorde verwees.

Kerkelijk bezit

De kerk is nooit rijk geweest, althans niet in materiële zin. Of het moet het grote stuk grond geweest zijn dat de kerkenraad in 1923 aankocht voor de kerkbouw. Men kan zich afvragen wat de beweegredenen zijn geweest om een akker te kopen die zo groot was dat deze voor een kerk nooit gebruikt zou worden. Vermoedelijk paste dit wel bij de cultuur van die tijd; grond immers was niet duur en de gemeente bestond overwegend uit leden die nauw betrokken waren bij het boerenbedrijf. De kerktijd was daarop aangepast; de avonddienst begon om zes uur (later half zes).

De originele koopakte is verloren gegaan; in die tijd werd er nauwelijks een archief bijgehouden. De kerk heeft wel meerdere malen grond verkocht, niet in het minst om de financiële last, die als een molensteen om de hals van de gemeente hing, wat te verlichten. Uit de verkoopakte blijkt dat in 1927 een stuk grond werd verkocht dat nu achter de woningen Waldeck Pyrmontlaan nr. 17 en 19 ligt. Hoe ver de akker van de kerk reikte is niet precies bekend. Uit de beschrijving van de verkoop is echter wel op te maken dat in de huidige terminologie de kerk een grootgrondbezitter genoemd kon worden. Rijk was de gemeente niet, maar grond had ze wel.

Daarvoor bestaat al spoedig belangstelling, niet minder dan nu. Op 5 april 1927 komt de heer Kruiswijk, destijds wonend aan de Turflaan nr. 19, op de kerkenraadsvergadering waar hij graag wil overleggen over de koop van een stuk grond achter zijn woning. De kerkenraad ziet dat wel zitten en stelt nog tijdens de vergadering de verkoopprijs op fl. 1,50 per vierkante meter. De heer Kruiswijk wil dat eerst met zijn zoon in Den Haag overleggen en zal spoedig van zich laten horen. Op 19 april, dan vergadert de kerkenraad opnieuw, komt een tweede belangstellende ter vergadering, de heer C. Teekens. Blijkbaar is hem het een en ander ter ore gekomen en deze wil voor al de grond, die de kerk wil missen, een gulden per meter geven. Kort daarvoor is er bericht gekomen van de heer Kruiswijk dat hij wilde kopen "tot aan het hegje van de dominee" maar dan voor de prijs van fl. 0,80 per meter. De beslissing is voor de kerkenraad niet moeilijk; de heer Teekens wordt dus de eigenaar en het aanbod van de heer Kruiswijk wordt afgewezen. Direkt na de kerkenraadsvergadering gaan Legemaat, Zijtveld en Verburg de uitslag van de grondverkoop aan de heer Teekens mededelen en de volgende dag zal de heer Kruiswijk vernemen dat de kerkenraad niet op zijn voorstel ingaat. Kruiswijk verhoogt dan zijn bod en wil zelfs de grond "tot aan het mesthoopje" kopen voor een gulden per meter. Maar hij vist dan dus achter het net.

Deze verkoop betekent dat koster de Kruijff zijn aardappelland moet missen. Om dat leed wat te verzachten ontvangt hij een tegemoetkoming van fl. 10,--
In oktober 1927 notuleert de kerkenraad dat de meting van het kerkland dan uitkomt op 1980 meter en 50 centimeter.

Nogmaals de kerkenraad

In oktober 1927 probeert de kerkenraad tweetallen te stellen voor de verkeizing van een ouderling en een diaken, maar de vrijmoedigheid ontbreekt om een tweetal voor ouderling te vormen. Men kan geen kandidaten vinden. Ouderling Kersten is aftredend maar stelt zich niet herkiesbaar; problemen met ds. Oosthoek blijken daarvan de reden te zijn. Ook diaken N. Legemaat is aftredend maar stelt zich wel herkiesbaar. Uit het tweetal N. Legemaat en R. van der Kamp wordt eerstgenoemde herkozen.

De problemen in de verhouding van Kersten met ds. Oosthoek zitten diep. Vele malen is Kersten zonder kennisgeving afwezig op de kerkenraadsvergaderingen; ook de kerkdiensten worden door hem en zijn gezin verzuimd. Kersten blijkt inmiddels te kerken bij de hervormde gemeente en de kerkenraad kan hem niet meer herkiesbaar stellen. De kerkenraad stelt dan (januari 1928) het tweetal P.J. van der Burg (de weesvader) en W. de Kruijff; daaruit wordt van der Burg gekozen. Van der Burg kan uiteraard niet direkt een beslissing nemen; zijn eerste taak ligt in het weeshuis. Het bestuur van het weeshuis heeft geen bezwaar, maar stelt wel enige voorwaarden die door de kerkenraad worden geaccepteerd.

Vertrek ds. Oosthoek naar Dokkum

Op 5 december 1927 deelt ds. Oosthoek aan de kerkenraad mee dat hij een beroep heeft ontvangen van Dokkum, maar de predikant heeft, zo kort na zijn komst naar Soest, geen vrijmoedigheid om dan al te vertrekken. Nog geen drie maanden later volgt een tweede beroep van Dokkum. Als de kerkenraad verneemt dat ds. Oosthoek overweegt dit beroep aan te nemen wordt er een "stille" kerkenraadsvergadering gehouden. Deze vergadering, die dus niet aan de gemeente is medegedeeld, wordt niettemin onderbroken door de komst van één van de leden.
Ds. Oosthoek opent deze vergadering met het lezen van psalm 57 en laat zingen psalm 139: 1. Uit de keuze van de schriftlezing en het psalmlied is duidelijk dat er problemen waren. Openhartig wordt er gesproken over de pastorale arbeid van de predikant, waarbij blijkt dat er misverstanden en nalatigheden bestaan waarvoor predikant en kerkenraadsleden schuld belijden en elkaar de hand geven. Bij de mededeling, de zondag daarna, vanaf de kansel door ds. Oosthoek dat hij het beroep naar Dokkum heeft aangenomen, volgt ook een korte toelichting die beoogt de misverstanden en onvrede die niet alleen binnen de kerkenraad maar ook in de gemeente bestaan, weg te nemen. Werkelijke vrede en verzoening is er echter niet, hetgeen blijkt uit het besluit van de kerkenraad om v˛˛r het afscheid van ds. Oosthoek, dat is vastgesteld voor zondag 22 april, geen avondmaal meer te vieren. Wel is daarover gesproken, maar de kerkenraad heeft dat "ontraden", waaruit voorzichtig mag worden geconcludeerd dat ds. Oosthoek wel de behoefte daaraan gevoelde. Op dinsdagavond 24 april 1928 neemt ds. Oosthoek afscheid van de gemeente.

En zo is de gemeente, nog geen twee jaar nadat zij een eigen predikant ontving, al weer vakant.

Ds. Oosthoek - de verhouding hersteld

Het heeft nog wel een aantal jaren geduurd voordat de verhouding met ds. Oosthoek weer was zoals deze in het kerkelijk leven zou moeten zijn. In 1932, dus we zijn dan al ca. vier jaar na het vertrek van ds. Oosthoek naar Dokkum, komt het verzoek van enkele gemeenteleden om ds. Oosthoek eens uit te nodigen om in Soestdijk voor te gaan. De kerkenraad besluit echter om verschillende redenen niet op dat verzoek in te gaan.

Kort daarna wil een aanstaand echtpaar graag dat hun huwelijk bevestigd wordt door ds. Oosthoek, maar de kerkenraad adviseert de jongelui om dit maar rechtstreeks met hem te bespreken; mocht deze daartoe bereid zijn dan is daartegen geen bezwaar maar duidelijk is wel dat het enthousiasme niet bijster groot is. De verhoudingen zijn echter wel in orde gekomen, zij het pas toen ds. Oosthoek reeds in Kampen stond. In een brief aan de kerkenraad spreekt hij dan zijn blijdschap uit over de oplossing van de geschillen die tussen hem en de kerkenraad is bereikt. Later is ds. Oosthoek weer meermalen in de gemeente voorgegaan.

3.3. De gemeente vakant 1928 - 1935

Twee dagen na het afscheid van ds. Oosthoek vergadert de kerkenraad. Tweede voorzitter Plomp opent deze vergadering en leest psalm 60: "Heere, geef Gij ons hulp uit de benauwdheid, want 's mensen heil is ijdelheid. Maar: In God zullen wij kloeke daden doen". De situatie waarin gemeente en kerkenraad verkeren en het gevoel dat zich van hen meester maakt, is bepalend bij de keuze van de schriftlezing. Nog maar zo kort als gemeente begonnen, waarna in de enkele jaren van het bestaan vele zegeningen werden ontvangen, is de gemeente nu vervuld met grote zorg.

Een hele rij van praktische regelingen vraagt de aandacht. Floor wordt met algemene stemmen benoemd tot eerste voorzitter en Plomp tot tweede voorzitter. P.J. van der Burg, die kort daarvoor tot ouderling is bevestigd, zal de catechisaties geven. Omdat er, nu de gemeente vakant is, veel leesdienst zal zijn, besluit de kerkenraad de door de weekse dienst, die met de komst van ds. Oosthoek was afgeschaft, weer in ere te herstellen. Ds. W. Bijleveld zal daarvoor gevraagd worden. Floor zal naar Legemaat gaan om eens met hem te overleggen wat het beste met de leegstaande pastorie kan worden gedaan. De Kruijff en zijn vrouw hebben bedankt voor het kosterschap; Verburg zal hen de erkentelijkheid van de kerkenraad voor hun trouwe diensten overbrengen. Ook in die vacature zal moeten worden voorzien.

R. van de Kamp biedt aan om, wanneer er een dominee voorgaat, voorlopig te zorgen voor de regelingen in de kerk. Met de leesdiensten was dat minder urgent, dan kwamen alleen de trouwste leden van de gemeente bijeen in de consistorie. Grote drukte daarentegen veroorzaakt de komst van prof. G. Wisse die, tot grote vreugde van de kerkenraad, op zondag 6 april de gehele dag voorgaat.

Pastoraat

Er zijn nogal wat leden die het direkt na het vertrek van ds. Oosthoek laten afweten. De leesdienst is niet erg in trek en hele gezinnen blijven weg uit de kerk. Mede daarom vraagt Plomp om de leesdiensten niet te lang te houden. Ook de kinderen komen niet meer op de catechisatie; dus zullen de ouderlingen al deze mensen bezoeken.

De bezoeken aan de leden die niet meer in de kerk komen, verlopen niet erg bemoedigend. Bij een van de bezoeken krijgen de ouderlingen zo veel te horen "van gezegde van die en gezegde van die dat de kerkenraad het beter achtte daar maar geen tijd meer aan te verspillen en achter dit bezoek maar een punt te zetten". De zonde tegen het negende gebod heeft, ook in de kerk, al meer verdriet gedaan dan ooit door de brenger is beseft. De broeder, waarvan dit gezegd wordt, is kort daarop enkele dagen behoorlijk ziek geweest. Daarbij heeft hij de tijd gehad om nog eens na te denken over wat er gebeurd en gezegd was. Hij heeft het verkeerde van zijn handelwijze ingezien en schuld beleden en oprechte vrede gesloten. Gods Geest werkt door! Met dankbaarheid wordt dit nadrukkelijk in de notulen vermeld.

Een enkeling zegt zijn vrijwillige bijdrage op met als motivatie dat hij te weinig bezoek ontvangt van de ouderlingen.

In september 1929 wordt met de visitatoren over het huisbezoek gesproken. De ouderlingen doen tot dan toe alle huis- en ziekenbezoeken; de visitatoren adviseren om ook de diakenen daarbij te betrekken en zodoende de taak van de ouderlingen wat te verlichten. Door de overbelaste taak van de ouderlingen is het catechetisch onderwijs dan in de verdrukking gekomen, reden waarom een ontstemd en uiterst onvriendelijk gemeentelid de kerkenraad nijdig verwijt dat deze de kinderen van de gemeente maar wat laat "ronddolen". Hij adviseert "de heren" maar eens kontakt op te nemen met ds. de Bruin van Baarn of ds. de Groot van Amersfoort.

Als voorbereiding op de belijdenis van het geloof krijgen sommige jongelui van de kerkenraad wat leerstof aangereikt die ze dan thuis moeten bestuderen, waarna onder leiding van de kerkenraad aan huis belijdenis kan worden afgelegd en daarna in de gemeente. De ouders krijgen daarin een grote taak. Anderen, dit afhankelijk van het gezin, worden in diezelfde periode echter onderwezen door de kerkenraad.

Heilig Avondmaal

Heel opmerkelijk is dat het Heilig Avondmaal niet regelmatig wordt gehouden. Soms wordt de viering uitgesteld omdat het tussen een kerkenraadslid en een gemeentelid niet vlak ligt, waardoor de betrokken ambtsdrager op dat moment de vrijmoedigheid mist. Maar ook komt het voor dat niet op tijd een predikant de gemeente kan dienen.

Financiën

Typerend voor de gemeente is geweest dat de offervaardigheid heel vaak in direkt verband staat met de noodzaak die er is. Zo blijkt het moeilijk te zijn om een fonds te vormen voordat de werkelijke noodzaak daartoe gevoeld wordt; liever laat men de zaak maar even op zijn beloop of gaat men er van uit dat alles wel in orde komt. Wellicht wat al te gemakkelijk. Zowel bij de komst als bij het vertrek van ds. Oosthoek wordt dat direkt voelbaar.

De offerbereidheid wordt vaak direkt gekoppeld aan de aanwezigheid van de predikant. Het vertrek van ds. Oosthoek wordt dan ook door sommigen aangegrepen om voorlopig maar te stoppen met de kerkelijke bijdragen. Dit is aanleiding voor de kerkenraad om zich af te vragen wanneer men weer zal beginnen met het beroepingswerk; de jaarlijkse inkomsten belopen dan ongeveer fl. 650,--. Penningmeester en scriba Verburg vindt het echter niet verantwoord om te gaan beroepen; naar zijn mening kan de gemeente geen hoger traktement dan fl. 1.500,-- betalen. De kerkenraad is het daar echter niet mee eens, maar besluit wel wat meer overwogen te werk te gaan dan in het verleden en niet, zoals bij het beroep op kandidaat Oosthoek, er maar van uit te gaan dat er bij de komst van een dominee de financiën wel omhoog zullen gaan. De ervaring heeft geleerd dat "dit bij de meesten achter het net vissen is". Er zijn dus nogal wat leden geweest die een financiële bijdrage hebben toegezegd indien de gemeente een eigen predikant zou krijgen, terwijl die belofte daarna niet of slechts gedeeltelijk gestand werd gedaan.

Toch gaat het na een dringende oproep van de kerkenraad aan de gemeente om verhoging van de bijdragen, beter. Vooral het voornemen om door te gaan met het beroepingswerk, brengt menigeen tot het besef dat er dan financieel wat moet veranderen.
In 1929 wordt er maandelijks ongeveer fl. 300,-- gekollekteerd; aan het eind van dat jaar is er een positief saldo van ruim fl. 200,--.

Geld om de uitgelote obligaties uit te betalen is er meestal niet. Daarvoor worden dan weer leningen met particulieren afgesloten, dikwijls van buiten de gemeente. Wie echter een keer geleend heeft, of laat merken dat terugbetaling nog niet direkt nodig is, wordt meer dan eens verzocht nog eens bij te springen.

De pastorie

De plaatselijke makelaar Legemaat (niet te verwarren met de ambtsdrager) bericht dat hij de pastorie wel kan verhuren maar minimaal voor een periode van 2 jaar, met een opzegtermijn van 3 maanden. De kerkenraad besluit de gemeente bij elkaar te roepen en de mogelijkheden te bespreken. Probleem is natuurlijk, gaat de gemeente beroepen en wat gaat er gebeuren indien een predikant binnen twee jaar een beroep zou aannemen? De kerkenraad wil echter graag de pastorie verhuren, gezien de hoge rentelasten. Bovendien zijn er op dat moment in Soest "huizen zat" te huur, zodat er best wel wat anders is te vinden indien de gemeente op korte termijn weer woonruimte nodig zou hebben. De huur wordt daarna vastgesteld op fl. 15,-- per week en bijna alle leden zijn er voor om het beroepingswerk voort te zetten.

Diakonie

Als echter de leefomstandigheden moeilijker worden, besluit de kerkenraad eenmaal per twee maanden te kollekteren voor de diakonie. De kollekte die aanvankelijk daarvoor iedere zondag werd gehouden, was reeds ingeruild voor het bouwfonds. Eenmaal per twee maanden blijkt echter niet voldoende te zijn, dit wordt in januari 1928 eenmaal per maand.

Een verrassing is het bericht van burgemeester en wethouders dat, ter gelegenheid van de 50e verjaardag van Koningin Wilhelmina, de burgerlijke gemeente fl. 1.000,-- mag uitkeren aan behoeftigen. Ook de Christelijke Gereformeerde kerk mag daarin delen. Wie meent dat daarmee de nood aanmerkelijk werd gelenigd komt teleurgesteld uit. Vier leden ontvangen een bijdrage, variërend van fl. 4,-- tot fl. 6,--, afhankelijk van hun persoonlijke omstandigheden.

Verenigingswerk

Behalve de jongelingsvereniging en de meisjesvereniging heeft de gemeente ook een naaikrans. Na enkele jaren wordt deze bij gebrek aan belangstelling opgeheven, dit tot teleurstelling van de kerkenraad en een aantal gemeenteleden. Er is een financieel potje dat door het bestuur, bestaande uit de dames Nijboer en de Kruijff, wordt overgedragen aan de kerkenraad. De inhoud daarvan bedraagt op dat moment maar liefst fl. 103,46, hetgeen geheel wordt bestemd voor de kerk. Omdat de kerkenraad graag ziet dat de naaikrans weer wordt opgericht, verzoekt hij de leiding namen op te geven van meisjes die bezocht kunnen worden om toch weer mee te doen indien het in het najaar hopelijk weer zover komt. Als er dan een herstart zou plaatsvinden, kan de naaikrans rekenen op een financiële bijdrage van fl. 50,--. De rest verdwijnt onder dankzegging in de kas van de kerk.

Kerk en koster

Zoals bekend heeft de Kruijff na het vertrek van ds. Oosthoek bedankt voor het kosterschap. Het is niet zeker of het vertrek van de predikant daar iets mee te maken had, wel is op dat moment de sfeer in de gemeente niet goed. Er wordt veel gepraat op een ongezond geestelijke wijze. Ook de Kruijff, die met hart en ziel tot dan toe de goede zaak gediend heeft, kan zijn bitterheid niet verbergen. Er komt een vakature voor koster en de kerkenraad deelt van de kansel mee dat zij, "die daartoe lust hebben" worden uitgenodigd om op de eerstvolgende kerkenraadsvergadering te komen. Otto van Wijnen wordt daarop benoemd, die daaraan echter de voorwaarde verbindt dat de verdiensten van de warme stoven voor hem zelf zijn (er moet dus voor een warme stoof betaald worden). Met blijdschap gaat de kerkenraad daarmee akkoord. Tegelijkertijd wordt, in overleg met de nieuwe koster besloten om in de wintermaanden eenmaal per 14 dagen een werkvrouw te nemen om de kerk stofvrij te maken. De kerkenraad heeft daarvoor een mevrouw op het oog die het niet al te breed heeft, zodat daardoor voor haar de gelegenheid ontstaat om wat bij te verdienen.

Beroepingswerk

In juli 1928 stelt de kerkenraad het tweetal ds. A.M. Berkhoff van Amsterdam en ds. P. de Smit van Boskoop. Onder leiding van ds. H. Hogendoorn van Bunschoten vindt de verkiezing plaats waarbij 16 stemmen worden uitgebracht op ds. de Smit en 4 stemmen op ds. Berkhoff. Floor en Plomp gaan de beroepsbrief persoonlijk brengen, maar ds. de Smit bedankt voor dit beroep. De kerkenraad gaat echter aktief door en stelt in november een nieuw tweetal, ds. L. de Bruijne van Zwolle en ds. J.W. van Ree van Barendrecht. Tien stemmen worden uitgebracht op ds. de Bruijne en zes op ds. van Ree. Op oudejaarsavond stuurt ds. de Bruijne een telegram waarin hij mededeelt dat hij voor het beroep naar Soest moet bedanken; de redenen worden later in een brief toegelicht.

In juni 1929 wordt ds. J.W. van Ree beroepen uit een tweetal met ds. J. Reesink. De kerkenraad ziet echter geen kans om hem te bezoeken, vanwege de moeilijke reisgelegenheid en hoge kosten. Ds. van Ree staat nog maar kort in Barendrecht en bedankt. Daarna wordt een beroep uitgebracht op ds. W. Bijleveld van Haarlem-Centrum (tweetal met ds. L.H. van der Meiden); ook deze bedankt. In 1930 wordt kandidaat N. Brandsma beroepen, hoewel sommige gemeenteleden van mening zijn dat de gemeente een ervaren predikant nodig heeft. De beroepsbrief blijkt echter bij de kandidaat binnen te komen op het moment dat hij het beroep naar Bunschoten reeds heeft aangenomen.

De bevroren waterleiding

Een ware financiële ramp dreigt als in april 1929 de rekening van de waterleiding binnenkomt. De Utrechtse Waterleiding Maatschappij heeft geconstateerd dat de kerk in de wintermaanden maar liefst 1962 kubieke meter water heeft verbruikt en stuurt een rekening van bijna fl. 800,--. De watermeter bevindt zich in een put bij de weg die niet vorstvrij is. Er is niet aan gedacht om de meter tegen de strenge vorst af te dekken, de leiding is kapot gevroren en na de barre winter ontdooid en gaan lekken zonder dat dit probleem is opgemerkt. Al maanden stroomt het water in de zandbodem van de put; pas onlangs heeft Zijtveld dit ontdekt en de hoofdkraan afgesloten.

Een rekening van fl. 800,-- is dramatisch, zeker als men bedenkt dat de jaarinkomsten ongeveer fl. 600,-- bedragen. Een van de kerkenraadsleden is reeds naar Utrecht getogen om deze zaak met de direktie te bespreken, waarbij de onderdirekteur wel zoveel begrip heeft dat hij voorstelt de rekening te verlagen tot fl. 200,--. De kerkenraad is daarmee echter niet tevreden. Zijtveld schijnt echter goede kontakten te hebben in het waterleidingcircuit en neemt zich voor dit met ene heer Herwaarden te bespreken om te bereiken dat niet fl. 600,--, maar alles wordt kwijtgescholden. De rekening die daarna binnenkomt blijkt dan al te zijn verlaagd tot fl. 102,-- waarvan fl. 96,-- voor lekwater. Wie zou denken dat daarmee de zaak aardig is geregeld, vergist zich. De kerkenraad besluit deze rekening terug te sturen met de mededeling dat iemand daarover komt spreken, waarop Floor en van Zijtveld samen naar Utrecht afreizen om "clementie" te bereiken en daarmee volledige kwijtschelding. Omstandig hebben de broeders daar de oorzaak en financiële problemen van de gemeente uiteengezet; met de mededeling van de directie dat een brief zou volgen, zijn zij teruggekomen. Dit bezoek is echter duidelijk verkeerd gevallen, hetgeen blijkt uit een schrijven van de direktie met de sommering om binnen drie dagen te betalen. Zijtveld heeft dit echter niet geaccepteerd en geantwoord dat de kerk alleen bereid is om het werkelijke verbruik te betalen, dus fl. 6,--. Dit is echter niet naar de zin van direktie, waarop afsluiting van de watertoevoer volgt. Het is dan september 1929.

De kerkenraad geeft geen krimp, evenmin als de direktie van de waterleiding. Deze situatie duurt voort tot oktober 1930; al die tijd haalt men water in de pastorie, hoewel deze verhuurd is. Maar dan zegeviert het gezonde verstand; men ziet wel in dat dit niet is vol te houden en nooit zal worden gewonnen. Bovendien moeten kerk en pastorie nodig een grote beurt hebben; voor zoveel water kun je moeilijk bij de buren aankloppen. De kerkenraad stuurt een brief aan de direktie van de waterleiding met het verzoek om het bedrag dat dan nog openstaat (fl. 102,--) in termijnen van fl. 10,-- te mogen betalen en de aansluiting op het waterleidingnet te herstellen. De direktie is wel zo vriendelijk om niet eerst volledige betaling te eisen, maar gaat met het voorstel van de kerkenraad akkoord. Vanaf oktober 1930 is de kerk weer aangesloten op de waterleiding; in de put wordt een cementen vloer gestort om nieuwe lekkages direct te kunnen opmerken.

De kerkenraad vanaf 1928

Diaken Verburg en ouderling van der Burg konden niet zo goed met elkaar overweg. Dit had niet zozeer te maken met hun inzet voor de gemeente en hun geestelijke ligging, maar meer met hun karakter en culturele achtergrond. Niet zo verwonderlijk, want Verburg was geworteld in de oude Soester traditie en had aan de wieg gestaan van de gemeente. Van der Burg was, in zijn funktie van weesvader, pas later overgekomen en door zijn bredere kerkelijke betrokkenheid ook veel beter thuis in de kerkelijke verhoudingen. Hij had iets deftigs over zich. De gevoeligheid tussen de broeders blijkt vooral als vanaf februari 1929, zonder dat er over wijzigingen in funkties is gesproken, de notulen worden geschreven door van der Burg en ook als scriba ondertekend. Zijn voorname stijl van schrijven in welgekozen woorden en formuleringen valt direkt op. Zo wordt de kerkenraadsvergadering altijd geopend met het lezen van "den onberijmden psalm".

De verschillen lopen uit in een persoonlijk konflikt, zelfs zodanig dat Verburg (hij is dan nog steeds kerkenraadslid, maar komt niet meer op de vergaderingen) een brief stuurt die aanleiding wordt voor een uitgebreide bespreking en een aparte vergadering waarvoor hij wordt uitgenodigd. Zou hij dan niet komen, dan zal zijn bedanken worden geaccepteerd. Waarschijnlijk heeft Verburg dus gedreigd met opstappen uit de kerkenraad. Tevens besluit de kerkenraad een dubbeltal te stellen voor het geval Verburg niet is over te halen om te blijven; de zaak zit dan dus al behoorlijk vast. Van Dijk wordt uit het tweetal met W. de Kruijff gekozen voor diaken, maar bedankt voor de benoeming. Verburg heeft dus, hoewel hij nog in funktie is, bedankt voor het ambt van diaken, hetgeen later schriftelijk wordt bevestigd.

De taken worden in de kerkenraad dan als volgt verdeeld: ouderling Floor, voorzitter; ouderling van der Burg, scriba; ouderling Plomp, penningmeester; diaken van Zijtveld kerkmeester met verantwoordelijkheid voor het toezicht op de gebouwen (voor het eerst duikt deze funktie op in de geschiedenis) en diaken Legemaat krijgt de bijzonder taak van armenmeester!

Wegens verhuizing naar Gouda vertrekt Plomp in augustus 1929, waarmee de gemeente één van de pioniers van het eerste uur verliest. Met Floor en Verburg blijft zijn naam verbonden aan de grondlegging van Christelijk Gereformeerd Soest.

Orgelfonds en orgel

Het kerkorgel dat door orgelbouwer van Dam is geplaatst, geeft voortdurend problemen. Er is geen geld om de reparaties te betalen, maar het orgel moet wel functioneren. Van Dam maant de kerkenraad in februari 1929 om de achterstallige rekening voor het onderhoud spoedig te betalen, zeker nu zijn werkplaats met alle materiaal en orgels die zich daarin bevonden, door brand is verwoest. De aanmaning van de orgelbouwer is niet onredelijk, daarover is de kerkenraad het wel eens, maar de opbrengst van de orgelbusjes is bij lange na niet toereikend om de verschuldigde fl. 50,-- te betalen.

De kerkenraad vindt dat er veel te weinig aandacht wordt besteed aan het orgelfonds. Van der Burg, lid van de orgelcommissie, erkent dat, maar heeft ook meer verwacht van de jongelui die beloofd hadden iedere zaterdag vrijwillig met de busjes de gemeente rond te gaan. De kerkenraad leent dan fl. 50,-- aan de orgelcommissie onder voorwaarde dat dit bedrag zo spoedig mogelijk wordt terugbetaald.

Beroepingswerk

Met grote voortvarendheid wordt vanaf 1930 het beroepingswerk ter hand genomen. In november 1930 wil de kerkenraad het liefst ds. K.G. van Smeden van Haarlem bij acclamatie beroepen, maar durft dat niet aan zonder daarin eerst de gemeente te hebben gepolst. Als zou blijken dat acclamatie waarschijnlijk niet mogelijk is, dan zal men een tweetal voorstellen samen met ds. W. Kremer. Na een weekdienst, waarin voorgaat ds. P. de Smit van Utrecht, worden de leden bij elkaar geroepen. Onder leiding van ouderling P. Floor wordt het voorstel om ds. van Smeden bij acclamatie te beroepen, aan de gemeente voorgelegd. Dit voorstel vindt zoveel instemming dat de kerkenraad maar meteen besluit om voort te gaan en nog diezelfde avond het beroep op ds. van Smeden uit te brengen. Natuurlijk is dit niet mogelijk; er is vooraf aan de gemeente op geen enkele wijze medegedeeld dat men wilde gaan beroepen. Het gevolg is dan ook dat de consulent ds. J. de Bruin, weigert om de beroepsbrief te tekenen. Daarop wordt, nadat in een weekdienst ds. J.W. Geels is voorgegaan, gestemd uit het tweetal ds. van Smeden en ds. Kremer. Ds. van Smeden ontvangt het beroep, maar deze schrijft al spoedig aan de kerkenraad dat hij geen vrijmoedigheid heeft om het beroep aan te nemen ondanks het feit dat "het ook in Haarlem doornen in het vlees is". De kerkenraad ziet dan geen kans om op korte termijn opnieuw een tweetal te stellen en besluit daarop de gemeente bij elkaar te roepen en te vragen of er onder de leden nog namen bekend zijn van predikanten die men geschikt acht. Opnieuw verschijnt de naam van ds. Kremer, ook ds. L.H. Beekamp wordt genoemd. Ds. Beekamp wordt beroepen, maar ook deze bedankt. Ondertussen heeft kandidaat W. Heerma in een weekdienst gepreekt hetgeen goed is bevallen. Hij wordt op tweetal gesteld met ds. J.W. van Ree. De gemeente kiest daaruit de oudste, gedachtig aan een opmerking van een van de gemeenteleden dat Soestdijk geen gemeente is voor een kandidaat. Ook ds. van Ree bedankt echter, een nieuw tweetal volgt, de kandidaten W. Heerma en P.W. van Dam waaruit de eerste met grote meerderheid wordt gekozen. Het is dan 11 augustus 1931. Kandidaat Heerma vindt echter geen vrijmoedigheid om het beroep naar Soestdijk aan te nemen. Hij gaat naar Aalsmeer, maar Soest is hem, hetgeen later blijkt, niet uit het oog verloren. Kort daarop wordt een beroep uitgebracht op ds. P. Zwier van Alphen aan de Rijn, kandidaat W.F. Laman en kandidaat C. Smits die echter allen bedanken. Soms worden twee bedankbrieven in één kerkenraadsvergadering genotuleerd.

Gedreven door de voortdurende teleurstellingen in het beroepingswerk, zoekt de kerkenraad dan naar een oplossing die later in Soestdijk meermalen uitstekend heeft gewerkt. Men denkt aan een predikant die met emeritaat is, en zo komt men op de naam van ds. H. Woudstra te Woerden die onlangs emeritaat heeft gekregen van de classis Utrecht. Voor de vergadering met de leden van de gemeente worden ook de zusters uitgenodigd. Deze komen echter niet op de vergadering; wel is er 's middags reeds informeel overleg geweest over de gedachte van de kerkenraad om ds. Woudstra te vragen in Soest te komen wonen, en dan catechisatie te geven, huisbezoek en ziekenbezoek te doen en af en toe te preken. Legemaat, van der Burg en Zijtveld zullen, nadat de mening van de gemeente is gepeild, dit met ds. Woudstra gaan bespreken. Het probleem doet zich echter voor dat men niet precies wist hoe een dergelijk beroep moet worden getaxeerd. Moest men nu spreken over een traktement of over een vergoeding, daarover wordt ds. J. de Bruin om advies gevraagd: deze adviseert te spreken over een toelage. Ds. Woudstra heeft ruim de tijd genomen om over het voorstel van de kerkenraad na te denken, maar met dank voor het vertrouwen en de vriendelijkheid die hij heeft mogen ondervinden, ziet hij er van af om naar Soest te komen gezien de problemen met zijn gezondheid. Ook de broeders was het al opgevallen dat ds. Woudstra nogal doof was.

Kerkenraad

Een groot probleem blijft het vinden van ambtsdragers. Soms moest bij gebrek aan diakenen een ouderling kollekteren, hetgeen voor een gemeentelid aanleiding is om aan te aan te dringen op uitbreiding van het aantal ouderlingen. Ouderling Floor is al enige maanden ziek; het voorzitterschap wordt al die tijd waargenomen door P.J.van der Burg die tegelijkertijd scriba is. De notulen zijn dikwijls door hem als voorzitter en scriba getekend. Ds. J. de Bruin en later ook prof. G. Wisse adviseren om allereerst om te zien naar mensen die oprechte en trouwe leden zijn en daarbij minder te letten op de gaven. Maar de kerkenraad volgt dit advies nog niet op; eerst wil men nog bezien hoe het gaat met de gezondheid van Floor. In november 1932 deelt Floor aan de kerkenraad mee dat hij niet langer als dienstdoend ouderling kan blijven funktioneren, maar dat hij graag "rustend ouderling" wil blijven. En zo besluit de kerkenraad. In feit is daarmee een punt gezet achter het ambtelijk leven van de man die aan wieg van de gemeente Soestdijk heeft gestaan en van grote betekenis is geweest voor de opbouw en vorming in de eerste moeilijke jaren.

In januari 1933 wordt van der Burg opnieuw bevestigd als ouderling en H. van Schaik voor het eerst als diaken. Op dezelfde vergadering waar van Schaik wordt welkom geheten wordt tegelijkertijd gesproken over de nog steeds zozeer gewenste uitbreiding van de kerkenraad. Uit twee dubbeltallen worden kort daarop ouderling C. van Tricht en diaken D.J. Westeneng gekozen. De kerkenraad bestaat dan uit de volgende broeders: P. Floor, rustend ouderling, de ouderlingen van der Burg, Legemaat en van Tricht, de diakenen H. van Schaik, T. van Barneveld en D.J. Westeneng. De zittingsperiode bedraag drie jaar. Floor is lange tijd officieel voorzitter gebleven hoewel hij vaak niet aanwezig was. Als het voorzitterschap later wordt overgedragen aan van der Burg, wordt H. van Schaik in zijn plaats scriba. Het heeft echter een hele poos geduurd voordat van der Burg ook werkelijk het scribaat heeft afgestaan. Blijkbaar viel het hem moeilijk of had hij weinig vertrouwen in zijn opvolger. Pas nadat hij daartoe is gemaand, doet hij ook werkelijk afstand van de funktie. H. van Schaik wordt dan ook kerkmeester.

Kerk, plaatsengeld, financiën en diakonie

Al eerder heeft het weeshuis geweigerd om voor de weeskinderen plaatsengeld te betalen, maar ook minder vermogende leden, en die zijn er nogal wat in de gemeente, zijn het met het plaatsengeld niet eens. Zo komt het voor dat leden vertrekken met een onbetaalde schuld waarbij de penningmeester geen andere mogelijkheid ziet dan hen alsnog een rekening te sturen met het dringende verzoek om per omgaande te betalen. Sommigen krijgen echter spijt; zo wordt eens in de kollekte een envelop gevonden met een rijksdaalder met de vermelding dat dit bedrag is bedoeld voor het alsnog betalen van een zitplaats in de kerk. De kerkenraad is zo onder de indruk van dit gebaar dat dit de zondag daarop van de kansel wordt bekendgemaakt.

Enkele bejaarde broeders die geen inkomen meer hebben, krijgen vrijstelling van het betalen van plaatsengeld, waarbij de diakonie wordt gevraagd dit voor hen te regelen. Het plaatsengeld geeft dus voortdurend aanstoot, maar de inkomsten kunnen niet worden gemist.

Ook door de week, wanneer een gastpredikant voorgaat, blijkt dat de uitgaven daarvoor vaak hoger zijn dan de inkomsten. De kollekte is dikwijls niet toereikend, reden waarom de kerkenraad besluit bij voorkeur dominees uit te nodigen die "volk trekken, dat zijn dominees die de zuivere en bevindelijke waarheid brengen zoals ds. Salomons, Bijleveld, de Boer, van Ree, van der Meiden en van Brummen". 's Zondag logeren de predikanten dikwijls bij hetzelfde gemeentelid, die later bij het vertrek uit de gemeente een kistje sigaren krijgt met de nadrukkelijke opmerking dat dit niet als een beloning of als erkentelijkheid moet worden beschouwd, maar zuiver als tegemoetkoming voor de goede zorgen die aan de predikheren zijn bewezen.

Zij die hun huwelijk willen laten bevestigen, dienen daarvoor fl. 10,-- te betalen. De financiën blijven echter zorgelijk. Niettemin wordt in het verslag van de Theologische School melding gemaakt van de goede bijdrage van de gemeente Soestdijk, dit vergeleken met andere gemeenten. Apeldoorn had een grote plaats.

Er worden drie kollektes gehouden v˛˛r de preek terwijl er dikwijls dan slechts één psalmvers wordt gezongen. De diakenen zijn dikwijls niet klaar met kollekteren als de preek begint. Besloten wordt daarom twee verzen te zingen zodat er ook voldoende tijd komt om de kollekte af te ronden.

De hypotheek van fl. 10.500,-- die met de heer Salomons is afgesloten, wordt op voorstel van de geldschieter vervangen door een hypotheek met een lagere rente. De kerkenraad, de handelsgeest niet vreemd, pingelt daar weer een half procentje van af. Het weinige kasgeld, waarover de gemeente beschikt en dat op een spaarbankboekje is gezet, brengt zo weinig op en de economische situatie is zo slecht, dat de penningmeester voorstelt het geld maar van de bank te halen en contant te beheren. Als de bank failliet gaat, is de kerk tenminste nog niet helemaal geruïneerd. De crisisjaren zijn voelbaar, niet in het minst in de kerk.

Ook de diakonie krijgt te maken met de ontwikkelingen van de tijd; de steun wordt niettemin slechts bij uitzondering verleend; ook de diakonie heeft immers geen geld. Soms wordt steun gegeven door middel van verstrekking van goederen, zoals dekens en kleding voor de kinderen. De nood is een keer zo hoog dat een gemeentelid de toevlucht neemt tot de stichting maatschappelijk werk, maar de kerkenraad vindt dat te ver gaan. De roeping om bij te springen ligt allereerst bij de eigen gemeente. Uit alles blijkt dat er veel nood wordt geleden, meer dan de notulen vertellen. Soms moest een heel weekloon worden ingeleverd voor de verzorging van een zieke in een gezin, terwijl er geen mogelijkheid bleef om het plaatsengeld te betalen. In zo'n geval hoopte de kerkenraad op betere tijden zodat, wanneer het gezin in betere omstandigheden zou komen te verkeren, alsnog het achterstallige plaatsengeld zou kunnen worden betaald. Uit eigen zak verleent de kerkenraad steun aan een boerenbedrijf van buiten de gemeente dat zwaar lijdt onder de malaise. Met de zeer beperkte financiële middelen van de kerk wordt buitengewoon spaarzaam omgesprongen; brandstof wordt in de zomer gekocht omdat de kolen dan goedkoper zijn. Nadat er een "kolenproef" is genomen, wordt nog goedkopere brandstof ingeslagen, bestaande uit 15 mud eierkolen, 15 mud anthraciet en 300 lange turven.

Beroepingswerk

Na de serie bedankjes, die de gemeente in 1931-1932 kreeg te verwerken, doet de kerkenraad het wat rustiger aan. In september 1933 wordt, na verkiezing uit het tweetal ds. J. Hovius van Nieuwe Pekela en ds. J.A. Riekel van Sliedrecht, een beroep uitgebracht op ds. J.A. Riekel (overigens met een verschil van slechts twee stemmen), maar ook deze bedankt. Voorlopig wordt dan even gestopt met het beroepingswerk; wel wordt regelmatig gesproken over de mogelijkheid om ds. G.W. Alberts, emeritus predikant van Zutphen, te vragen als hulpprediker. Het blijft echter bij overleg. Meerdere malen wordt geprobeerd advies te krijgen van predikanten die wat meer op de hoogte zijn van ds. Alberts, maar tot een besluit komt het voorlopig niet.

Op advies van kerkvisitatoren wordt kontakt opgenomen met Eemdijk om te overleggen of men gezamenlijk een predikant zou kunnen beroepen. Eemdijk laat echter al spoedig weten daarvoor geen financiële mogelijkheden te zien.

Liturgie

Bij de uitbreiding van de kerkenraad in februari 1933 wordt vooral op de eerste kerkenraadsvergadering door ouderling van Tricht de gang van zaken bij de liturgie aan de orde gesteld. De gemeente is gewend dat de kerkenraad binnenkomt onder het zingen van een psalmvers dat door de voorlezer is opgegeven, maar er zijn ook gemeentes waar de kerkenraad de voorlezer op de voet volgt. Van Tricht wil dit veranderen en stelt voor dat eerst de voorlezer binnenkomt die een vers opgeeft, daarna leest de voorlezer de wet en het Bijbelgedeelte waaruit de tekst is genomen, daarna zingt de gemeente nog een vers en dan vangt de arbeid aan van de broeder die de preek zal lezen. Onduidelijk is op welk moment de kerkenraad dan binnenkomt. De achtergrond van dit voorstel is niet geheel duidelijk en de kerkenraad is dan ook geen voorstander. In het belang van de rust in de gemeente wordt besloten deze veranderingen niet door te voeren. Blijkbaar ligt deze zaak nogal gevoelig. Een gemeentelid heeft bezwaar tegen het feit dat de preek vanaf de kansel wordt gelezen; naar de mening van deze broeder verdient de leesdienst een minder verheven plaats. De kerkenraad houdt in dat opzicht gelukkig voet bij stuk: ook de leesdienst is volop prediking van het Woord.

Niet geheel duidelijk is welke preken er werden gelezen, hoewel de kerkenraad was geabonneerd op de Levensbron. Dat blijkt uit een schrijven van een gemeentelid dat van de kerkenraad verlangt ook oude schrijvers te lezen die "overeenstemmen met de belijdenis van 1834". Dit schrijven wordt voor kennisgeving aangenomen. Vermoedelijk zijn er echter ook preken gelezen van buiten de vertrouwde kring, hetgeen valt af te leiden uit een verzoek van een gemeentelid om zich alleen te houden aan preken die zijn goedgekeurd door de Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken of oude schrijvers van vóór 1816 dus nog ouder dan 1834. De kerkenraad verzoekt dit gemeentelid zijn verzoek toe te lichten op de volgende vergadering. De preken worden uitsluitend gelezen door ouderling van der Burg. Deze krijgt nu versterking van van Tricht die echter op zijn verzoek eerst een poosje wil oefenen als voorlezer.

In de winter van 34/35 als er al enkele maanden geen predikant is voorgegaan in de zondagse dienst, krijgt de scriba opdracht van de kerkenraad de predikanten N. Bijdemast, P. de Groot, H. Janssen, C. Smits, G. Molenaar en Joh. van der Vegt uit te nodigen. Op tweede kerstdag en tweede pinksterdag wordt gewoonlijk geen dienst gehouden, hoewel nog wel eens een aanbieding van een predikant wordt ontvangen. Als in de zomer van 1934 wordt gesproken over het aanstaande vertrek van het weeshuis, besluit de kerkenraad het avondmaalsstel en de knielbank, die door ouderling van der Burg in het weeshuis werden bewaard, onder te brengen bij mej. van Zijtveld.

In 1934 wordt een knielbankje geschonken door de voorzitter van de kerkenraad. Dit heeft dienst gedaan tot 1968 toen het werd vervangen door het huidige knielbankje dat met het orgel uit Andijk is meegekomen.

Op de fiets naar de kerk

Een gevoelige discussie ontstaat in de kerkenraad als een van de broeders bezwaar maakt tegen het feit dat ouderling van Tricht op de fiets naar de kerk komt. De bezwaarde broeder is met zijn gezin van mening dat ambtsdragers op zondag de fiets niet mogen gebruiken en dienen te lopen. Met dit gezin wordt pastoraal en uitgebreid gesproken en vervolgens wordt over deze zaak een aparte kerkenraadsvergadering gehouden. Van Tricht deelt dan mede dat hij besloten heeft de fiets voortaan te laten staan. Hij is welliswaar met de meerderheid van de kerkenraad van mening dat er geen bezwaar kan zijn tegen het fietsen naar de kerk, maar wil, rekening houdend met de oprechte gevoelens van de bezwaarden, geen aanstoot geven. Dit ondanks zijn leeftijd.

Ambtelijk werk

De catechisaties worden doorgaans gegeven door ouderling van der Burg, die als weesvader vertrouwd is met de omgang met de kinderen en zich sterk bij hun geestelijke opvoeding betrokken voelt. Dat blijkt vooral als hij uit eigen zak een aantal brochures over de kinderdoop aanschaft. Dit boekje is geschreven door ds. L.H. van der Meiden en wordt op voorstel van van der Burg aan aanstaande en jonge gezinnen uitgereikt. Later neemt de kerk een deel van de kosten voor zijn rekening.

Enkele gemeenteleden willen echter toch dat de catechisaties door een predikant worden gegeven; zelfs is er een gemeentelid dat van de kerkenraad toestemming "eist" om zijn kinderen in een naburige gemeente naar de catechisatie te sturen. Als de kerkenraad zou weigeren, dreigt hij zich met zijn hele gezin te onttrekken. De kerkenraad is echter niet van plan om aan deze chantage toe te geven maar neemt wel kontakt op met ds. N. Brandsma van Bunschoten die vanaf mei 1933, dus bij de aanvang van de zomer, start met de catechisaties in Soestdijk. De vergoeding daarvoor is vastgesteld na overleg met de kerkenraad van Baarn; blijkbaar vond men het verstandiger dit niet direkt met de kerkenraad van Bunschoten te bespreken.

Voor de bediening van het Heilig Avondmaal is men uiteraard aangewezen op de komst van een gastpredikant. Het aantal avondmaalsgangers werd mede bepaald door de predikant die dan voorging; de gastleden, ook al kwamen zij niet trouw, blijven goed op de hoogte van de preekvoorziening. Het verzoek van enkele meelevende leden om als gastlid deel te mogen nemen aan de viering van het avondmaal, wordt afgewezen omdat zij geen lid zijn van de Christelijke Gereformeerde Kerken en evenmin kunnen worden beschouwd als trouwe gastleden. Bovendien waren zij niet in de kerk toen er voorbereiding werd gepreekt. De kerkenraad acht dit voldoende om hen niet toe te laten.

Huisbezoek wordt afgelegd door een ouderling met een diaken, maar ook dat is niet naar de zin. Het antwoord op de kritiek die sommigen uiten is effektief: "Anders komen we er niet doorheen".

De Wekker

In de gemeente was de belangstelling voor het bredere kerkelijke leven nogal beperkt. Men probeerde wel op de hoogte te blijven van dominees en kandidaten die misschien geschikt waren voor Soestdijk, maar het bredere kerkelijke nieuws ging aan de meesten voorbij. Weinig gemeenteleden waren geabonneerd op De Wekker; de gemeente Soestdijk kende ook geen agent voor ons landelijk kerkelijk blad. De Soester abonnees werden "bewerkt" door de agent uit Baarn, J. Kiljan. Op verzoek van de redaktie van De Wekker besluit de kerkenraad nu om ook in Soestdijk een agent te benoemen; dat wordt de weesjongen Anton Slagboom. Als Baarn dat hoort volgt er een pittige briefwisseling; daar is men het niet eens met de benoeming. Men vindt de weesjongen Anton Slagboom niet geschikt. De broeders in Soestdijk besluiten echter te antwoorden dat "de kerkenraad heel goed weet wat er besloten is". Maar al spoedig blijkt dat deze taak de jonge agent nogal zwaar is gevallen, een vervanger is echter niet te vinden.

3.4 Crisisjaren periode 1933 - 1935

Financiën

De vaste jaarlijkse bijdrage is in die tijd nog niet zo bekend. Slechts enkele gemeenteleden hebben een vast bedrag toegezegd, reden waarom de kerkenraad besluit daarop tijdens het huisbezoek te attenderen. Op voorstel van één van de diakenen kan dan, indien de vaste bijdragen ontoereikend zijn om de financiën rond te krijgen, alsnog een extra kollekte worden ingelast. Daarover is de kerkenraad echter nogal verdeeld. Naar de mening van sommige broeders zou het juist andersom moeten zijn; de kollekte moet toereikend zijn en een vaste bijdrage zou alleen dienen om een beperkte basis te hebben. Daarover wordt binnen de kerkenraad gestemd waarbij de nadruk blijft liggen op de zondagse kollektes.

De rentebetaling op de obligaties wordt uitgesteld; er is geen geld beschikbaar. Zoals te verwachten en te begrijpen is, komen daarover klachten binnen. De uitgaven van de gemeente overtreffen echter de inkomsten; de pastorie is niet verhuurd, menige predikant krijgt meer aan honorarium dan de kollekte opbrengt, de hypotheek op kerk en pastorie drukt als een loden last op de schouders van hen die de gemeente trouw blijven, lenen van de diakonie kan niet (die komt zelf al tekort), en zo wordt het laatste spaarpotje dat niet is aangesproken, geopend. Het orgelbusje! Ook al neemt de kerkenraad zich voor om het geleende bedrag later, als de tijden hopenlijk beter zijn, terug te storten.

Diakonie

De zorgen van de economische crisis doen zich meer en meer, niet in het minst voor de diakonie, voelen. Er wordt veel stille armoede geleden, vaak verneemt de kerkenraad alleen bij geruchte welke zorgen er in een gezin leven. De werkloosheid is groot, bij ziekte moet een belangrijk deel van de verpleegkosten zelf worden betaald en soms is er zelfs voor de allereerste levensbehoeften als brood, kleding en brandstof nauwelijks geld beschikbaar. In enkele gevallen besluit de diakonie steun te verlenen door een paar mud kolen te bezorgen. Opmerkelijk is dat men soms een verzoek binnenkrijgt van volkomen onbekende leden die blijkbaar in Soest zijn komen wonen terwijl daarvan niets bekend is bij de kerkenraad. Voor de diakonie is dat echter geen reden om deze afgedwaalden, die alleen in noodgevallen de kerk weten te vinden, voorbij te lopen. Dikwijls wordt een ambtelijk bezoek gevolgd door bescheiden diakonale steun. Veel kon men niet doen, immers, niet alleen de gemeente, maar ook de diakonie was arm. Een verzoek om steun, dat aanvankelijk wordt gehonoreerd, wordt stopgezet als blijkt dat een "onbekende", die volgens zeggen lid was van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Baarn, in werkelijkheid blijkt te behoren tot de Gereformeerde Kerk van Baarn, maar inmiddels zover is afgedwaald dat daarvan geen hulp viel te verwachten. Daar waar steun wordt gevraagd, maar verwacht kan worden dat de kinderen nog wel in de gelegenheid zijn om daaraan wat te doen, wordt er liefdevol maar wel beslist op gewezen dat de eerste taak in de familie ligt.

Het honorarium van de predikanten wordt verlaagd van fl. 25,-- per zondag naar fl. 20,--. Voor prof. Wisse, die op aandringen van student D. van Wilsum enkele malen in Soest komt preken, blijft echter een uitzondering gelden; zijn honorarium blijft fl. 25,--. Maar als de consulent, ds. L. Kraan, echter verneemt dat de preken van prof. Wisse beter worden betaald dan die van andere voorgangers, weigert deze de twee classisbeurten die hij in Soest heeft te vervullen, na te komen. Waarom zou prof. Wisse een hoger honorarium ontvangen dan hij? De kerkenraad wordt voor de keuze gesteld: of voor prof. Wisse geldt hetzelfde of hij weigert in Soest te komen. Alleen indien dit onderscheid des persoons wordt opgeheven, is hij bereid in Soest te komen preken. Ook binnen de kerkenraad geeft dit onderscheid problemen; de kerkenraad komt dan op zijn besluit terug en bericht aan prof. Wisse dat zijn honorarium wordt gelijkgesteld aan dat van de andere voorgangers en dus fl. 20,-- voor een gehele zondag bedraagt.

Kerk, commisie van beheer en pastorie

De pastorie was enkele jaren verhuurd, maar komt in maart 1934 leeg. Het is echter niet eenvoudig om de ruime woning opnieuw te verhuren. Daarvoor wordt een makelaar ingeschakeld die ook de mogelijkheid krijgt om de woning te verkopen; vraagprijs is dan fl. 10.000,--. Voorlopig echter blijven alle pogingen zonder resultaat, ook als wordt er een bord geplaatst in de tuin en de opdracht tot verhuur of verkoop aangeboden aan meerdere makelaars. De huizenmarkt is op dat moment niet best, de economie verkeert in een dieptepunt, malaise is overal voelbaar en zo lukt het ook niet spoedig om de pastorie kwijt te raken. Voor de financiën is dat een ware strop, de schulden en lasten zijn al torenhoog. De pastorie wordt zelfs in De Wekker aangeboden. Om het alles in goede banen te leiden en de kerkenraad wat te ontlasten, wordt besloten een commissie van beheer te benoemen, waarin twee leden van de gemeente en een lid van de kerkenraad zitting hebben. De eerste commissie wordt gevormd door R. Boverhoff, diaken D.J. Westeneng en J. van Wilsum.

Koster is dan T. Slagboom, die inmiddels het weeshuis is ontgroeid. Hij krijgt daarvoor fl. 1,-- per week.

Kerkenraad

Alhoewel de kerkenraad een rooster van aftreden heeft opgesteld, moet daarvan regelmatig worden afgeweken. Er is gewoonweg geen keuze; meermalen wordt gewacht tot de huisbezoeken zijn afgelegd, om dan met de ervaringen die daarbij zijn opgedaan, de bespreking over een mogelijk tweetal opnieuw te beginnen. Alsof de kerkenraad de geestelijke situatie in de gemeente nog niet kende! De diakenen vieren geen avondmaal, hetgeen terecht als een groot bezwaar wordt gevoeld om hen kandidaat te stellen voor het ambt van ouderling. De bezwaren, die zij aanvoeren, betreffen niet de verhouding tot wie dan ook in de gemeente, maar juist hun eigen geestelijk leven. Ontroerend is het als ouderling van der Burg er met liefde en nadruk op wijst dat juist voor zulke leden het avondmaal is ingesteld; juist omdat ze het niet bij zichzelf kunnen vinden.

Regelmatig wordt weer de naam van Verburg genoemd, de broeder die aan het begin van de instituering van de gemeente en in de bewogen jaren daarna zoveel heeft betekend. Voordat deze op tweetal voor ouderling wordt gezet, wordt hij gepolst, maar Verburg laat duidelijk merken dat hij zich niet geroepen voelt. Hij wordt toch op tweetal geplaatst, gekozen, maar bedankt direkt daarop. Diaken van Barneveld, die, ondanks het feit dat een ambtsdrager voor drie jaar werd benoemd, volgens het eerder opgestelde rooster twee jaar na zijn benoeming aftredend is, stelt zich niet herkiesbaar. Hij is het niet eens met de preekvoorziening, bovendien kerkt hij regelmatig door de week bij de Vrije Gereformeerde Gemeente te Amersfoort. Ook Legemaat is niet meer herkiesbaar, door ziekte in zijn gezin moet hij ontheffing vragen. Omdat ouderling van der Burg heeft aangekondigd binnenkort te zullen verhuizen, (dit heeft waarschijnlijk te maken met de aangekondigde verhuizing van het weeshuis) stelt de kerkenraad in de komende vacature twee namen op de kandidatenlijst, die we nog vele malen zullen tegenkomen, de broeders J. Derks en G. Nap. J. Derks wordt daarna benoemd tot ouderling, C. van Tricht wordt voorzitter van de kerkenraad.

Rustend ouderling P. Floor, grondlegger van de gemeente en een rustpunt in de bewogen jaren daarna, is op 19 februari 1934 overleden. In overleg met de kerkenraad wordt een advertentie geplaatst in De Wekker en zal ds. P. de Smit worden gevraagd de begrafenis te leiden. Het is een eerbetoon aan de man die met de volle liefde van zijn hart de gemeente heeft gebouwd. In de dienst van de Heere was hem niets teveel. In alle eenvoud diende hij de Heere maar juist dat was zijn kracht, tezamen met het vermogen dat hij onmiskenbaar bezat, om de cultuur van de jonge gemeente aan te voelen. Hij was zelf daarin geworteld maar wist ook met de zwakheden daarvan om te gaan. Door zijn vroomheid en gaven genoot hij respekt en aanzien in en buiten de gemeente. We behoeven hem niet persoonlijk te hebben gekend om toch te mogen zeggen (de notulen laten daar geen twijfel over bestaan) dat ook de huidige gemeente, 75 later, aan deze man veel heeft te danken. Hij heeft, met anderen, onder Gods zorg, daarvoor het fundament gelegd.

Catechisaties werden gegeven door ds. N. Brandsma van Bunschoten, tot het moment dat ds. L. Kraan in Baarn wordt bevestigd. Ds. Kraan wordt dan tevens consulent van Soest maar moet later, wegens gebrek aan tijd, stoppen met de catechisaties in Soest. Dan wordt ds. M. Holtrop van Hilversum daarvoor gevraagd, waarbij één gezin weigert de kinderen bij hem op catechisatie te doen gaan. Door de komst van ds. N. Bijdemast valt het later allemaal weer mee.

Door een verschil van mening over de honorering van de predikanten en de preekvoorziening verlaat ouderling Derks, reed binnen een half jaar na zijn bevestiging, de kerkenraad. Hij is niet tot andere gedachten te bewegen. Een nieuw tweetal wordt aan de gemeente voorgesteld, S. Durkstra en A. Lugtigheid, waaruit de laatste wordt gekozen. Ook H. van Schaik wilde aftreden, maar deze besluit, na herverkiezing, nog een jaar aan te blijven. A. Lugtigheid bedankt echter, waarop de kerkenraad het advies wil inroepen van ds. van de Meiden, die binnenkort in de gemeente zal voorgaan, over het voorstel om G. Nap "bij acclamatie" te benoemen. Men weet geen andere kandidaten te vinden om tot een tweetal te komen. Dit voorstel krijgt echter, onder verwijzing naar de Dordtse Kerkorde, geen goedkeuring, waarop wordt besloten het aantal kerkenraadsleden maar niet uit te breiden en dus geen vekiezing te houden. Kort daarop wordt G. Nap echter toch bij "acclamatie" benoemd tot ouderling. Het is echter niet duidelijk of hier inderdaad sprake is geweest van acclamatie of dat de kerkenraad heeft volstaan met enkelvoudige kandidaatstelling.

3.5 Ds. N. Bijdemast beroepen

Door een konflikt met één van de gemeenteleden rond de benoeming van een kerkenraadslid ontstaat er een nauw kontakt met ds. N. Bijdemast, toen te Boskoop. Het bezwaarde gemeentelid heeft namelijk een brief geschreven aan ds. Bijdemast, maar deze eerst aan de kerkenraad overhandigd met de mogelijkheid om van de inhoud kennis te nemen. Wat dat betreft is wel de kerkelijke weg gevolgd waarbij dus de "aangeklaagde" geheel op de hoogte werd gesteld van de "aanklacht". De kerkenraad besluit de brief persoonlijk bij ds. Bijdemast te bezorgen en deze onverkwikkelijke zaak toe te lichten. Op voorstel van voorzitter van Tricht kan dan tegelijk eens met ds. Bijdemast van gedachten worden gewisseld over de mogelijkheid van een beroep. Ouderling van Tricht en diaken Westeneng gaan op pad. Het moet wel een goed gesprek zijn geweest; ds. Bijdemast heeft daarbij te kennen gegeven dat hij langzamerhand wel naar een kleinere gemeente wil, hij is dan immers al 69 jaar. Toch lijkt het de kerkenraad veiliger een tweetal te stellen: ds. N. Bijdemast en ds. P. de Groot van Gorinchem. Bij de verkiezing onder leiding van ds. Kraan, waarbij 15 stemmen worden uitgebracht, behaalt ds. Bijdemast 14 stemmen en ds. de Groot 1 stem. Het traktement dat hem wordt voorgesteld bedraagt fl. 1.200,--. Ds. Bijdemast laat al spoedig weten dat hij dit beroep aanneemt en de kerkenraad laat de keuze van de bevestiging in Soestdijk (door de week of op zondag waarover verdeeldheid bestaat) aan hem zelf over. De vrouwenvereniging, waarvan lange tijd niets is gehoord, neemt dan spontaan het initiatief om een aktie in de gemeente te starten en geld bijeen te halen voor de overkomst. Onder leiding van de dames Boverhoff, Nap en Nijboer wordt er maar liefst fl. 119,25 opgehaald. Als dit indrukwekkende bedrag, dat gelijk staat aan ongeveer drie weken kerkelijke inkomsten, aan de kerkenraad wordt overhandigd stelt de voorzitter voor om gezamenlijk te zingen psalm 84: 6; men is diep onder de indruk en krijgt, nu ds. Bijdemast spoedig hoopt te komen, eindelijk weer wat moed. Zorgen zijn er veel in de gemeente, zowel met de financiën als met gemeenteleden, maar er wordt, zoals van Tricht zegt, een lichtpuntje gezien.

3.6 Ds. N. Bijdemast oktober 1935 - april 1938

Op 2 oktober 1935 wordt ds. Bijdemast bevestigd door ds. Kraan met een preek over Handelingen 10: 33. Op 5 oktober doet hij intrede. De komst van de ervaren en wijze predikant betekent een rustpunt in de woelige periode waarin kerkenraad en gemeente in 1935 verkeren. Zijn ambtelijk aureool zal daar zeker aan hebben bijgedragen, maar de rust en de kerkelijke ervaring van de man die eerst als oefenaar in de Gereformeerde kerk te 's-Graveland en Maarssen en daarna als Christelijk Gereformeerd predikant vijf gemeentes heeft gediend, zijn van grote betekenis voor de gemeente van Soestdijk om de zaak weer wat op orde te krijgen. Er komt weer structuur in de organisatie en in de taken van de kerkenraad, die overigens, moet men bedenken, overbelast was. Ds. Bijdemast neemt zijn intrek in een gehuurde woning.

Reeds op de eerste kerkenraadsvergadering op 7 oktober 1935 wordt onder leiding van de nieuwe voorzitter gesproken over hoe er gehandeld moet worden met enkele moeilijke gevallen, waarbij het maar niet lukt om tot een oplossing te komen. Ds. Bijdemast was wel enigszins op de hoogte door het bezoek van de broeders van Tricht en Westeneng toen zij de brief van een bezwaard gemeentelid hadden bezorgd en toegelicht, maar het blijkt dat er nog wel wat meer zit. De notulen van 16 september 1935, die op de oktober vergadering van de kerkenraad, dus in aanwezigheid van ds. Bijdemast worden gelezen, verhalen uitgebreid over de konklikten. Ds. Bijdemast wil er nog eens rustig over denken en zal ook eens op bezoek gaan bij de broeder die zijn kind niet wil laten dopen. Kort daarna wordt één van de bezwaarden op de kerkenraadsvergadering uitgenodigd, waar de problemen uit de weg worden geruimd en de broeders elkaar verzoenend de hand reiken. Ook met de andere klager wordt na een gesprek vrede gesloten; de onpartijdigheid van ds. Bijdemast, waarbij hij niet gehinderd is door enig vooroordeel, en zijn pastoraal overwicht, zijn van grote betekenis.

Ds. Bijdemast herstelt de regel dat minstens vier maal per jaar het Heilig Avondmaal zal worden bediend; de data worden reeds een jaar van te voren vastgesteld. De jongelui worden bijeen geroepen om te overleggen op welke avond het beste de catechisatie kan worden gegeven. Zo ontstaat er tegelijkertijd een open en pastorale verhouding met de nieuwe predikant. De verkiezing van kerkenraadsleden wordt op voorstel van de predikant een jaar uitgesteld met als simpele maar ijzersterke motivatie dat hij nog niet weet wie te moeten kiezen; dit ondanks het feit dat ouderling van Tricht, nu er een dominee is, meent te moeten bedanken (maar dat gaat niet door). Reeds in oktober 1935 wordt afgesproken dat het jaar daarop het dankuur voor gewas en arbeid zal worden vervangen door een dankdag. Vanaf die tijd wordt er ook een biddag vastgesteld. Pastoraal, maar toch snel en effektief wordt het gemeentelijk leven georganiseerd.

Grote dankbaarheid is er als op 12 januari 1936, dus kort nadat ds. Bijdemast in Soestdijk de herdersstaf heeft opgenomen, het avondmaal wordt bediend waaraan ca. 22 broeders en zusters deelnemen. De predikant en kerkenraad zijn daarover diep ontroerd; het verlangen naar rust en vrede in de gemeente en de zichtbare zorg van de Heere over de tobbende gemeente Soestdijk, verdiepen het geestelijk leven en de broederband. De predikant benadrukt de roeping van de ambtsdragers om voorzichtig en wijs te wandelen, zodat de vrede verder kan worden gebouwd. De echtgenote van Verburg, die al zoveel jaren ambtsdrager is geweest, is nog altijd lid van de Gereformeerde kerk. Het goede, dat zij ongetwijfeld van haar man heeft vernomen, doet haar besluiten haar lidmaatschap bij de Gereformeerde kerk op te zeggen, en zich aan te sluiten bij de gemeente waaraan haar man al zoveel jaren zijn tijd en beste krachten heeft gegeven.

Al spoedig blijkt dat de kerkenraadsvergaderingen minder frequent worden gehouden. Het vele vergaderen, niet in het minst veroorzaakt door de problemen met gemeenteleden, blijkt niet meer nodig te zijn. Nadat ds. Bijdemast wat bekend is met de gang van zaken in de gemeente, vergadert de kerkenraad nog slechts eenmaal per maand.

Financieel is de gemeente nog niet op orde, maar ook daarin probeert de voorzitter struktuur te brengen. Zijn eerste voorstel is om een plan op te stellen hoe te komen tot aflossing van de schuldbekentenissen en wil daartoe de commissie van beheer, die in de afgelopen jaren al dan niet officieel was opgeheven, weer nieuw leven in blazen. De kerkenraad is van het nut daarvan echter nog niet overtuigd; dit plan gaat nog niet door.
Wel wordt wekelijks met busjes een rondje door de gemeente gemaakt om op die manier aan extra geld te komen; een methode die in Soestdijk, ook later, meer dan eens heel effektief heeft gewerkt. Bij de uitgang van de kerk komen twee houten busjes te hangen die door T. Slagboom worden gemaakt. Deze zijn er in 1998 nog steeds. De enige inkomsten van deze weesjongen bestaan overigens uit het schoonmaken van de kerk; aan de zorg voor deze jonge broeder, die bij diaken D.J. Westeneng woont, wordt op de kerkenraad veel aandacht besteed.

Moeilijk is de beslissing om de rente op de obligaties te verlagen. Bovendien komen er niet alleen klachten van geldschieters in het land die al te lang wachten op de uitbetaling van de obligatierente, ook met de betaling van de hypotheekrente is er achterstand. Er moet gekozen worden; uiteindelijk besluit de kerkenraad de hypotheekrente voorrang te geven. De rente op de schuldbekentenissen wordt, evenals op de obligaties, verlaagd van 5% naar 3%; niet alleen de betaling daarvan maar ook de aflossing van schuldbekentenissen wordt, waar mogelijk, vertraagd. Het laat zich raden dat dit weer andere problemen veroorzaakt. Ouderling van Tricht gaat met enkele diakenen in september 1937 op bezoek bij Verburg om hem te vragen geld aan de kerk te lenen; er is geen andere mogelijkheid om de zaak financieel rond te krijgen. Ook mevr. Th. Simons, de voor ons onbekende dame die een hypotheek heeft verstrekt, heeft nog maar weinig vertrouwen, hetgeen blijkt uit de mededeling van notaris Schouten dat zij de verstrekking opzegt en graag haar geld terug wil hebben. Enige vrijmoedigheid kan de kerkenraad niet ontzegd worden als aan mevr. Simons wordt gevraagd om, nu zij de hypotheek opvraagt, de nog verschuldigde rente kwijt te schelden. Het afsluiten van een nieuwe hypotheek kost immers ook geld! Maar dat gaat deze mevrouw te ver.

De indruk bestaat dat ook de betaling van het traktement van ds. Bijdemast wel eens in de verdrukking kwam. Als deze in april 1938 mededeelt binnenkort emeritaat te zullen aanvragen, moet de kerkenraad kiezen tussen de betaling van de hypotheekrente en de betaling van het traktement aan ds. Bijdemast; deze heeft nog recht op fl. 150,--. Men kiest voor het laatste.

Kerkenraad en vertrek van ds. Bijdemast

Een jaar na de komst van ds. Bijdemast wordt verkiezing van ambtsdragers gehouden. Ouderling van Tricht is aftredend maar herkiesbaar, diaken van Schaik is eveneens aftredend maar stelt zich niet herkiesbaar. Ook diaken Boverhoff wil om gezondheidsredenen aftreden.
Er wordt een tweetal gesteld voor ouderling: C. van Tricht en A. Lugtigheid en twee dubbeltallen voor diaken: N. van Dijk, Kersten, van Barneveld en J. Peeters. Gekozen worden van Tricht, Peeters en van Dijk. Alle broeders nemen hun benoeming aan, Peeters krijgt de funktie van penningmeester en van Dijk neemt het scribaat over van van Schaik. Vanaf dat moment worden de notulen nog beknopter dan ze al waren; scriba van Dijk heeft aan twee pagina's genoeg om breed-uitgeschreven de handelingen van drie kerkenraadsvergaderingen te notuleren.

In augustus 1937 bestaat de kerkenraad uit ds. N. Bijdemast, voorzitter; de ouderlingen N. Legemaat, C. van Tricht en G. Nap en de diakenen D.J. Westeneng, J. Peeters en N. van Dijk. Diaken Westeneng stelt zich in november 1937 niet meer herkiesbaar wegens drukke werkzaamheden en zijn grote huisgezin. In zijn plaats wordt dan gekozen F. van Schaik die zijn benoeming aanneemt en penningmeester wordt. Ouderling van Tricht vraagt ontheffing, maar komt daar later, tot grote vreugde van de andere broeders, op terug.
Op de vergadering van de classis Utrecht van 5 april 1938, dezelfde vergadering waarop de classis werd gesplitst en Soestdijk vanaf dat moment zou gaan behoren tot de classis Amersfoort, wordt aan ds. Bijdemast emeritaat verleend. Afscheid wordt gepreekt op dinsdagavond 26 april nadat op de zondag daaraan voorafgaand het Heilig Avondmaal is bediend. Ds. Bijdemast verhuist dan naar Zeist. Nog wordt door de oudere leden in de gemeente met respect over deze dienaar gesproken.

3.7 De gemeente vakant april 1938 - 1940

Kerkenraad

Nadata ds. Bijdemast in de vergadering van 22 april 1938 afscheid heeft genomen van de kerkenraad, wordt van Tricht weer voorzitter. Omdat vooral hij verantwoordelijk is voor de gang van zaken in de kerk en op de hoogte dient te zijn van de bredere kerkelijke gebeurtenissen, zal zijn abonnement op De Wekker door de kerk worden betaald. In twee ploegen zal huisbezoek worden afgelegd; een koppel wordt gevormd door ouderling Nap met een diaken. In november 1938 besluit de kerkenraad een derde diaken te verkiezen, en stelt daartoe een tweetal, samen met een dubbeltal voor ouderling, omdat Nap vanwege zijn zwakke gezondheid overweegt af te treden. Toch stelt Nap zich herkiesbaar. Dan komt de kerkenraad echter op zijn besluit terug en maakt de tweetallen niet bekend aan de gemeente omdat men verwacht dat ouderling Nap wel zal worden herkozen. Er wordt dus nogal opportunistisch gehandeld. Een derde diaken kan, vindt men, nog wel even wachten. In de kerkenraadsvergadering van 8 februari 1939 wordt dan melding gemaakt van het overlijden van ouderling Nap. Nog in dezelfde vergadering worden twee dubbeltallen gesteld, waaruit G. Muts (die inmiddels de pastorie heeft gehuurd) wordt gekozen tot ouderling en T. van Barneveld tot diaken. Muts bedankt, zodat de vacature voor ouderling blijft voortbestaan. Het probleem wordt nog groter als van Tricht een spoedvergadering belegt, en de kerkenraad mededeelt dat hij op doktersadvies zijn ambt moet neerleggen en dringend rust moet houden. Van Tricht wil echter niet bedanken, maar draagt zijn kerkelijke werkzaamheden, waaronder vooral het preeklezen, over en doet het een poosje wat rustiger aan. Dat valt echter niet mee met slechts één ouderling actief en de ander uitgeschakeld. Kort daarop wordt B.S.J. van der Post gekozen tot ouderling, die deze benoeming aanvaardt en tijdelijk voorzitter wordt van de kerkenraad. Na enkele maanden is van Tricht weer zover hersteld dat hij zijn ambtelijke werkzaamheden kan hervatten.

Diaken van Barneveld kan dan al enkele malen de kerkenraadsvergaderingen niet bijwonen omdat de dienstplicht hem roept. De onrust in Europa, met de toenemende macht van het Duitse rijk, wordt voelbaar. Diaken en scriba van Dijk wil reeds in november 1939 aftreden maar de langdurige afwezigheid van van Barneveld, waarvoor geen ander is gekozen, brengt hem op andere gedachten. Hij houdt het nog vol tot september 1940; dan legt van Dijk na een meningsverschil in de kerkenraad, waarschijnlijk in verband met de financiële consequenties (al waren die echt niet zo groot) rond de komst van ds. L. de Bruijne, zijn ambt neer. Ouderling B.S.J. van der Post wordt dan scriba.

Ds. G.W. Alberts

Nog voor de komst van ds. Bijdemast had de kerkenraad al eens, op voorstel van diaken Westeneng, nagedacht over de mogelijkheid om de emeritus dominee G.W. Alberts, wonende te Vlaardingen, te vragen naar Soestdijk te komen. De kerkenraad is het daarover onderling toen niet eens geworden. Nu het vertrek van ds. Bijdemast sterk wordt gevoeld en er, door leeftijd en gezondheidsproblemen, voor de ouderlingen nauwelijks gelegenheid is voor pastoraal bezoek, spreekt de kerkenraad in zijn vergadering opnieuw over deze dominee. De kerkenraad besluit dan de gemeente bij elkaar te roepen en voor te stellen ds. Alberts te vragen zich in Soestdijk te komen vestigen, één tot twee zondagen in de maand voor te gaan in de prediking, daarnaast het geven van catechetisch onderwijs en het doen van huis- en ziekenbezoek. Men denkt dan aan een honorarium van fl. 20,-- per zondag dat de predikant voorgaat en fl. 5,-- per week voor het geven van catechisatie. Dit alles voor de tijd van een jaar (een proeftijd met de mogelijkheid van een vaste aanstelling ?).

De vergadering met de leden (zowel de mannenbroeders als de zusters zijn daarvoor uitgenodigd) over dit voorstel verloopt niet gemakkelijk; een hele serie vragen wordt op de kerkenraad afgevuurd. Met Pasen heeft ds. Alberts in Soestdijk gepreekt, en die gelegenheid is door de kerkenraad aangegerepen om hem de zaterdagavond daarvoor te polsen. Ds. Alberts heeft zich echter geheel op de vlakte gehouden en niets uitgelaten, zodat er weinig concreets te melden is. De kerkenraad moet eerst maar eens met voorstellen komen.

Op de ledenvergadering verzoekt de ene broeder dringend geen schulden meer te maken waarop de ander antwoordt dat het hem wel een tientje per maand waard is als ds. Alberts zou komen. Scriba van Dijk wijst de gemeente dringend op de verantwoordelijkheid van de gemeente die de kerkenraad niet met de financiële problemen kan laten zitten "zoals met ds. Bijdemast". De kerkenraad besluit dan er nog eens over te vergaderen en stuurt in april 1939 een brief naar ds. Alberts met de voorwaarden en toezeggingen indien deze in Soestdijk zou komen wonen. De notulen vermelden niet hoe het afgelopen is; de verbintenis aan Soestdijk als ouderling met bijzondere pastorale opdracht is in ieder geval niet doorgegaan, hetgeen ook blijkt uit het beroep dat in augustus 1939, na verkiezing uit een tweetal met ds. P. Zwier is uitgebracht op ds. E. du Marchie van Voorthuijsen. Deze bedankt al spoedig.

De discussie rond het al dan niet "beroepen" van ds. Alberts heeft er echter wel toe geleid dat het avondmaal werd uitgesteld. Met de data van de viering nam men het toch al niet al te nauw; met het vertrek van ds. Bijdemast was tegelijkertijd de regelmaat verdwenen.

Verenigingen

De jongelingsvereniging, waarvoor zelfs een reglement was opgemaakt, was inmiddels weer opgeheven. In september 1938 komt van der Post op de kerkenraadsvergadering met het voorstel een mannenvereniging op te richten; hij wil zich tegelijkertijd inzetten voor de wederoprichting van de jongelingsvereniging. Van de kansel zal een en ander worden bekend gemaakt.

Preken en liturgie

De bidstond van 9 maart 1939 wordt geleid door de jonge dominee W. Heerma die vele jaren later als emeritus onze gemeente zal dienen; hij was toen en later in Soestdijk graag gezien. Dat was anders met de preken die gelezen werden, hetgeen blijkt uit het besluit van de kerkenraad om van te voren de preken "in te zien"; of bedoelt men dat er meer tijd aan de voorbereiding besteed moest worden? De preek 's morgens wordt door ouderling van Tricht gelezen; 's avonds leest ouderling van der Post. De nieuwjaarspreek van 1 januari 1940 komt te vervallen; deze wordt op 2 januari gehouden als ds. E. du Marchie van Voorthuijsen toch die zondag de gemeente dient.
Gerrit Nap wordt in april 1940 benoemd tot organist en ontvangt daarvoor fl. 12,-- per jaar.

De komst van ds. L. de Bruijne

In juli 1940 wordt voor het eerst gesproken over ds. L. de Bruijne te Zwolle. Dit is opmerkelijk omdat pas dan verwezen wordt naar een eerdere briefwisseling waarin ds. de Bruijne heeft medegedeeld dat de gemeente Zwolle hem te groot wordt. Niet bekend is wie dit kontakt heeft opgestart; hoogstwaarschijnlijk is het overleg op gang gekomen nadat ds. de Bruijne een zondag in Soestdijk heeft gepreekt. In ieder geval is de inhoud van de brief zodanig dat van Tricht en van der Post op zaterdagmiddag 13 juli naar Zwolle afreizen en met ds. de Bruijne overleggen om in Soestdijk te komen wonen. Er heeft dan nog geen overleg met de gemeente plaatsgehad; eerst wil men weten hoe de predikant er over denkt. Men kan geen hoger traktement geven dan fl. 100,-- per maand met vrij wonen.

Ds. de Bruijne is niet kinderachtig en schijnt wel goed op de hoogte te zijn geweest van de (financiële) problemen in Soestdijk. Hij stelt voor catechisatie te geven en huis- en ziekenbezoek te doen tegen de vergoeding van vrij wonen; alleen wanneer hij zondags zou preken zal daarvoor dan een vast bedrag worden betaald. Het liefst zou ds. de Bruijne in de pastorie willen wonen, maar de kerkenraad ziet geen kans om de woning, die dan voor langere tijd is verhuurd, op korte termijn vrij te krijgen. Er zal dus een huis moeten worden gehuurd.

Dan is er nog steeds geen overleg met de leden van de gemeente geweest, maar sommigen zijn al zodanig op de hoogte dat nog tijdens de kerkenraadsvergadering waarop verslag wordt gedaan van het gesprek met ds. de Bruijne, bezoek komt van een gemeentelid die het nodige wil weten van de huisvesting. De kerkenraad kan de broeder echter geruststellen. De ledenvergadering wordt gehouden op 22 juli 1940, waar, op de vraag van de voorzitter hoe men er over denkt, blijkt dat "er niet één is die tegen is". Op zaterdag 3 augustus 1940, 's avonds om 8 uur, is er een bespreking met ds. en mevr. de Bruijne in de consistorie. Op voorstel van ds. de Bruijne worden van deze bespreking notulen gemaakt waarvan hij een afschrift zal ontvangen; er worden dus duidelijke afspraken gemaakt. Voorzitter van Tricht brengt dan verslag uit van de laatste kerkenraadsvergadering en van de ledenvergadering. De financiële stand van zaken komt ook aan de orde; daarin is een duidelijke verbetering gekomen; er is de laatste jaren een tekort van fl. 500,-- weggewerkt. Dit alles maakt op ds. en mevr. de Bruijne, aldus de notulen, een zeer gunstige indruk. De pastorie is echter niet beschikbaar; van der Post zal het kontrakt opvragen bij de scriba en nagaan wanneer deze vrij komt. Heel opmerkelijk is de toezegging van de kerkenraad aan ds. en mev. de Bruijne dat, indien de gemeente zou groeien (hetgeen wordt verwacht) en de dominee eventueel door ziekte zijn dienst zou moeten beëindigen, het honorarium niet zal worden ingehouden. Het vertrouwen in de toekomst is dus groot. Op de kerkenraadsvergadering daarna wordt de bevestiging van ds. de Bruijne genotuleerd dat hij het aanbod van de gemeente Soestdijk aanneemt, waarbij van Schaik en van Dijk nu echter blijken tegen te zijn. Zij zien het financieel niet zitten. Wonderlijk genoeg was op de ledenvergadering niemand tegen, van Schaik en van Dijk hadden immers geen bezwaren ingebracht. De kerkenraad wordt het weer niet eens, en van Dijk legt daarna zijn ambt neer. Van der Post wordt dan de scriba.

Eind oktober komt ds. de Bruijne naar Soest en neemt zijn intrek in de woning aan de Oranjelaan 42. Als de pastorie naast de kerk t.z.t. leeg komt, wil hij graag daar naar toe verhuizen; het is zijn eigen voorstel om dan de kosten van de overbruggingsperiode voor eigen rekening te nemen. Zover is het echter niet gekomen, zoals we nog zullen zien.

Ds. L. de Bruijne - de eerste kerkenraadsvergadering

Zoals van een persoonlijkheid als ds. de Bruijne verwacht kan worden, worden een aantal zaken, die in de vakante jaren na het vertrek van ds. Bijdemast in het ongerede zijn geraakt, snel geregeld. De eerste kerkenraadsvergadering onder leiding van ds. de Bruijne, vindt plaats op donderdag 31 oktober 1940 in de pastorie aan de Oranjelaan. Daarbij spreekt de nieuwe voorzitter zijn dankbaarheid uit voor het feit dat hij, hoewel emeritus predikant, nu toch weer in een eigen gemeente zijn werk mag voortzetten. De Heere heeft het wonderlijk geleid, en de vreugde voor hem en zijn vrouw maar ook voor de gemeente Soestdijk, is groot.

Het pastorale werk wordt gestruktureerd. Aan de hand van het doopboek zal ds. de Bruijne een lijst aanleggen van de jeugd die de catechisatie dient te volgen. Daartoe zal het kennismakingsbezoek, dat de pastor samen met zijn vrouw in de gemeente gaat afleggen, voorrang krijgen bij de gezinnen met kinderen vanaf 12 jaar. Op de eerste woensdag van de maand november zal de dankdag worden gehouden, om tien uur 's morgens en drie uur 's middags. Op de eerste donderdagavond van de maand zal de kerkenraad vergaderen. Gezamenlijk stelt de kerkenraad een lijst op van de zieken en bejaarden die bijzondere pastorale zorg nodig hebben.

Het blijkt dat het avondmaal sinds 15 januari 1939 niet meer is gevierd; daarin komt nu verandering. De data worden vastgesteld, bij voorkeur in de tweede maand van elk kwartaal. Verwacht wordt dat de kerkenraad en de broeders aan de eerste tafel deelnemen, aan de tweede tafel de zusters van de gemeente, en aan de derde tafel, indien die nodig is, worden de overige gasten verwacht.

De kerkenraad bestaat op dat moment uit de ouderlingen van Tricht en van der Post en de diakenen F. van Schaik en T. van Barneveld jr. Aftredend zijn dan van Tricht en van Schaik, maar de beide broeders, nadat zij zijn overtuigd van de argumenten van de voorzitter dat een nieuwe dominee niet meteen moet worden geconfronteerd met een nieuwe kerkenraad, besluiten voorlopig aan te blijven. Van Tricht zou echter het liefst zo spoedig mogelijk willen aftreden; het ambt is hem te zwaar geworden. Hij stelt daarom voor ds. de Bruijne zo spoedig mogelijk te bevestigen als ouderling. De voorzitter heeft dat al geregeld met ds. H. Janssen die daarvoor zondag 26 januari 1941 heeft vrij gehouden; van Tricht besluit tot zolang aan te blijven. Na zijn aftreden wordt geen nieuwe ouderling benoemd, zodat de kerkenraad dus vanaf januari 1941, naast ds. de Bruijne als ouderling met bijzondere opdracht, slechts één ouderling telt, B.S.J. van der Post. De kerkenraad vindt het niet bezwaarlijk als de ouderlingenbank, op de zondagen dat ds. de Bruijne afwezig is en er dus een preek wordt gelezen, dan geheel leeg blijft.

Zondagsschool en verenigingswerk

Het zondagsschoolwerk, dat door gebrek aan leiding geheel was ingezakt, wordt in november 1940 weer ter hand genomen en daartoe wordt een "evangelisatie-commissie" gevormd waarin mevr. de Bruijne, mevr. van Schaik (welke is niet bekend), mevrouw Derks, D.J. Westeneng en B. van der Post worden benoemd. Mevr. de Bruijne is dan al begonnen met de voorbereidingen voor een kerstfeestviering met de kinderen van de gemeente, die onder haar leiding al kerstliederen instuderen. In één van de verslagen wordt melding gemaakt van 24 kinderen.

In februari 1941 komt Jac. Westeneng op de vergadering van de kerkenraad met het voorstel om de jongelingsvereniging nieuw leven in te blazen; deze was, evenals de zondagsschool, geruisloos weer opgeheven. De kerkenraad is verrast en verblijd dat dit initiatief vanuit de jeugd zelf komt, en zegt van harte alle medewerking toe met het advies dat Jac. Westeneng zelf de gemeente ingaat om de jongens die daarvoor in aanmerking komen, te polsen.

Financiën

De financiële toestand van de gemeente is welliswaar in de afgelopen jaren wat verbeterd, zoals bij de voorbereidende besprekingen met ds. de Bruijne reeds duidelijk was geworden, maar niettemin kan de gemeente ternauwernood de eindjes aan elkaar knopen. In deze periode wordt niets vermeld van achterstallige betalingen van rente en aflossingen, maar er is geen enkele ruimte om iets te doen aan onderhoud van de kerk en pastorie. Regelmatig wordt gewezen op de noodzaak van schilderwerk aan de kerk en pastorie. Het ligt voor de hand dat ds. de Bruijne bij zijn komst in de gemeente allereerst zijn aandacht geeft aan het pastorale werk, maar het mag niet verbazen als hij reeds enkele maanden daarna ook de zakelijke kant van de gemeente gaat aanpakken. Daarbij ontziet deze pastor zichzelf niet. In december 1940 wordt op zijn voorstel het financieel overzicht en een begroting voor 1941 besproken, waaruit blijkt hoeveel moeite de penningmeester heeft om de zaak rond te krijgen. In verband daarmee doet ds. de Bruijne het volgende voorstel: alle kerkelijke arbeid die door hem wordt verricht op door de weekse dagen, zoals het geven van catechisaties, het doen van huisbezoek en ziekenbezoek maar ook het preken op de niet-zondagen (Kerstdagen, Oud- en Nieuwjaar, bid- en dankdag enz.), zal geheel kosteloos door hem worden verricht. Hij beschouwt dat "als compensatie voor het vrij wonen". We dienen daarbij wel te bedenken dat het gebruik van een pastorie bij de komst van ds. de Bruijne expliciet als behorend tot het "traktement" was overeengekomen; de enige inkomsten die dus overblijven voor het dominees-echtpaar, bestaan uit het preken op zondag.

De oorlog en de gemeente

Tot dan toe kan het gemeentelijk werk, lijkt het, ondanks de oorlog redelijk voortgang vinden. Alleen de tijden van de kerkdiensten worden gewijzigd; in verband met de verduisteringsvoorschriften verschuift de aanvangstijd van de tweede dienst naar de middag. In gezamenlijk overleg met de kerkenraad van de Gereformeerde en Hervormde kerken wordt besloten de oudejaarsdienst van alle kerken te doen aanvangen om half vier 's middags en alle werkgevers te vragen het personeel dan vrijaf te geven.

De kerkenraad treft een regeling voor het geval dat de gemeente tijdens luchtalarm de kerk zou moeten verlaten. De koster zal de hoofdingang in de gaten houden, F. van Schaik heeft het toezicht bij de linker nooduitgang en van der Post bij de rechter-nooduitgang (tot aan de laatste restauratie had de kerk twee nooduitgangen) en ds. de Bruijne heeft de algehele leiding vanaf de preekstoel.

In januari 1941 bespreekt de kerkenraad een schrijven van deputaten voor correspondentie met de hoge overheid, handelend over het "kollekteplan". Het blijkt dat door de onwettige overheid van alle kerkenraden een opgave wordt verlangd over de periode januari tot juni 1941 waarin onder meer dient te worden aangegeven de tijd, de wijze en de bestemming van ieder kollekte. Dit plan dient te worden ingediend bij de procureur-generaal van het gerechtshof te Amsterdam, waarna al dan niet toestemming zal worden verleend door de burgemeester of de commissaris van de politie. Het is een grove aantasting van de vrijheid van de kerken en deputaten adviseren hierop niet in te gaan en te berichten dat de kerkenraad nog geen besluit heeft genomen. Bij de bespreking blijkt dat scriba van der Post reeds in die geest heeft geantwoord.

Ledenvergadering 1941

Op voorstel van ds. de Bruijne belegt de kerkenraad in februari 1941 een vergadering met de leden van de gemeente. Niet alleen komen dan de financiële zaken ter sprake, maar de predikant heeft er behoefte aan eens indringend met de gemeente te spreken over een aantal zaken die hem zorgen baren. De gemeente telt dan 60 belijdende leden en 68 doopleden, waaronder ook enkele doopleden die inmiddels zijn getrouwd en vertrokken uit Soest maar nog niet de moeite hebben genomen hun doopattest op te vragen. Daarin dient duidelijkheid te komen; de kerkenraad zal kontakt met hen opnemen waarbij zij zich dienen uit te spreken. Lid blijven, akkoord! maar dan ook daadwerkelijk meeleven, anders bedanken!
Ds. de Bruijne wijst bewogen en nadrukkelijk op de roeping van de gemeente om gezamenlijk de belangen te dienen. Velen leven te afzijdig en denken: de kerkenraad zal het wel opknappen. Maar zo kan het niet: de gemeente dient te zijn als een groot huisgezin waarin een ieder zich verantwoordelijk voelt voor de ander. De geestelijke betrokkenheid van menigeen is niet groot, terwijl juist de omstandigheden waaronder we leven ons aan elkaar dienen te verbinden. De Heere heeft juist door de bediening van het Woord betoond in de gemeente van Soestdijk te willen doorgaan, dat vraagt van ons een duidelijk antwoord. Leven uit Christus houdt ook in getuigen van Christus. Het is zijn plan om spoedig een bijeenkomst met de leden van de gemeente te beleggen en dan te spreken over Doop-Belijdenis-Avondmaal.

Dan volgt het financieel overzicht van de penningmeester; er is nog een tekort van fl. 100,-- over 1940. Er wordt een aktie opgezet om dat probleem op te lossen; deze brengt fl. 104,50 op. De catechisaties worden genoemd; de kinderen van 10 jaar komen trouw, de meisjes van 9 jaar zijn, op een enkele uitzondering ook trouw, maar de jongens van 16 jaar "moeten nog wennen om trouw te komen". De meeste jongelui van 16 jaar, dikwijls nog veel jonger, hadden immers al een volledige dagtaak. Korte tijd later stelt ds. de Bruijne voor om "verbandavonden" te houden, waarvoor dan predikanten worden gevraagd met de bedoeling een bidstond te houden voor de arbeid van de jeugd. De zorgen voor deze leeftijdsgroep zijn groot.

3.8 April 1941 - Mei 1945

Kerkenraad

In mei 1941 stelt van der Post voor de kerkenraad uit te breiden met een ouderling en een diaken. Niet verwonderlijk als men bedenkt dat hij dan de enige ouderling is en, indien hij ziek of verhinderd zou zijn, er dus geen enkele ouderling aanwezig zou zijn. Ook diaken van Barneveld is nog wel eens afwezig. De maand daarop stelt de kerkenraad twee dubbeltallen voor ouderling, de broeders T. van Barneveld jr., G. Muts, F. van Schaik en C. van Tricht en het tweetal G.H. Kersten en D.J. Westeneng voor diaken. Daaruit worden G. Muts, C. van Tricht en G.H. Kersten gekozen die alle drie hun benoeming aannemen. Opmerkelijk is hoe, voordat de verkiezing wordt gehouden, de voorzitter de procedure van de verkiezing uiteenzet; geen overbodige zaak omdat er nog geen reglement bestaat en de verkiezing van twee ouderlingen gemakkelijk aanleiding kan geven tot misverstanden. Maar ds. de Bruyne waakt daar wel voor. Het kerkelijk leven is in meerdere opzichten bij hem in goede handen. G. Muts wordt de eerste jeugdouderling. Aan het eind van het jaar, na de middagdienst op eerste Kerstdag, is er opnieuw verkiezing, omdat men dit keer nu eens niet wil afwijken van het oorspronkelijke rooster; daarbij worden F. van Schaik en C. van Tricht (laatstgenoemde uit een tweetal met H. van Schaik) opnieuw gekozen. Bevestiging vindt echter niet plaats omdat, volgens de notulen, zij reeds zitting hebben in de kerkenraad. Zelfs ds. de Bruyne vond dat blijkbaar niet nodig.

In de oorlogsjaren vergadert de kerkenraad dikwijls bij de dominee thuis. Het was veiliger in verband met de verduisteringsvoorschriften en goedkoper door het gebrek aan brandstof. Diaken van Barneveld, die al enkele malen eerder te kennen heeft gegeven dat hij wil aftreden maar zich iedere keer weer heeft laten overreden, is in september en oktober 1942 zo vaak afwezig, dat hij daarvoor speciaal bezoek ontvangt. Als reden geeft hij op dat huiselijke omstandigheden hem het kerkbezoek onmogelijk maken, waarop hem hulp wordt toegezegd. Van Barneveld vindt dat echter overbodig, maar vraagt wel direkt ontheffing uit het ambt van diaken hetgeen hem wordt verleend. Er wordt met de verkiezing van een nieuwe diaken gewacht tot de kerst, omdat dan ouderling G. Muts aftredend is. Uit het tweetal voor ouderling, de broeders J. Derks en G. Muts, wordt Muts gekozen en J.D. Westeneng als diaken uit een tweetal met N. van Dijk. Muts wordt kort daarop benoemd tot archivaris met de zorg voor het kerkelijk archief, dit naar aanleiding van een schrijven van ds. J.C. Maris, landelijk deputaat voor de kerkelijke archieven. Helaas is er echter maar weinig bewaard gebleven.

Diaken F. van Schaik treedt in januari 1943 af, waarbij ds. de Bruyne de hoop uitspreekt dat hij in de toekomst weer "eens begerig gemaakt mocht worden naar het ambt dat nu door hem is neergelegd". De voorzitter kan zich maar moeilijk verenigen met het besluit van de afgetreden ambtsdrager. In de ontstane vacature wordt geen tweetal gesteld, maar de kerkenraad besluit, onder verwijzing naar art. 22 van de Dordtse Kerkorde, daarin te benoemen H. van Schaik, een broer van de afgetreden diaken. Een deputatie van de kerkenraad zal hem bezoeken en zijn benoeming bespreken. H.A. Nap en W. Derks worden benoemd tot kollektant; er zijn immers niet voldoende diakenen om te kollekteren. H. van Schaik houdt de benoeming enige dagen in beraad maar verzoekt ontheffing omdat zijn grote gezin het niet voldoende mogelijk maakt zich voor het ambt vrij te maken. De kerkenraad overweegt dan nog wel om de zojuist benoemde kollektanten als tweetal voor diaken te stellen, maar besluit uiteindelijk N. van Dijk, die al eerder diaken is geweest, bij acclamatie (men bedoelt enkelvoudige kandidaatsstelling) voor te stellen. Voor dit aan de gemeente wordt bekend gemaakt, zal men eerst met hem overleggen. Van Dijk neemt deze benoeming aan. De funkties worden als volgt verdeeld: ds. L. de Bruyne 1e voorzitter, ouderling van Tricht 2e voorzitter, ouderling G. Muts scriba en tevens 2e penningmeester, diaken G.H. Kersten 1e penningmeester. In de financiële commissie hebben zitting ds. de Bruyne, Muts en Kersten; verantwoordelijk voor de gebouwen zijn Muts en van Dijk. Diakonie: Kersten is penningmeester en scriba; 2e penningmeester en 2e voorzitter van de diakonie is van Dijk.

Het rooster van aftreding wordt even gemakkelijk verlaten als weer opgesteld; de moeite om ambtsdragers te vinden is groot, reden waarom meermalen wordt besloten de verkiezing maar uit te stellen en het mandaat van de zittende broeders stilzwijgend te verlengen. Uitbreiding van de kerkenraad is echter dringend noodzakelijk; het blijkt dat zelfs voor de gedreven dominee de Bruyne het vele ambtelijke werk (de ouderlingen komen door gezondheidsproblemen en hun dagtaak onvoldoende aan het huisbezoek toe) in de verdrukking komt. In juli 1944 vindt er weer verkiezing plaats; B.S.J. van der Post wordt dan gekozen tot ouderling en J.L. Keesmaat tot diaken. Van de laatste broeder staat echter niets genotuleerd, we mogen dus aannemen dat hij heeft bedankt.

Financiën

Op iedere kerkenraadsvergadering is de bespreking van het financiële overzicht een vast agendapunt, opdat kerkenraad en gemeente niet voor onverwachte problemen komen te staan. Regelmatig wordt melding gemaakt van aanmaningen van de geldschieters, de meesten van buiten de gemeente, waaraan de kerkenraad maar moeilijk kan voldoen. Ook daarin probeert ds. de Bruyne verandering te brengen: de kerkenraad heeft als gewoonte de rente te betalen na de vervaldag. Hij is van mening dat, indien enigszins mogelijk, betaald moet worden voordat het zover is. Orde en regel zijn wezenlijke elementen in de dienst van de Heere.

In de loop van 1941 schenkt een dame van buiten de gemeente haar lening van fl. 800,-- onder voorwaarde dat gedurende haar leven de haar toekomende rente van 3% elk halfjaar aan haar zal worden uitbetaald. Een zeer ruime gift, temeer als men bedenkt dat dit gelijk stond aan ongeveer driekwart van het traktement van ds. de Bruyne. De dankbaarheid in de kerkenraad is groot waarbij de voorzitter er op wijst dat het nog mooier zou zijn indien een deel van de leningen die door personen van buiten de gemeente zijn verstrekt, zouden worden overgenomen door de eigen gemeente. De broeders van de kerkenraad krijgen de opdracht om er eens over na te denken en dit thuis te bespreken. Deze hebben hun taak serieus opgevat, een deel van de leningen wordt inderdaad overgenomen door eigen leden. Anderen schenken de uitbetaling van de uitgelote obligatie en/of de rente. Mede door een legaat verbetert de financiële situatie aanmerkelijk, zodat penningmeester F. van Schaik voor het eerst sinds jaren aan het eind van 1941 melding kan maken van een overschot van fl. 51,75. De hoge verwachtingen zijn niet beschaamd uitgekomen. De goede gang van zaken zijn in 1942 aanleiding voor de kerkenraad om het honorarium van ds. de Bruyne te verhogen naar fl. 1.200,-- per jaar. In 1944 (na de verkoop van de pastorie) wordt dit verhoogd naar fl. 1.650,-- als blijk van waardering voor het vele ambtelijke werk dat door de predikant wordt verricht. Ook over de vergoeding voor de koster wordt gesproken; maar voordat deze verhoging ontvangt zal hij eerst op de kerkenraadsvergadering worden uitgenodigd. Er zullen wel redenen voor geweest zijn. Kort daarop wordt de koster vermaand omdat hij, zonder overleg met de kerkenraad, de lokatie van de waterplaats heeft gewijzigd.

In 1943/1944 zet de tendens van de laatste twee jaren zich voort, waarbij uitlotingen van obligaties worden geschonken, de rente-ontvangsten vaak geheel worden afgestaan en twee leningen, van fl. 500,-- en fl. 750,-- geheel worden kwijtgescholden. Opnieuw ontvangt de kerk enkele legaten. Het lijkt de kerkenraad dan verstandig, nu er een beperkt bedrag aan financiën beschikbaar is, wat onderhoud aan de pastorie en de kerk te doen verrichten. In de afgelopen tien jaar is alleen het hoogst noodzakelijke gedaan, maar er is veel achterstallig onderhoud, vooral schilderwerk. Prijsopgave volgt van de gebroeders van Schaik en deze zetten de zaak voorlopig in de grondverf.

Verenigingswerk en zondagsschool

Al eerder waren er pogingen ondernomen om een mannenvereniging op te richten; het is er echter niet van gekomen. Van Barneveld probeert het opnieuw in 1941, krijgt daarvoor de volle steun van de kerkenraad maar zou veel liever zien dat het initiatief daartoe niet uit de kerkenraad maar uit de gemeente zou komen.

Op advies van de generale synode gehouden in 1941, waar met gesloten deuren is gesproken over de verhoudingen van de kerkelijke verenigingen tot de toenmalige overheid, zal de kerkenraad nauwlettend toezicht houden op de catechisatie, de jongelingsvereniging en alle andere verenigingen en op de aktiviteiten om er voor te waken dat "er wat zou kunnen gebeuren hetwelk met ons beginsel in strijd zou zijn". Vermoedelijk wordt hier gedoeld op de houding tegenover de bezetter en gedachten die al te provocerend zouden kunnen zijn; het kerkelijk leven werd immers nog redelijk met rust gelaten, hoewel de Wekker verboden was.

Op de tweede kerstdag 1942 wordt het kerstfeest met de kinderen van de zondagsschool gevierd ten huize van Derks aan de Molenstraat. Het wordt tegelijkertijd een evangelisatie-bijeenkomst; kinderen van alle gezindten zijn welkom. De Molenstraat was, zeker in die tijd, een dankbaar evangelisatiegebied. Er woonden veel kinderen uit eenvoudige gezinnen.

Begin 1943 telt de gemeente 165 leden, de opkomst onder de kerkdiensten is zeer verblijdend, 's morgens 100 tot 110 bezoekers, 's middags 70 tot 80. Het geestelijk leven bloeit hetgeen blijkt uit het grote aantal aktiviteiten in de gemeente; er is een zondagsschool, een jongelingsvereniging, een vrouwenvereniging, een meisjesvereniging en in de toekomst, zo wordt bekend gemaakt op de ledenvergadering, zal ook een mannenvereniging worden opgericht.

Pastoraat en gemeentelijk leven

Hoezeer de gevolgen van de oorlog in de eigen gemeente merkbaar worden, blijkt vooral uit de mededeling van van Tricht in augustus 1941 dat zijn zoon en het gemeentelid W. Pureveen vermoedelijk op transport naar Duitsland zullen worden gesteld. Beiden volgen op dat moment de belijdeniscatechisatie; het is zaak dat zij zo spoedig mogelijk openbare belijdenis van het geloof afleggen omdat te verwachten is dat zij zeker de eerste drie tot zes maanden niet naar hun gezin zullen terugkeren. Ds. de Bruyne is dan kort daarvoor gestart met een belijdeniscatechisatie voor gehuwden. Enkele jonge leden worden inderdaad in 1943 weggevoerd naar Duitsland.

Met waardering wordt de brochure ontvangen die door ds. D. Henstra met Pasen 1941 is uitgegeven over de tekst: "Houdt in gedachtenis dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt". Het is een tekst die niet alleen zicht geeft op paasdagen maar ook van grote betekenis is in een donkere en angstige tijd waarin het lijkt dat niet de Heere regeert maar de bezetter en de onderdrukker. De kerkenraad besluit daarvan 100 exemplaren te bestellen en deze te verspreiden onder de gemeenteleden.

Ondanks het feit dat de gemeente in ds. de Bruyne een eigen predikant heeft en de noodzaak van de door de weekse diensten, die immers vooral werden gehouden om eens een dominee te kunnen horen, eigenlijk niet meer zo gevoeld wordt, worden deze in de wintermaanden toch doorgezet. Als er maanlicht verwacht kan worden, worden deze in de avond gehouden; maar bij donker weer in de middag. Dat alleen in de maanden september t/m februari; daarna wordt er weinig opkomst verwacht. Vele gemeenteleden hadden werk dat met de landbouw of de veeteelt te maken had, en dan is de periode vanaf maart niet de meest gunstige tijd om door de week nog kerkdienst te houden. In 1942 worden de biddag- en dankdagdiensten gehouden 's morgens om tien uur en 's avonds om zeven uur, echter vanwege de weersomstandigheden (er was geen brandstof voor de verwarming) niet in de kerk maar in de consistorie. Als het erg koud is, vervalt de vereniging; de weinige brandstof die er nog is, mag alleen en dan nog minimaal gebruikt worden voor de zondagse eredienst.

De jaarlijkse ledenvergadering is voor ds. de Bruyne altijd een uitgelezen gelegenheid om een pastoraal onderwerp voor de gemeente te behandelen. In april 1942, na het overzicht van de penningmeester en de scriba, wordt de bedoeling van het huisbezoek en het gezag van de ambtsdrager uiteengezet. Ook daarin herkennen we ds. de Bruyne als een dominee met gezag die weet wat hij van de gemeente wel en niet kan verwachten maar ook waartoe de ambtsdrager geroepen is. Huisbezoek moet er eigenlijk iedere keer rond het Heilig Avondmaal worden afgelegd. Mooi is het om te lezen dat mevr. de Bruyne publiekelijk de vraag stelt aan haar man waarom het dan niet meer wordt gedaan. Is dit niet een teken van verslapping? Al deze zaken zijn door scriba Muts gedetailleerd genotuleerd, waardoor we een goed beeld krijgen van de toenmalige gang van zaken. In twee jaar tijd is de gemeente met 52 leden gegroeid; de komst van ds. de Bruyne wordt rijk gezegend! Maar zorg over het geestelijk leven is er voortdurend; de vorm is er wel maar het leven uit de genade wordt teveel gemist.

Ds. de Bruyne is er echter de man niet naar om dit met de mantel der liefde te bedekken of een gemakzuchtig oogje dicht te doen. Een broeder, die naar de mening van de kerkenraad het niet te nauw neemt met het derde gebod, wordt vermaand zich van het Heilig Avondmaal te onthouden en uiteindelijk onder censuur gezet.

Vanwege de slechte weersomstandigheden in de strenge winter 42/43 en de verduistering, wordt het huisbezoek uitgesteld tot het voorjaar. De doordeweekse diensten worden om dezelfde reden tijdelijk gestopt. De aanvangstijd van de middagdienst wordt, vanwege de vroeg invallende duisternis, vervroegd naar drie uur.

Mevr. de Bruyne wordt in dezelfde periode benoemd tot voorzitster van een commissie die belast is met de opvang van evacués, als deze door de oorlogsomstandigheden hun woningen zouden moeten verlaten.

Kerk en pastorie

Een aantal jaren is weinig vernomen over de narigheid rondom de betaling van het plaatsengeld. In de begintijd van de gemeente was dit een belangrijke bron van inkomsten, maar het was niet eenvoudig om onwillige gemeenteleden, die weigerden te betalen of het "vergaten", te dwingen tot de orde. Bovendien, wat aan plaatsengeld binnenkwam, kon door gemeenteleden die daarop tegen waren, heel gemakkelijk worden "gekort" op de vrijwillige bijdrage of zondagse kollektes. Diaken Kersten wil er in ieder geval van af, maar de kerkenraad durft het nog niet aan.

Kerk en pastorie zijn inmiddels tegen brand verzekerd. Het risico was te groot, bovendien kon men ook niet anders. Verzekering was een voorwaarde om de financiering rond te krijgen. De pastorie naast de kerk is verhuurd tot eind maart 1942; op die datum loopt het huurkontrakt af voor de woning waar ds. de Bruyne zolang zijn intrek heeft genomen. Dan blijkt dat de huurster van de eigen pastorie, Julianalaan 88, nog geen andere woongelegenheid heeft gevonden. De kerkenraad kan de ontruiming afdwingen maar acht dit, in het besef dat ook christelijke adeldom verplicht, niet op zijn plaats. Hoezeer ook een genereuze en christelijke houding beschaamd kan worden, blijkt wel in het najaar als dan de pastorie zonder toestemming van de kerkenraad is onderverhuurd. En toch zoekt de kerkenraad naar een mogelijkheid om dit op een rustige wijze op te lossen. Diaken van Dijk stelt in 1943 voor de pastorie maar te verkopen. De baten wegen niet op tegen de kosten. Er zal een gemeentevergadering worden belegd waarbij de kerkenraad machtiging zal vragen om de verkoop ter hand te nemen.

Deze ledenvergadering verloopt niet zo gemakkelijk; het gaat de gemeente, vooral de oudere leden die vanaf het begin lid zijn, aan het hart als deze "kapitale" woning, die zo prachtig naast de kerk ligt, verkocht zou worden. Bovendien, had ds. de Bruyne niet bij zijn komst de wens te kennen gegeven dat hij daar graag zou wonen? Vanwaar dan deze verandering? De praeses antwoordt daarop dat hij, zeker ook vanwege zijn kleine gezin, nu liever wil blijven wonen aan de Oranjelaan, waarop van der Post verzucht dat er niets veranderlijker is dan een mens. De financiële argumenten geven echter de doorslag. Spoedig daarop wordt de pastorie, die dus slechts anderhalf jaar door een dominee is bewoond, verkocht. Wonderlijk genoeg wordt er nogal geheimzinnig gedaan over de prijs die de pastorie heeft opgebracht. Op de ledenvergadering van januari 1944 wil de kerkenraad daarover aanvankelijk geen enkele mededeling doen; slechts wordt verwezen naar de vermindering van de schuldenlast die van fl. 24.000,-- is gedaald naar fl. 11.750,--. We kunnen slechts gissen naar de reden waarom de kerkenraad deze informatie niet wil verstrekken, maar de kerkenraad wordt daartoe gedwongen door de ledenvergadering. Na onderling beraad volgt ook de toelichting over deze geheimzinnigheid; helaas is deze niet in de notulen opgenomen.

Het laatste oorlogsjaar

Het najaar van 1944 en de daarop volgende winter zijn niet alleen voor het land maar ook voor de gemeente buitengewoon moeilijk en somber. De oorlog duurt al zo lang, brandstof is er bijna niet meer, en hoe nijpend de voedselvoorziening wordt, blijkt vooral uit een schrijven van de synode van de Ned. Hervormde Kerk over toewijzing van brood voor het Heilig Avondmaal. De vergadering van de classis wordt voor onbepaalde tijd uitgesteld. De nood van de omstandigheden doet de kerkenraad besluiten vanaf oktober P.J. Drost wekelijks op woensdagmiddag een biduur te laten houden. Tussen juli 1944 en mei 1945 komt de kerkenraad slechts vier keer bijeen. Verkiezing van de ambtsdragers vindt niet meer plaats, er zijn geen kandidaten te vinden; huisbezoek in de winter kan door de verduistering en slechte wegen maar moeilijk plaats vinden en wordt daarom dikwijls uitgesteld. Bij de weinige huisbezoeken die nog worden afgelegd, gaat ds. de Bruyne meestal alleen op stap. Het land maar ook de kerk snakken naar de vrede en naar een toekomst die weer hoop biedt.

3.9 Mei 1945 - 1950

De kerkenraad

De eerste kerkenraadsvergadering na de beëindiging van de oorlog wordt gehouden op 21 mei. Zoals dikwijls na een periode waarin weinig is vergaderd zijn een aantal zaken in het ongerede geraakt en moet er eerst het nodige worden geregeld voordat de kerkenraad aan het gewone werk toekomt. Soestdijk is roepende gemeente van de classis Amersfoort, maar door de oorlogsomstandigheden was de vergadering die in het najaar van 1944 bijeen diende te komen, uitgesteld. Het eerste wat de kerkenraad nu doet is deze vergadering bijeenroepen op dinsdag 19 juni; ds. de Bruyne en ouderling van Tricht worden afgevaardigd.

In oktober 1945 deelt van Tricht opnieuw mee te willen terugtreden uit de kerkenraad; huiselijke omstandigheden en gezondheidsredenen dringen hem daartoe. Ook Muts wil aftreden. Hoewel de kerkenraad best beseft dat het niet eenvoudig zal zijn om nieuwe ambtsdragers te benoemen, ziet men ook wel in dat er geen goede redenen zijn aan te voeren om de verkiezing opnieuw uit te stellen. T. van Barneveld en G.H. Kersten worden uit een viertal gekozen tot ouderling maar beiden bedanken. Daarna wordt opnieuw een viertal gesteld met een tweetal voor diaken omdat men tegelijkertijd het aantal diakenen wil uitbreiden. J. Derks wordt tot ouderling gekozen en neemt zijn benoeming aan, P.J. Drost daarentegen bedankt voor zijn verkiezing tot ouderling en ook Nap heeft bedankt voor zijn benoeming tot diaken. Omdat de kerkenraad geen kans ziet om nieuwe dubbeltallen te stellen, worden, onder verwijzing naar art. 22 D.K.O. (de procedure die de kerkenraad al eerder heeft gevolgd) zonder verkiezing opnieuw B.S.J. van der Post benoemd tot ouderling en P.J. Drost tot diaken. Indien deze broeders hun benoeming aannemen, zal daarvan mededeling worden gedaan aan de gemeente en de gelegenheid worden gegeven om eventuele bezwaren in te dienen. Dit is allemaal goed verlopen, en de nieuwe broeders worden voor het eerst als ambtsdrager begroet in de kerkenraadsvergadering van 27 februari 1946. Scriba van Dijk is op deze vergadering niet aanwezig; deze heeft inmiddels bedankt. Ondanks de bemiddeling van ds. de Bruyne is hij niet tot andere gedachten te bewegen.

De funkties worden als volgt verdeeld: ds. L. de Bruyne, 1e voorzitter; ouderling J. Derks, 2e voorzitter; ouderling B.S.J. van der Post, scriba; diaken P.J. Post, penningmeester kerk; G.H. Kersten, penningmeester diakonie. Twee weken later al bedankt van der Post voor zijn benoeming, maar komt op sterk aandringen van ds. de Bruyne op dit besluit terug. Hij wordt dan de eerste evangelisatie-ouderling. In mei 1946 vertrekt hij naar Amsterdam, waardoor er opnieuw een vacature ontstaat.

Hoe moeilijk het voor de kerkenraad is om kandidaten te stellen voor ouderling blijkt wel uit de notulen van 5 juli 1946. Zonder dat de kerkenraad kandidaten heeft gesteld, worden de manslidmaten bijeen geroepen om uit een vrije stemming een ouderling te kiezen. Dat word dan H. Christiaans die op zondag 4 augustus is bevestigd en direkt tot scriba wordt benoemd.
In december 1946 besluit de kerkenraad in zijn geheel aan te blijven maar diaken Kersten is het daarmee niet eens. Hij wil aftreden, maar de kerkenraad weet hem te bewegen in ieder geval tot de ledenvergadering aan te blijven. Dat duurt Kersten echter te lang; hij heeft heel andere plannen. Reeds enkele weken later stuurt hij een brief met de mededeling dat hij bedankt als diaken en met zijn hele gezin overgaat naar de Gereformeerde Gemeente. De kerkenraad stelt dan het het tweetal F. van Schaik en T. van Barneveld waaruit van Schaik wordt gekozen. Deze bedankt voor zijn benoeming waarna een nieuw tweetal wordt gevormd, C. Schippers en J.D. Westeneng. Op de ledenvergadering van 4 april 1947 wordt Westeneng gekozen die zijn benoeming aanneemt.

Ouderling J. Derks heeft na de ledenvergadering van 2 mei 1947 om persoonlijke redenen bedankt; de kerkenraad heeft tot december nog getracht hem tot andere gedachten te brengen maar Derks blijft bij zijn besluit. Er is dan dus slechts één ouderling. Deze situatie duurt voort tot eind 1948, dan stelt de kerkenraad een tweetal voor ouderling, de broeders S. van de Post en D.J. Westeneng en voor diaken de broeders J. van der Heijden en A. Pothoven. De verkiezing is bedoeld als uitbreiding; het mandaat van de zittende kerkenraadsleden is met een jaar verlengd. Westeneng en van der Heijden worden gekozen en nemen beide hun benoeming aan.
De funkties worden als volgt verdeeld: voorzitter ds. L. de Bruyne, 2e voorzitter ouderling D.J. Westeneng, 1e scriba ouderling H. Christiaans, 2e scriba J. van der Heijden, penningmeester kerk P.J. Drost, penningmeester diakonie J.D. Westeneng.

Het mag tegenwoordig als stijlvol worden beschouwd dat de ambtsdragers gekleed zijn in een zwart kostuum, in die tijd was dat geenszins het geval. Dit blijkt uit het voorstel van het vroegere kerkenraadslid Muts, die van mening is dat de diakenen, als zij kollekteren, dit behoren te doen met zwarte handschoenen aan. Maar Drost antwoordt daarop dat zij dan ook over een zwart pak moeten beschikken, hetgeen niet het geval is. Dus, staat het in de notulen, zal het ook wel niet doorgaan.

Pastoraat en kerkdiensten

Het slechte kerkbezoek van de mannelijke leden in de avonddienst is in mei 1945 aanleiding voor de kerkenraad om de catechismuspreken om de veertien dagen 's morgens te houden in plaats van 's avonds. In een preek over het achtste gebod (gij zult niet stelen) schijnt ds. de Bruyne later nogal krasse dingen te hebben gezegd over het niet aan het werk gaan van de onderduikers; een dame uit de gemeente komt zich daarover namelijk beklagen.
In maart 1946 wordt op verzoek van de classis Amersfoort aangegeven hoe de kerkenraad de grenzen ziet van de kerkelijke gemeente Soestdijk. Deze liggen als volgt:
Soesterberg behoort kerkelijk onder Zeist.
Vanuit Amersfoort gezien de rechte lijn Birkhoven tot aan de Eem.
Vanuit Baarn gezien ten oosten en zuiden van de Praamgracht, bij het koninklijk paleis.

In die tijd worden enkele jongelui ernstig vermaand wegens cafébezoek en dansles.

De aangekondigde uitbundige festiviteiten bij de viering van 1 jaar bevrijding, zijn voor de kerkenraad aanleiding om een ernstige oproep te doen uitgaan. Op voorstel van ds. de Bruyne wordt besloten "de kerk en de consistorie ter beschikking te stellen voor diegenen die langs de weg één of meerdere onderdelen van het feest hebben bijgewoond en die moe zijn geworden, en nu een poosje willen uitrusten. Welnu, ga dan naar de consistorie, dan kunt ge uitrusten. Er zal voor voldoende afleiding gezorgd worden en ook de dorstige keelen zullen er verkwikking vinden. Ieder is vrij om te komen en weer te gaan. Waar dus de wereld haar vermaak in de kroeg zoekt, hoopt de kerkenraad dat onze jonge mensen aan dit aanbod niet zullen voorbijgaan."

De bejaarden, die niet meer in de kerk kunnen komen, zullen volgens rooster eenmaal in de maand worden bezocht. In die tijd wordt de gemeente gevoelig gekonfronteerd met het vertrek van een aantal leden. Het is de periode waarin de Gereformeerde Gemeente begint met het houden van eigen kerkdiensten; er waren nogal wat leden waarvan hun wortels lagen in de Gereformeerde Gemeenten, maar die zich hadden aangesloten bij de Christelijke Gereformeerde kerk van Soestdijk omdat er nu eenmaal geen "eigen" kerk in Soestdijk bestond. Maar daarin komt nu verandering en de toch al beproefde gemeente wordt nog verder gelouterd. T. van Barneveld, wonend aan de Dorresteinweg nr. 9 bedankt met zijn gezin; N. van Tricht (een zoon van de vroegere ouderling) en zijn vrouw vertrekken eveneens. Een welkome aanvulling betekent echter de komst vanuit Utrecht van P.C. Benschop en zijn gezin.

Grote drukte wordt er verwacht als Prof. G. Wisse in juni 1946 komt spreken over "De atoombom". Het centraal verband van de verenigingen dat deze avond organiseert, heeft in overleg met de kerkenraad daarvoor de Gereformeerde kerk aan de Julianalaan, die zo'n duizend kerkgangers meer kan bevatten, afgehuurd.

Kerk en koster

Het plaatsengeld, al jaren een probleem, wordt lang niet door alle leden betaald. Ook komt het voor dat sommige leden, die hun plaatsengeld wel tijdig hebben betaald, anderen op hun plaats aantreffen hetgeen dan natuurlijk best wel verkeerd valt. De kerkenraad neemt daarom zelf de taak op zich om het plaatsengeld te innen.

De koster, T. Slagboom, wordt opnieuw op het matje geroepen. In de oorlog heeft hij de consistorie en soms de preekstoel als onderduikadres gebruikt, hetgeen de kerkenraad oogluikend heeft toegestaan, maar de tijden zijn nu veranderd. Slagboom heeft echter nog geen ander plekje opgezocht, erger nog, hij heeft inmiddels ook de fietsenbewaarplaats tot zijn werkplaats ingericht, hetgeen de kerkenraad wel wat te gortig is. Hij wordt niet alleen vermaand maar ook gemaand om werk te zoeken; volgens zijn mededeling heeft hij zich inmiddels aangemeld bij de militaire dienst. Al eerder is Slagboom vermanend toegesproken omdat hij de sleutels van kerk en consistorie zonder toestemming aan anderen heeft afgegeven; de kerkenraad heeft hem daarop met ontslag gedreigd. Of dit alles te maken heeft met de tijdelijke overdracht van zijn funktie aan J. Peeters als koster, is niet bekend; in juni 1945 wordt hem echter, onder dankzegging voor 13 jaren trouwe dienst eervol ontslag verleend. Bij de aanstelling van de nieuwe koster wordt tegelijkertijd een reglement opgesteld dat door de koster dient te worden ondertekend. Peeters en zijn vrouw doen dit werk echter, zoals al door de kerkenraad was afgesproken, voor een korte periode. Aan het eind van 1945 nemen C. Polman en zijn vrouw, die dan vanuit Zwolle zijn binnengekomen, het kosterschap over. Drie maanden daarna houden ook zij het voor gezien, waarbij ouderling Derks meedeelt dat zijn zoon er wel voor voelt. W. Derks en zijn vrouw worden in maart 1946 tot koster benoemd, maar als deze in september weer bedankt laat de kerkenraad de vacature voorlopig onvervuld. Derks blijft echter waarnemen tot april 1949 en krijgt in die tussentijd enige vrouwelijke assistentie. In juni 1949 wordt J. Peeters opnieuw in deze funktie benoemd.

In de consistorie was in die tijd een schooltje gehuisvest. Ondanks de beëindiging van de oorlog is er dan nog steeds niet voldoende brandstof; er komt in februari 1946 een noodkreet van de koster dat er nog voor een week voorraad is waarop de diakenen de opdracht krijgen te proberen aan sintels te komen.

Het fietsenhok is inmiddels dringend aan vervanging toe, maar er is geen geld en geen hout. In de eerste jaren na de oorlog was er grote schaarste aan brandstof en bouwmaterialen. In de winter is het daardoor steenkoud in de kerk, dikwijls wordt er in de consistorie gekerkt. Bij de samenzang diende het kerkorgel, dat op behoorlijke afstand stond, als begeleiding; van een homogeen gebeuren zal wel geen sprake zijn geweest. Catechisaties worden om dezelfde reden gehouden ten huize van ds. de Bruyne, die daarvoor enige extra vergoeding krijgt als tegemoetkoming in de kosten van verwarming.

Financiën

Zoals de laatste jaren op iedere kerkenraadsvergadering gebruikelijk, wordt de financiële gang van zaken besproken. Het blijkt dat in 1945 vier leningen tot een totaalbedrag van fl. 2.550,-- zijn kwijtgescholden echter onder de voorwaarde van voorlopige voortzetting van rentebetaling, waardoor de werkelijke schuldenlast dan nog fl. 8.850,-- bedraagt. De in Soestdijk zeer bekende huisarts dr. de Vos, heeft aan de kerkenraad een schrijven gezonden, waarin deze hartelijk bedankt voor de kollekte van fl. 152,-- die de kerk heeft gehouden ter bestrijding van tuberculose. Het protestants-christelijk sanatorium Zonnegloren (later ziekenhuis) heeft in kerkelijk Soest altijd een grote plaats gehad. Ook in die tijd waren meerderen van het verplegend personeel lid van de gemeente.

De kollekten werden in die tijd door de diakenen mee naar huis genomen in een onverzegeld geldzakje; terecht dat de kerkenraad daarover een reprimande ontving op de gemeentevergadering. Aanleiding geven tot verleiding is ook af te keuren.

"Emeritaat" ds. de Bruyne

Volgens het jaarboekje is in 1940 aan ds. de Bruyne, toen hij dus in Zwolle stond emeritaat verleend. Maar volgens de notulen heeft ds. de Bruyne op 21 maart 1946 aan de kerkenraad medegedeeld dat hij aan de gemeente Zwolle heeft gevraagd hem met ingang van 15 mei 1946 emeritaat te verlenen en dat hij zich dan met ingang van die datum geheel zal losmaken van de gemeente Soestdijk. Deze informatie kan niet juist zijn, hij was immers al emeritus predikant. Al langere tijd tobt hij dan met zijn gezondheid en moet, op dringend aanraden van huisarts en specialist, stoppen. De gemeente wordt bij elkaar geroepen, waarbij zijn uitgenodigd de mannelijke en vrouwelijke leden alsmede de doopleden boven de achttien jaar. Ds. de Bruyne wil graag zelf toelichting geven op zijn besluit om, ook al valt het hem niet mee, na 38 jaar te hebben gewerkt in de wijngaard van de Heere, terug te treden.

Hij blijft als ouderling echter wel voorzitter van de kerkenraad. De eerste kerkenraadsvergadering in 1947, als de gemeente het ambtelijk werk van ds. de Bruyne begint te missen, is voor hem aanleiding om de kerkenraad met nadruk te wijzen op de roeping om in vertrouwen in de Heere voort te gaan. De gemeente wordt gelouterd, zeker ook vanwege de teleurstellingen in het beroepingswerk (zie hierna), "maar laat de liefde en opoffering in de dienst van de Heer mogen leiden tot verdieping in het genadeleven". Woorden die karakteristiek zijn voor ds. de Bruyne. Enkele maanden is de predikant wegens ziekte niet in staat te preken en pastoraal werk te doen. Catechisaties worden waargenomen door zijn zoon ds. I. de Bruyne te Hilversum. In april 1947 is ds. L. de Bruyne weer aanwezig bij de kerkenraadsvergaderingen; vanaf die tijd preekt hij alleen de eerste en de derde zondag van de maand in Soestdijk. Op 16 juni 1947 staat ds. de Bruyne 40 jaar in he ambt en preekt ter gelegenheid daarvan in Zwolle, de gemeente waar hij met emeritaat ging.

De commissie van advies

De problemen rond de dagelijkse gang van zaken, waarmee ds. de Bruyne in zijn ambtsperiode in Soest is gekonfronteerd, zijn voor hem aanleiding om, voordat hij vertrekt, een "commissie van advies" te benoemen, bestaande uit vier leden van de gemeente en een kerkenraadslid. Deze wordt gevormd door de broeders Jonker, H. Christiaans, J.D. Westeneng, H. Nap en P.J. Drost.

De taak van deze commissie luidt:

  • Het bijeenbrengen van een reservefonds om te komen tot het beroepen van een predikant.
  • Bij bijzondere uitgaven het mede beoordelen of zulk een post door de kerkenraad kan worden uitgetrokken.
  • Het, in overleg met de kerkenraad, opstellen van een begroting.
  • Om de drie maanden het bespreken van de financiën.

De funkties van voorzitter, secretaris en boekhouder dienen onderling te worden verdeeld.

Beroepingswerk

Op dezelfde vergadering, waarop ds. de Bruyne mededeling doet van zijn voornemen om het werk in Soestdijk af te bouwen, vraagt de kerkenraad aan de gemeente hoe men voort wil gaan: iedere week een dominee voor een doordeweekse dienst uitnodigen of zo spoedig mogelijk overgaan tot het beroepen van een predikant? De eerste mogelijkheid wordt afgewezen, vooral omdat, naar de mening van een aantal leden, een weekdienst wel meer volk trekt maar niet leidt tot groei van de gemeente. Op gasten en bijloop kan geen predikant worden beroepen. De kerkenraad acht het dan verstandig om de leden de gelegenheid te geven namen op te geven van predikanten die de voorkeur hebben en wellicht door Soestdijk beroepen kunnen worden. Acht namen worden genoemd, de predikanten H. van Leeuwen, J. Kampman, H.W. Eerland, D.H. Biesma, J.C. Maris, W. Heerma, J. van Dalen en B. Nederlof. De toekomstige dominee zal een traktement ontvangen van fl. 3.000,-- plus vrij wonen. Op voorstel van P.J. Drost wordt ds. H. van Leeuwen in de vergadering van 17 april 1946 bij acclamatie beroepen. Tegelijkertijd wordt een financiële bijdrage van fl. 300,-- gevraagd bij ds. J. Tijmes, secretaris van de kas voor hulpbehoevende gemeentes, als tegemoetkoming in de kosten van een eigen herder en leraar. Niet de gehele aanvraag wordt gehonoreerd; er volgt een toewijzing van fl. 200,-- wanneer een predikant het beroep zou aannemen. Ds. van Leeuwen bedankt echter voor het beroep.

De kerkenraad wil dan eerst een overzicht van de financiën voordat opnieuw een beroep wordt uitgebracht. Op voorstel van P.J. Drost zal ook wat verder worden gekeken dan de bekende lijst van geliefde predikanten; alle predikanten van de kerk zullen worden verzocht een zondag te komen preken. Het is een schoon plan dat al even gemakkelijk wordt verlaten als aangenomen. Al heel spoedig wordt het oog gericht op de Theologische School te Apeldoorn. De kerkenraad is van plan een kandidaat te beroepen. Kandidaat C. van de Weele wordt in juli 1946 beroepen, maar deze bedankt. Opnieuw wordt een groslijst opgesteld, ditmaal met de namen K.G. van Smeden, L. Floor, H.W. Eerland, P. Dijkstra, B. Nederlof, P.H. Seggelink, P. Westerloo en W.A. Zijlema. Er wordt echter geen beroep uitgebracht maar wel wordt, een beetje wonderlijk is het wel, in december 1946 bij acclamatie ds. M.W. Nieuwenhuijze te Den Haag beroepen. Ook deze bedankt. Dan krijgt de gemeente de gelegenheid om briefjes met namen van predikanten die men beroepen wil, in de kollektezak te doen. Een nieuw tweetal volgt, ds. A. gruppen te Elburg en ds. L. Floor te Amsterdam-Noord. Eerstgenoemde ontvangt het beroep maar bedankt.

Omdat de kerkenraad langzamerhand niet meer weet welke predikant of kandidaat te beroepen, krijgen de leden de gelegenheid om een tweetal te vormen uit twaalf namen die de kerkenraad voorstelt. Een onbewuste aanzet tot kerkelijke democratie. Ouderling P.J. Drost is echter van mening dat er beter gewacht kan worden tot kandidaat J. van Genderen beroepbaar is. De vergadering gaat met dit voorstel akkoord waarbij de kerkenraad gevraagd wordt van te voren reeds met deze kandidaat te overleggen. De ouderlingen Drost en Christiaans krijgen de opdracht om bij hem op bezoek te gaan; het is echter gebleven bij een telefoongesprek van Drost. Kandidaat van Genderen heeft toen per brief geadviseerd niet op hem te wachten maar rustig door te gaan met het beroepingswerk, daar hij nog niet wist welke weg de Heere met hem zou gaan. Dit antwoord is op de ledenvergadering van 2 mei 1947 voorgelezen. Opnieuw worden namen gesuggereerd, ditmaal van zeven predikanten, maar er wordt geen beroep uitgebracht. De kerkenraad besluit te wachten tot de kandidaten A.C. Noort en K.J. Velema beroepbaar zijn. Noort wordt daarop beroepen maar deze bedankt. Weer wordt de naam van kandidaat van Genderen genoemd; deze blijkt zeer begeerd te zijn maar is nog steeds niet beroepbaar omdat deze de studie heeft voortgezet. Het geduld van de kerkenraad wordt danig op de proef gesteld en er wordt besloten hem een brief te sturen om nu eindelijk eens te vernemen wanneer het zover is. Soestdijk hoort hem graag. Er volgt een briefwisseling.

Kort daarop neemt de kerkenraad kontakt op met de kerkenraad van Baarn om eens na te gaan of er gezamenlijk beroepen kan worden, maar Baarn voelt daar niet voor. Eemdijk krijgt hetzelfde aanzoek, maar ook de broeders daar reageren afwijzend. Het valt voor de kerkenraad van Soestdijk allemaal niet mee.

Geruime tijd is het dan stil rond het beroepingswerk; op de vergadering van 19 april 1948 met de leden van de gemeente wordt welliswaar gevraagd daarmee door te gaan, maar de kerkenraad houdt dit af onder verwijzing naar de krappe financiële positie van de gemeente. Het ledental gaat alleen maar achteruit en de schulden zijn nog steeds groot, ondanks de giften die de laatste tijd zijn ontvangen. Spontaan stellen enkele leden zich garant tot een bepaald bedrag. Dit werkt stimulerend op de kerkenraad zodat nog tijdens deze vergadering de leden worden uitgenodigd om namen te noemen van predikanten die men zou willen beroepen. Dan wordt er opnieuw een lijstje opgesteld, zoals al enkele malen eerder is gebeurd, maar een beroep wordt voorlopig niet uitgebracht.

Rekening houdend met de boeren in de gemeente, die niet om vier uur in de kerk kunnen zijn omdat dan de koeien nog niet zijn gemolken, word de aanvangstijd van de middagdienst gewijzigd naar vijf uur. Op de eerste kerstdag 1948 wordt slechts één keer dienst gehouden; de middag is gereserveerd voor de zondagsschool. Ds. de Bruyne gaat dan het preken in Soestdijk verminderen; daarmee komt er, aldus de toelichting van de voorzitter, wat meer financiële ruimte die de gemeente hard nodig heeft. De gemeente gaat daarmee akkoord, maar enkele leden benadrukken opnieuw dat er dan meer oude schrijvers gelezen moeten worden. In de doordeweekse diensten gaan dan vooral voor de predikanten I. de Bruyne van Hilversum en P. de Smit van Zeist.

Orgelfonds en orgel

Lange tijd is er niets van het orgel en het orgelfonds gehoord. Alleen de benoeming in juli 1944 van Jan van Schaik tot orgeltrapper is bekend, nadat Adr. van Tricht voor deze funktie had bedankt. Er bestond echter nog steeds een orgelfonds, maar toen de financiële nood het hoogst was, is er geleend uit het orgelbusje. Met de afbetaling van deze lening zal het wel net zo gegaan zijn als met de rentebetaling van vele obligaties: de vordering wordt niet betwist, het komt er wel, maar zolang er geen geld is kan er niets worden terugbetaald. En als er al wat is, gaan dan vanzelfsprekend de rentebetalingen aan de geldschieters voor.

Direkt na de oorlog benoemt de kerkenraad een nieuwe orgelcommissie, bestaande uit de eerste organist H. Nap, de tweede organist E. van Setten en assistente Adri de Bruyne, tezamen met de heren Keesmaat en J. Peeters. De commissie krijgt de opdracht om door middel van een maandelijkse rondgang gelden te verzamelen voor een ander orgel. In maart 1946 is er reeds fl. 545,-- in kas.

Van Setten bedankt in augustus 1946 als organist. Hij behoort met zijn familie tot de Gereformeerde Gemeente, die dan inmiddels is begonnen met het houden van kerkdiensten. Hierdoor is hij gedwongen afscheid te nemen en tevens te bedanken als lid van de orgelcommissie. Tegelijkertijd worden hun zitplaatsen opgezegd. H. Christiaans wordt als afgevaardigde van de kerkenraad benoemd in de orgelcommissie. De organist krijgt een vriendelijke vermaning met de opdracht om 10 minuten voor de aanvang van de dienst te spelen maar wel te stoppen als de kerkenraad binnenkomt. Er is dan echter nog geen "stoplicht" bij de orgelbank; een teken met de hand moet genoeg zijn. Later wordt dit een bel.

J.B. van Schaik bedankt in augustus 1947 als orgeltrapper, maar blijft aan zolang niet in de vacature is voorzien. Ouderling Drost overlegt met een broer om deze taak over te nemen. De orgelcommissie wordt uitgebreid naar zes leden, waaronder Delia van Schaik (dochter van F. van Schaik). Tevens wordt organist Nap gemaand om zich "wat meer toe te leggen op het spelen van de psalmen en zaterdags reeds het orgelbriefje te halen". Of nu de veroorzaker van de zangproblemen de gemeente was, die de psalmen niet kon zingen of de organist die met de onbekende liederen moeite had, is niet bekend. Het ging in ieder geval niet zoals het behoort. Nap wil een jaar later echter bedanken maar wordt door de kerkenraad overgehaald om toch maar door te gaan. In maart 1949 stopt hij er alsnog mee; het orgelfonds beschikt dan over fl. 754,58.

In 1949, de commissie is dan alweer enkele keren van samenstelling gewijzigd, worden Fros en van der Heijden toegevoegd aan de commissie. Fros is niet alleen voorzitter, maar tevens een bekwaam organist. Deze zet vaart achter de aankoop van een ander orgel en komt op de kerkenraadsvergadering van 3 oktober met een konkreet voorstel om een tweeklaviers pedaalharmonium aan te kopen. De broeders Drost, van der Heijden en Fros krijgen de opdracht om gezamenlijk het orgel, dat de commissie op het oog heeft, nog eens te gaan horen en keuren. Als hun oordeel positief uitvalt, dan kan tot koop worden overgegaan. En aldus geschiedt. De originele offerte van orgelhandel Ganzevoort te Zwolle, die het Hofberg harmonium heeft afgeleverd tegen inruiling en bijbetaling van fl. 2.500,-- bevindt zich nog in het archief van de kerkenraad. Het is één van de zeer weinige stukken uit de correspondentie van vóór 1950 die zijn bewaard gebleven.

Voor de financiering, waarvoor dus fl. 2.500,-- moest worden bijbetaald, heeft de kerk een lening afgesloten van fl. 1.600,--. Dit harmonium heeft dienst gedaan tot 1968, toen het Flaes pijporgel werd aangekocht. Voor fl. 600,-- is het toen verkocht aan organist en orgelhandelaar Egbert Woelderink uit Hattem.

Veel vreugde heeft de organist echter niet aan het instrument beleefd, na enkele maanden komt hij zich op de kerkenraadsvergadering beklagen over de gemeentezang die, ondanks het nieuwe orgel, zich weinig van de begeleiding aantrok.

Breder kerkelijk leven

De aktiviteiten van de kerkenraad in het bredere kerkelijk verband bleven over het algemeen beperkt tot kennisname van hetgeen er plaats vond, maar van een daadwerkelijk meedoen was nauwelijks sprake. Het lag de kerkenraad ook niet zo, bovendien had men de handen vol aan de eigen gemeente. Wel werden op kerkenraadsvergaderingen uitgebreid de vergaderingen van de classis verslagen, waarvan dikwijls het belangrijkste punt was welke predikanten waren aangewezen om de vakante gemeente te dienen.
Enige uitzondering van een externe aktiviteit is de zending; daaraan wordt, ook in de moeilijke jaren, altijd veel aandacht besteed. Durkstra wordt in april 1948 benoemd tot voorzitter van de op te richten zendingscommissie en de meisjesvereniging wordt gevraagd om gelden op te halen. De correspondente voor de zending, A. Brand, weet 27 leden te abonneren op "Uw Koninkrijk Kome" en 32 zendingskalenders te verkopen. Als er maar wat aktie achter gezet wordt, lukt het in Soestdijk meestal wel.

Enkele jaren na de oorlog wordt de blik wat breder. A. Pothoven wordt benoemd tot afgevaardigde van de gemeente in het interkerkelijk comité voor geestelijke verzorging van militairen, echter wel met de uitdrukkelijke bepaling dat besluitvorming dient plaats te vinden in overleg met de kerkenraad. Een verzoek van de Gerformeerde Kerken onderhoudende art. 31 NGB (de Vrijgemaakt Gereformeerde kerken) om samenspreking, wordt beantwoord met een voorstel om tijd en plaats vast te stellen. Het heeft wel een hele poos geduurd voor men het daarover eens kon worden, over de werkelijke verschillen is men nog steeds niet uitgepraat.

Een verzoek van de Ned. Herv. Kerk (huidige Gereformeerde Bondsgemeente) om ons kerkgebouw te mogen gebruiken voor kerkdiensten wordt afgewezen, gezien de verschillen in de gemeente en de onrust die dit zou kunnen veroorzaken. Wel reageert de kerkenraad positief op het voorstel van de Hervormde Gemeente om de Goede Vrijdag als een zondag te vieren; het is er echter nooit van gekomen. En zo blijft deze grote dag in het kerkelijk jaar het stiefkind onder de christelijke feestdagen.

Hoofdstuk 4. Gesprekken met gemeenteleden over de periode tot 1950

4.1 Gesprek met mevr. N. van de Broek-Westeneng te Maarssen

Toen uw ouders (dus mijn grootouders) in de jaren 1926/1927 besloten om met het gehele gezin over te gaan naar de Christelijke Gereformeerde kerk in Soest, was u een jaar of tien, elf. Kunt u zich daarvan nog iets herinneren?

Er was in die tijd, wat ik zou willen noemen, nogal wat "kerkoorlog". Het was natuurlijk bekend dat we regelmatig de diensten bezochten van de Christelijke Gereformeerde kerk; daardoor kwam er veel bezoek van de kerkenraad van de Gereformeerde kerk waar we toen lid waren. Wat ik me daarvan nog heel goed kan herinneren is het bezoek van een ouderling die aan mijn vader vroeg "wat we eigenlijk bij die scheurmakers zochten?" Vader is toen, hoewel hij niet gauw kwaad werd, erg boos geworden. Moeder heeft aan dat gesprek een einde gemaakt door er op te wijzen dat op zo'n gesprek geen zegen kon rusten.

Eén van de grondleggers van de Christelijke Gereformeerde kerk in Soest is ouderling Floor geweest; uit alles blijkt dat deze man grote achting genoot. Weet u nog wat van hem te herinneren?

Het bezoek van de Gereformeerde broeders ging altijd verstoord weg. Dat is ook wel een beetje te begrijpen, want mijn ouders stonden zeer sympathiek tegenover de Christelijke Gereformeerde kerk. Maar dan kwam ouderling Floor op bezoek, dat was altijd heel aangenaam. Moeder gaf hem dan een gemakkelijke stoel en een glaasje melk en Floor, een Godvrezende en dankbare man, sprak altijd over zijn lieve Heere en vertelde van Gods zorg. Wij als kinderen luisterden graag naar hem. Wat heeft die man veel voor de kerk gedaan!

Hebt u nog kerkdiensten meegemaakt in de gebouwen van Legemaat?

De eerste kerkdiensten werden gehouden in de koeienstal van de witte boerderij van Legemaat; de boerderij, met de naam Linquenda, stond onder aan de weg die nu de Waldeck Pyrmontlaan heet. Ik zie nog de palen waar de koeien aan vast werden gezet, maar het was er wel altijd schoon. Er stonden zo'n 20 tot 25 stoelen, ds. Salomons uit Amersfoort preekte door de week en Floor was meestal voorlezer. Later hadden we ook ouderling Plomp; we hadden toen al de kerk in gebruik genomen. Ik kan me nog goed herinneren dat hij zoveel fouten maakte bij het lezen en de moeilijke woorden soms maar oversloeg. Plomp bracht zijn vrouw, die niet meer lopen kon, in een rieten mand naast de fiets naar de kerk; als wij dan naar de kerk gingen, hielpen we hem duwen omdat het hem niet gemakkelijk viel de hoogte van de Eng, waar de kerk staat, op te komen.

Hebt u wel eens iets gemerkt van de financiële problemen die er na enkele jaren ontstonden? Uit de notulen blijkt dat die niet gering waren.

Ik heb er vaak over horen praten maar ik was te jong om dat te begrijpen. De gemeente was heel arm; van diakonale zorgen heb ik nooit wat gehoord. Toen we trouwden, dat was bij ds. Visser van Bunschoten, hebben we de trouwbijbel zelf betaald; dat was afgesproken.

U hebt waarschijnlijk nog catechisatie gehad van de eerste predikant die in Soest stond, ds. B. Oosthoek. Er is van hem maar weinig bekend, hij heeft hier ook maar kort gestaan. Hebt u nog herinneringen aan hem? En wat weet u nog van het gemeentelijk leven in de jaren twintig?

We moesten al heel jong naar de catechisatie, maar bovendien ging dat ook heel lang door. Zo ben ik niet alleen op catechisatie geweest bij ds. Oosthoek maar ook bij ds. Bijdemast. Ik weet dat er in de tijd van ds. Oosthoek wat problemen zijn geweest maar voor ons was hij een heel innemende en lieve man. Hij heeft veel geleden onder de moeilijkheden. En wat het gemeentelijk leven betreft, weet ik vooral dat er een kleine kern was, die in alles en onder alle omstandigheden trouw bleef en veel voor de dienst van de Heere en voor elkaar over had. Maar er waren ook velen die "kwamen en gingen".

Hoe ging dat in die tijd met de verwarming in de kerk? Zelf heb ik later ook nog wel het een en ander meegemaakt, maar u weet daarvan ongetwijfeld veel meer. Daarover doen mooie verhalen de ronde.

De koster, een man met een schipperspet, porde onder het zingen de stoven op met een grote haarspeld. De kinderen van het weeshuis zaten op stoelen vlak bij de kachel; als de kachel plofte, en dat gebeurde nog wel eens, sprongen ze verschrikt van de stoel; flinke rookwolken dreven dan de kerk in.

Als laatste een heel belangrijke vraag. Hoewel er ook in de jonge gemeente moeite en zonde is voorgekomen, blijkt toch dat er een diep geestelijk leven was. Kunt u daarvan wat vertellen, ook van de latere jaren tot u, nu al 58 jaren geleden, uit Soest bent vertrokken?

Dat kan ik van harte beamen. Er werd echt diep geestelijk gesproken en er was een oprechte Godsvreze te bemerken. We hadden het zojuist over een konflikt dat eens bestond; nog weet ik dat de gemeente daar werkelijke door ontdaan was. De gemeente leed er onder; dat kon je voelen, ook al was ik nog erg jong. Veel is er tegenwoordig verbeterd, ook in de kerk; maar wat het geestelijk leven betreft denk ik met weemoed terug.

Vriendelijk dank, tante. Van harte Gods zegen en vertroosting toegewenst.

J.C. Westeneng

Gesprek met de heer W. Derks

U bent in 1917 geboren en daarmee niet alleen in jaren één van de oudste leden van de gemeente, maar u behoort ook tot diegenen die het langst lid zijn in de Christelijke Gereformeerde kerk van Soest. Het ledenboek geeft daarover geen uitsluitsel, dat werd vroeger niet zo nauwkeurig bijgehouden, maar hebt u bijvoorbeeld ds. Oosthoek nog meegemaakt, die van 1926 tot 1928 in Soest stond?

Ik kan me van ds. Oosthoek niet zoveel meer herinneren. We waren, toen in Soest een Christelijke Gereformeerde kerk was geinstitueerd, overgekomen uit de kerk van Amersfoort; ik was toen een jaar of acht. In die tijd en ook daarna was Floor ouderling, een bekende en geziene persoonlijkheid. Wel weet ik nog heel goed dat ik, toen ds. Oosthoek trouwde, bruidsjongetje was. De trouwerij van de dominee was dus echt een gemeentelijk gebeuren; ook heb ik nog catechisatie van hem gehad.

Waarschijnlijk weet u dan ook nog wel iets van het weeshuis?

De kinderen uit het weeshuis moesten op stoelen zitten; de banken waren voor anderen gereserveerd. De weesvader was best een belangrijk man; als hij jarig was gaf hij een klein feestje en dan mochten de kinderen van de gemeente, daar behoorde ik dus ook bij, ook komen. In de crisisjaren kregen we wel eens wat extra's uit de gaven die in de kerken werden ingezameld voor het weeshuis; ik weet nog dat we twee sneetjes brood en een ei kregen van "de brokjes die overbleven".

U bent o.a. voorzitter geweest van de knapenvereniging en van de jongelingsvereniging. Wat was het verschil en hebt u nog meer funkties of taken gehad in de kerk?

De leeftijdsgrens lag bij 15 jaar; vanaf vijftien ging je naar de jongelingsvereniging. Ik ben later ook enkele jaren zo'n beetje koster geweest; voor mij hield dat in dat ik in de winter in de nacht van zaterdag op zondag om drie uur de kachel moest aanmaken; om zes uur ging ik dan weer naar de kerk op een bakfiets met kolen of hout. Anders zou de kachel al uit zijn voor de kerkdienst begon. Mijn vrouw Annie was presidente van de meisjesvereniging en leidster van de zondagsschool; later zijn daar mevr. de Bruyne en haar dochter Adri bijgekomen. Nog ontmoet ik mensen, hier in het zorgcentrum en van andere kerken, die dankbare herinneringen hebben aan die tijd. Mijn moeder en later ook mijn vrouw bespeelden dan het orgel. U moet bedenken dat de zondagsschool toen veel meer een evangelisatie-zondagsschool was voor de kinderen uit de omgeving. Dat waren bijeenkomsten die je nooit meer vergeet, er waren veel kinderen bij die gewoonlijk nooit in de kerk kwamen.

Uw vader is een aantal jaren ouderling geweest. Wat betekende dat voor u thuis?

Natuurlijk was er op de meeste zondagen geen predikant die in de diensten voorging maar werd er door de ouderlingen tweemaal een preek gelezen. Vader "oefende" dan thuis hardop, de kinderen moesten daarbij aanwezig zijn. Eigenlijk waren het "huisgodsdiensten" waarbij vader ook voorging in gebed, alleen werd er niet gezongen. Zodoende hoorde ik dikwijls drie preken, maar dat vonden we heel gewoon.

Wat weet u van ds. Bijdemast die in Soest heel gezien was? Weet u nog opmerkelijke bijzonderheden uit die jaren of daarna?

Van ds. Bijdemast kan ik me niets meer herinneren. Wel vond ik het vreemd dat een bruidspaar de trouwbijbel zelf moest betalen; zo is het ook ons overkomen. Veertien dagen nadat we getrouwd zijn, kwam de kerkenraad met de rekening die we ook heel netjes hebben betaald.

Het is mij opgevallen dat de kerk meer dan eens een heel moeilijke periode heeft doorgemaakt, zelf weet ik nog van een periode eind 40 / begin 50 dat we 's morgens in de consistorie met misschien 25 of 30 mensen leesdienst hadden. In de middagdienst gebruikten we de kerkzaal, want dat was er een dominee en (dus) meer belangstelling. Was dat gebruikelijk?

We waren gewend aan preeklezen dus dat behoorde zo. Wel geloof ik dat de kerk in Soest niet meer bestaan zou hebben als die gezinnen, die ook onder de leesdienst altijd trouw kwamen, het toen hadden laten afweten.

Ik heb nog twee moeilijke en ook wel wat gevoelige vragen. De eerste gaat over de uitdrukking die men mij vroeger wel eens heeft toegevoegd dat het hier "een kerkje van Westenengen en van Schaiken zou zijn". Ik heb dat altijd een verdrietige opmerking gevonden, omdat ik in zo'n gemeente geen lid laat staan ambtsdrager zou willen zijn; ik wil alleen bij een gemeente van Christus behoren. Maar wat vindt u daarvan?

Ik vind die typering grote onzin. Er waren er veel meer die er bij hoorden en die trouw naar de kerk gingen. Zouden die er dan niet bij horen? Nee, dat is de grootste onzin! Ik heb nooit begrepen wat ze daarmee bedoelden.

We hebben net uw vrouw genoemd die aktief betrokken was bij de zondagsschool. Ik heb haar slechts enigszins gekend, wel weet ik dat ze heel lang ziek is geweest. Zoudt u iets over haar en over die moeilijke tijd willen vertellen?

Annie is 27 jaar ziek geweest, ze heeft 10 jaar in het ziekenhuis gelegen. In 1969 is ze op 49-jarige leeftijd overleden. Meer dan eens ben ik opstandig geweest en heb gevraagd waarom, waarom o Heere, moeten we zo'n lange en diepe weg van beproeving gaan? Ik heb eigenlijk nooit goed begrepen hoe ik in die tijd de moed, het geduld en de hoop heb kunnen opbrengen om voort te gaan. Pas later, nadat Annie was overleden, heb ik gezien dat God met dit alles ook een bedoeling heeft. Een verpleegster van het ziekenhuis waar mijn vrouw verbleef, heeft mij toen verteld hoe een zwaargewonde dronken vrouw werd binnengebracht op de zaal waar ook mijn vrouw lag. Toen de roes voorbij was en duidelijk werd dat deze vrouw niet lang meer zou leven, bleek ze vijandig tegenover alles wat met godsdienst te maken had. Ze wilde geen dominee aan haar bed, en met niemand leek het, wilde ze praten over haar naderend einde. Enkele dagen later is ze gestorven, echter niet verloren maar behouden; juichend van Gods genade is ze heengegaan. De verpleegster heeft het mij verteld: God heeft de gesprekken van Annie gezegend!

Dan stokt het gesprek; het is ook genoeg. Soli Deo Gloria.

J.C. Westeneng

Hoofdstuk 5. De periode van 1950 tot 1975

5.1 Zeven jaren vakant (1950 tot eind 1957)

Ds. L. de Bruyne blijft ouderling

Nadat ds. de Bruyne zijn hulppredikerschap heeft neergelegd, breekt opnieuw een vakante periode aan. In veel opzichten is deze periode niet gemakkelijk.
De gemeente is kleiner geworden als gevolg van de instituering van de Gereformeerde Gemeente in 1947. Ook de maatschappelijke omstandigheden zijn niet rooskleurig. De Tweede Wereldoorlog is nog maar enkele jaren voorbij en de wederopbouw van ons land is in volle gang. En dat vraagt offers.

Ds. de Bruyne blijft ouderling en blijft ook voorzitter van de kerkenraad. Gelukkig kan men enigermate steunen op de ervaring en kennis van de oud-predikant. Ook preekt hij nog zo nu en dan, zij het dat tijdens een ledenvergadering in 1951 een gemeentelid vraagt: "waarom het zondag weer twee keer preeklezen is en waarom ds. de Bruyne zo vaak wegging?". Het antwoord blijkt niet uit het verslag, maar aangenomen mag worden, dat hierbij ook de krappe beurs van de gemeente een rol speelde. Er waren geen geldmiddelen om elke zondag een predikant te vragen. Bovendien was er in die jaren duidelijk sprake van een predikantentekort in de Christelijke Gereformeerde Kerken. Men kon dus ook niet altijd iemand vinden.

Ds. de Bruyne overlijdt

Op 21 juni 1951 overlijdt ds. de Bruyne op ruim 70-jarige leeftijd.
In het jaarboekje van 1952 treffen we een "In Memoriam" aan.
We nemen het hier over:

IN MEMORIAM DS. L. DE BRUYNE

"Christus in alles". Dit woord, als spreuk aan de wand van zijn studeerkamer, is voor ds. Leendert de Bruyne ten volle werkelijkheid geworden.
Maar wanneer de Heere Zijn Woord verwerkelijkt in ons leven, doet hij het menigmaal langs geheel andere wegen dan wij zouden begeren. Christus verheerlijkt Zich niet zelden in het kruisdragen achter Hem.
Zo heeft Hij het althans ook gedaan in het leven van ds. De Bruyne, die de Chr. Geref. Kerken 44 jaar in het ambt mocht dienen.
In het Wegeling op ter Bottinge, onder Grijpskerke (Walcheren) werd Leendert de Bruyne op de bekende datum der Afscheiding, 14 October in het jaar 1880, geboren.
In 1885 verhuisden vader en moeder de Bruyne naar Vlissingen, waar werk gevonden werd. Op de school aan de Palingstraat kreeg de jonge Leendert zijn eerste onderwijs. Toen hij met zijn 12e jaar de school kon verlaten zou hij schoenmaker worden. Maar naar zijn hart was het niet.
Wie aan Leendert, toen hij 10 jaar was, gevraagd had, wat hij het liefst zou willen worden, zou gehoord hebben dat hij Zendeling zou willen zijn. En zijn levendige ogen zouden de ernst van dit begeren hebben onderstreept.
Echter eerst wilde Christus alles in dit jonge leven worden.
Vader en moeder de Bruyne vreesden de Heere. In gebed en gesprek zochten zij het hoogste goed voor hun kinderen.
Het hart ging uit naar de ambtelijke dienst. Veel preekte Doc. F.P.L.C. van Lingen destijds in Vlissingen. Onder een preek over Mozes werd het de jonge de Bruyne duidelijk dat hij met Doc. Van Lingen over zijn begeerte moest spreken. Dit werd gedaan en de weg waarin het doel dichterbij kwam, werd geopend. Bij Doc. J. Wisse, tevens predikant van den Haag, zou de Bruyne in huis komen om wat vooropleiding te ontvangen en tevens de pastor hulpdienst te verlenen. Met blijdschap werd "de zaak" van de hand gedaan en intrek genomen in de pastorie aan het Oranjeplein te den Haag.
God baande verder de weg en najaar 1899 werd de 19-jarige ingeschreven als student aan de Theol. School.
Al de jaren van zijn opleiding is student de Bruyne huisgenoot van Ds. Wisse gebleven. Zo stond hij onder zeer directe invloed van deze veteraan. Dat heeft mede dat bijzonder pastorale stempel gezet op de toekomstige dominee.
11 september 1906 mocht student de Bruyne als candidaat beroepbaar verklaard worden. Nu wenkte de vervulling van een lang gekoesterde wens.
Uit de op hem uitgebrachte beroepen nam hij dat naar Maassluis aan. Ook hier echter was Gods weg weeer anders. Bij de stemming voor dit beroep bleken formele fouten te zijn begaan, zodat de classis den Haag het ongeldig moest verklaren. Weer was candidaat de Bruyne beroepbaar. In deze wachtenstijd overleed zijn vader, nog maar 53 jaar oud. Dit bracht diep leed in het leven van de beproefde candidaat. De Heere verliet hem echter niet. De weg naar Harlingen werd geopend. Daar deed de echte Zeeuw, de Bruyne zijn intree onder de Friezen, na bevestigd te zijn door Doc. Wisse. De begeerte van de jonge dominee sprak in de keuze van de intree-tekst "opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds, met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het evangelie bekend te maken." Efeze 6: 19.
Toch aardde Ds. De Bruyne niet bij de Friezen. In 1909 riep Bunschoten. Dit beroep werd aangenomen. Zes jaar werd hier gewerkt. De Bruyne placht te zeggen: "daar ben ik dominee geworden".
Zaamslag volgde in 1915 op Bunschoten. Een nieuwe gemeente, uit de Geref. Kerken teruggekeerd naar de wegen der Afscheiding, en een Zeeuw onder de Zeeuwen.
In 1922 riep Zwolle, Een gans ander arbeidsveld. Maar Ds. de Bruye wist zich aan te passen. 18 jaar lang werd in volledige overgave gewerkt. Een trouwe pastorale zorg gaf hem een grote plaats in zijn gemeente. Rouw kwam over de pastorie, maar ook vreugde.
Naast de eigen gemeente vroegen veel omliggende plaatsen zoals Nieuwleusen, Zwartsluis, Hasselt, Heerde veel arbeid. Nooit was het de Bruyne teveel. Hij zocht kennelijk zichzelf niet. Naast het eigenlijke kerkelijke werk gaf hij ook zijn krachten aan andere taken. Elk kende in Zwolle de levendige kleine domine.
Het is een gevaar voor de ambtsdrager teveel van lichaams- en geestkracht te vergen. Christus is alles moet dan soms geleerd worden.
In 1940 kon Ds. de Bruyne dit tempo niet meer volhouden. Diep en pijnlijk heeft hem dit getroffen. Meer dan hij zei. Hij was nog "maar" 60 jaar. En hij was aan Zwolle gehecht. Daar had hij zijn eerste vrouw begraven, zijn zilveren jubileum gevierd, zijn vernieuwde kerk helpen bouwen, daar waren zoveel herinneringen en banden. De Heere te volgen was moeilijk. Het heeft dan ook een stempel gezet op de laatste jaren van zijn leven, die de moeilijkste geweest zijn. God remde de drukke de Bruyne af. Door de stormen heen stelde Christus, Die alles wil zijn, het kompas van dit leven af op de koers der eeuwigheid. De weg leidde naar Soestdijk, waar de emeritus van Zwolle, ouderling en hulpprediker werd. Zo zei hij zelf bij voorkeur, want hij hield van zuivere kerkrechtelijke lijnen. Hier kon hij weer dienen. En dat was zijn lust. Toch bleef de strijd in zijn leven. Christus is alles. Ja, op de preekstoel zag de Bruyne het menigmaal. God was goed en Hij deed het goed. En dan getuigde hij ervan met warmte en diepte. Maar in het leven blééf de strijd. Zondag 17 juni zag de kerk van Nunspeet hem voor het laatst op de preekstoel. Met warmte sprak hij van het uitzicht op Kanaän. Wist hij dat hij er dicht bij was? 's Woensdags bezocht Ds. de Bruyne nog de Meisjesbondsdag in Amersfoort. Donderdagmiddag ging hij nog per fiets op huisbezoek en vermaande ernstig.
's Avonds kwam de benauwdheid.
Hij brengt ook de strijders thuis. En hun werken volgen met hen, maar zij vormen geen grond.
De Kerkeraad van Zwolle gaf zijn emeritus-predikant een eervolle begrafenis. Ds. J.H. Velema had de leiding bij deze plechtigheid, waarbij zeer velen tegenwoordig waren.
Ds. Leendert de Bruyne rust op het Kerkhof, waar ook vele schapen van zijn Zwolse kudde rusten en met hem verbeiden zij de dag van Christus' glorie, waarop Hij alles in allen zal zijn.

K.

Ontwikkeling van het gemeentelijk leven

We gaan nu zien hoe het gemeentelijke leven zich in die zeven vakante jaren ontwikkelde.
In de plaats van ds. de Bruyne wordt broeder Christiaans voorzitter van de kerkenraad. Deze broeder is eind 1950 tot ouderling herkozen, na een ambtstermijn van vier jaar. Hij blijkt de juiste man op de juiste plaats.
Hij fungeert vaak als "buffer" voor kerkenraadsleden met uiteenlopende meningen. Hij zet zich in om de gemeente bijeen te houden.
Want de kerkenraad krijgt - juist ook in een vakante tijd - met veel problemen te maken.
We noemen er een aantal:

  • In september 1950 kunnen de catechisaties niet worden gehouden want "er is geen predikant bereid die te geven"; in oktober vindt men evenwel de eerwaarde heer Roos (de latere ds. M.S. Roos) uit Naarden bereid om dit te doen; in 1951 gaat deze taak over naar ds. I. de Bruyne te Hilversum-Centrum.
  • Een ouderling bejegent een student op 'onheuse wijze' en moet er door de voorzitter toe gebracht worden zijn excuses aan te bieden.
  • In november 1951 lezen we: "het zingen is ook slecht en verschillende broeders brengen het voor en tegen ter sprake..." (waarvan vraag je je af).
  • Ook de aanvangstijd van de middagdienst houdt de gemoederen bezig; sommige leden vragen om 17.00 uur te beginnen; de veehouders willen 18.00 uur; "er kon geen besluit worden genomen".
  • De te lezen preken geven ook stof tot discussie; sommigen vinden dat de te lezen preken uit de prekenserie "Uit de Levensbron" gekozen dienen te worden; anderen vinden dat de keus (veel) breder mag zijn; daarnaast zijn er opmerkingen over de lengte van sommige preken; u begrijpt: een discussie "die voor geen der beide partijen bevredigend wordt opgelost".
  • Bij stemmingen voor ambtsdragers zijn er vaak heel weinig leden aanwezig; ds. Vlietstra "wijst op het belang van deze zaken en betreurt de geringe opkomst (4 leden en 4 'briefjes')"; veel gekozenen 'bedanken' zodat de zittingstermijn regelmatig een jaar wordt verlengd.

Kennelijk heeft ook het kerkbezoek te leiden van afkalving, want in 1954 wordt besloten dat de predikanten die 's middags voorgaan, de gemeente er op moeten wijzen "dat er ook op zondagmorgen dienst is en dat niemand die kan komen, verantwoord is om thuis te blijven omdat het leesdienst is". Broeder Benschop neemt op zich om ouden van dagen met de auto te rijden.

Men wordt het echter niet eens over een kostenvergoeding hiervoor.
Ds. Vlietstra gaat na zijn komst in Eemdijk, de catechisaties geven.
In 1954 biedt ds. W. Ruiter van Baarn aan om voortaan de kerkenraadsvergadering te gaan leiden. Al spoedig gaat hij ook mee op huisbezoek.
Later lezen we, dat hij het jammer vindt, dat hij zo weinig in Soest preekt. Hoe komt dat, vraagt hij? Is het opzet dat hij niet wordt gevraagd? Het antwoord blijft duister.

Uit het voorgaande blijkt veel menselijke zwakheid en gebrek aan trouw en eensgezindheid.
Ondanks al deze tekortkomingen mogen we echter niet voorbijzien aan de vele zegeningen die ook genoten werden. Ook in deze vakante periode gaat de Heere door met het bouwen en bewaren van Zijn kerk. Er wordt ook gesproken over geestelijke zegeningen, van jonge mensen die van harte begeren hun geloof in het midden van de gemeente te belijden, van aktiviteiten van ambtsdragers en gemeenteleden. Kortom, ondanks uiterlijke zorg en moeite, blijft de gemeente, gemeente van onze Heere Jezus Christus, waar het Evangelie klinken mag, waar mensen zich buigen voor de Heere en waar het geloof wordt gewerkt en gesterkt.
Dat wonder van Gods genade moet altijd tot verwondering brengen. De Heere bouwt, ondanks menselijke zonden en zwakheden, Zijn gemeente, ook in moeilijke perioden.

Kerkgebouw

Er zijn voortdurend zorgen over de staat waarin het kerkgebouw zich bevindt. In 1951 klaagt broeder J.H. Drost, namens de J.V. dat de boeken vochtig worden.
Broeder Fros - een technisch geschoold man - attendeert op de slechte staat van de achtermuur en komt met een plan voor gasverwarming.
Vele kerkenraadsvergaderingen wordt er over grote en kleinere plannen gesproken. Besluiten blijven echter uit. Er is geen geld.
In september 1952 komt broeder Fros echter melden "dat hij, na de jongste storm, niet langer de verantwoording durft te nemen". Hij vraag volmacht om 3 trekstangen te vervangen. Hoewel er geen gelden beschikbaar zijn wordt besloten "de voorziening te maken".
Broeder P.J. Drost (diaken en penningmeester) zal proberen een hypotheek te krijgen. Welnu, dat lukt spoedig. De volgende vergadering deelt hij mee een hypotheek te hebben afgesloten van fl. 8.000,-- tegen een rente van 4,5 % en zonder direkte aflossingsverplichtingen.
Dit heeft tot gevolg, dat nu een grotere opknapbeurt wordt uitgevoerd, inclusief de aanleg van gasverwarming. Totale kosten fl. 11.864,01. Daarom wordt naast de hypotheek nog een geldlening van fl. 2.500,-- gesloten.
Overigens verloopt het werk niet geheel zonder discussie. Men beschuldigt de aannemer er van, dat hij sloophout en lood heeft meegenomen. Alles wordt in der minne geregeld: de aannemer brengt geen meerwerk in rekening.

Orgel

In 1953 wordt aan de kerkenraad gemeld, dat het orgel versleten is. Men besluit het te verkopen. "De scriba zal het in Om Sions Wil zetten".
Er wordt een orgelfonds gevormd. Namens dit fonds komt in 1955 iemand ter kerkenraadsvergadering om te vragen of de kerkenraad ook iets wil afdragen aan het orgelfonds, omdat "het orgel misschien eerder versleten is, vanwege het medegebruik door de Hervormde Evangelisatie". (De kerk werd vanaf 1953 verhuurd aan de Vereniging voor Evangelisatie in de Hervormde Kerk (op Geref. Grondslag); de voorloper van de Ichthuskerk).
In dat jaar wordt ook een organist ontslagen, omdat "hij de dienst niet waarneemt en niet op de kerkenraadsvergadering verschijnt...".
Kennelijk blijft het versleten orgel nog steeds in gebruik, want in 1957 lezen we over het kerkorgel: "het zit vol houtworm en is te licht. Een nieuw orgel (harmonium) kost fl. 2.695,--.
Het oude zou fl. 1.425,-- opbrengen, zodat er fl. 1.270,-- te betalen blijft".
U raadt het besluit: het wordt uitgesteld. Eerst maar een proef nemen. Uiteindelijk wordt de koop niet gesloten.

Financiën

Het is goed om u ook een blik te gunnen in de kerkelijke financiën van die dagen.
Zo zijn de opbrengsten van de bid- en dankdagkollekten in 1954: biddag fl. 95,21 en dankdag fl. 178,91.
De penningmeester meldt: "met de vaste bijdragen is het treurig gesteld. Deze zijn in 1954 met de helft teruggelopen en wel tot fl. 667,50 (1953: fl. 1.253,--)".

Gelukkig wordt - zoals gemeld - het kerkgebouw verhuurd aan de Hervormde Gemeente (op Geref. Grondslag). De jaarhuur bedraagt fl. 1.560,--. Dankzij deze inkomsten houdt men het hoofd boven water. Een klacht van de diakenen is nog het vermelden waard: in 1950 (5 jaar na de oorlog!) wordt "er nog steeds 'oud geld' in de kollekte gevonden"; daar heeft niemand wat aan. Maar er zijn ook mooie berichten. Zo deelt de notaris mee, dat broeder C. Plomp (oud-ouderling) aan de gemeente fl. 500,-- heeft gelegateerd, onder voorwaarde, dat zijn graf netjes wordt onderhouden. De kerkenraad aanvaardt deze voorwaarde.

De balans en het overzicht van baten en lasten uit het jaar 1953 werd besproken tijdens de ledenvergadering van 22 maart 1954. Uit kladaantekeningen is nog bekend wie daarbij aanwezig waren. De namen worden vermeld, zoals ze zijn opgetekend: ds. Ruiter (consulent), de Wilde, P. Drost, J.D. Westeneng, Christiaans, Polman, J. Drost, B. van Schaik, Delia van Schaik, H. Westeneng, J. Peeters, (de) Bakker, J. (v.d.) Post, J. van Schaik, Pothoven, mevr. Drost, mevr. van Schaik-de Bruyne, J. Nap, wed. Nap.

Ambtsdragers

Ook na zijn volledig terugtreden, blijft ds. de Bruyne voorzitter van de kerkenraad. Hij blijft dat, tot zijn overlijden in 1951.
Als ouderlingen fungeren dan de broeders H. Christiaans en D.J. Westeneng. Diakenen zijn de broeders P.J. Drost, J. v.d. Heijden en J.D. Westeneng (een broer van de ouderling).
In de vakante periode 1950 tot 1957 worden genoemde ouderlingen meestal elke vier jaar - maar er wordt ook wel eens een zittingsduur verlengd! - herkozen. Van de diakenen vertrekt broeder v.d. Heijden eind 1950. Hij wordt vervangen door broeder H. Garritsen uit Den Dolder. Begin 1952 treed broeder J.D. Westeneng af en in zijn plaats wordt broeder C. de Wit gekozen. Broeder Garritsen vertrekt echter in april 1953 naar Leersum. Dan (mei 1953) komt broeder G. de Wilde als diaken in de kerkenraad. Hij zal zijn ambt tot 1 januari 1971 uitoefenen.

Verenigingen

In de jaren '50 is er nog een afzonderlijke Meisjesvereniging en een Jongelingsvereniging aktief. Maar in de tweede helft van de vijftiger jaren fuseren beide verenigingen tot de Jeugdvereniging "Tot opbouw". Enkele meisjes zijn het er niet mee eens en vertrekken. Het jaarboekje van 1959 meldt als eerste secretaresse mej. E. van Schaik, Dorresteinweg 21.
Ook de vrouwenvereniging "Dorcas" bestaat nog steeds. Secretaresses in de jaren '50: mevr. H. Polman en mevr. B. van de Broek. Kennelijk groeit er behoefte aan een ander soort vrouwenvereniging, want in 1956 bezoeken twee zusters de kerkenraad om te vragen of het goed is dat zij een vrouwenvereniging oprichten. Uit dit initiatief ontstaat de vrouwenvereniging "In dienst der kerk". Zo is de gemeente twee vrouwenverenigingen rijk, zij het tijdelijk.
In het jaarboekje van 1961 blijkt "Dorcas" ter ziele te zijn.
Een mannenvereniging is er gedurende korte tijd. In de jaren 1952 en 1953 is er een mannenvereniging waarvan H. Garritsen in Den Dolder secretaris is.
Hoewel er eind jaren '50 nog een poging wordt ondernomen, zal het tot 1971 duren voordat er weer een mannenvereniging wordt gevormd.

Overige zaken

Vermeldenswaard is nog, dat in 1950 de naam van de kerk is veranderd. Kennelijk houdt men in Soest van veranderingen, want in 1982 gebeurt dat opnieuw (zie aldaar).
Deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid delen namelijk mee, dat de kerk vanaf nu (december 1950) niet meer de naam Soest draagt, maar Soestdijk.
Een andere zaak die aan de vergetelheid wordt ontrukt, is een verzoek van de Vrije Universiteit te Amsterdam aan de kerkenraad om "het 70 jarig bestaan van de VU in prediking en gebed te willen gedenken". U ziet: er kan veel veranderen.

Beroepingswerk

Ondanks de beperkte financiële middelen, leeft toch sterk de behoefte aan een eigen predikant.
Dit vraagt echter het nodige beraad.
Zo wordt in 1952 aan de gemeente gemeld, dat het hebben van een predikant per jaar een bedrag vergt van fl. 6.548,-- (men rekent nog met guldens!). Er komt echter fl. 3.503,-- binnen, zodat er nog fl. 3.045,-- nodig is (of fl. 100,-- extra per gezin).
"Daar de aanwezigen unaniem voelden om verder te werken, gaf een ieder de som waarvoor hij in de kosten wenste bij te dragen en dat gaf een dermate grote blijk van eensgezindheid in dezen, dat na afloop van dit punt, de financiële basis vrijwel gereed was" aldus een zinssnede uit het verslag van een ledenvergadering.
Het komt al spoedig tot een beroep. De kerkenraad stelt in augustus 1952 een tweetal aan de gemeente voor, namelijk: ds. J. van Genderen te Zutphen (de latere professor) en ds. S. van der Molen te Aalsmeer.
Uit dit tweetal wordt ds. van Genderen gekozen en beroepen. Hij bedankt.
Tot een volgend beroep komt het voorlopig (nog) niet. Eerst wordt een poging ondernomen of ds. J. Jongeleen te Bussum, die met emeritaat gaat, bereid is naar Soestdijk te komen.
Dat lukt niet vanwege het ontbreken van geschikte huisvesting. Ds. Jongeleen wordt hulpprediker te Bennekom (station Wageningen).
Vervolgens valt de naam van ds. H. Visser te Sassenheim. Hij laat echter weten, gezien zijn leeftijd, geen gemeente meer te kunnen dienen. Ds. Visser is dan 76 jaar!.

In 1956 wordt nog eens gerekend en blijkt een predikant ("bij laag traktement") fl. 7.200,-- te kosten. Dat kan de gemeente, volgens de kerkenraad niet opbrengen. Men besluit opnieuw te gaan zoeken naar een predikant, die kort voor zijn emeritering staat.
Ds. Ruiter dringt er op aan ds. de Smit van Middelharnis te beroepen. Het voorstel om hem bij acclamatie te beroepen wordt met algemene stemmen aanvaard.
Maar ds. de Smit bedankt. Hij schrijft o.a.: "Toch kan ik nu niet besluiten om uw roeping aan te nemen". Ook hierbij lijkt de huisvesting spelbreker te zijn.
De teleurstelling duurt echter niet lang.
In maart 1957 spreekt de kerkenraad opnieuw over het beroepingswerk. Ds. Ruiter heeft "een lijstje met predikanten meegebracht". Broeder Drost weet een huis te koop en stelt voor opnieuw in kontakt te treden met ds. ds Smit. En deze laat weten op zijn beslissing terug te willen komen. Hij vraagt een tweede beroep. Dat volgt snel en hij neemt dat aan: "En waarom zal ik nu langer dralen door uw beroep nog in overweging te nemen, waar ik ten volle besloten ben tot u te komen" (brief 11 april 1957).

Deputaten hulpbehoevende kerken beloven een jaarlijkse bijdrage van fl. 500,-- in de kosten van het traktement.
Er wordt een commissie van ontvangst benoemd, namelijk de broeders J.B. van Schaik, J.H. Drost, J. v.d. Post en H.W. Westeneng. Eindelijk krijgt de gemeente weer een eigen predikant en kan de geregelde pastorale bearbeiding van de gemeente voluit plaatsvinden.

5.2. Ds. P. de Smit, pastor van Soestdijk (eind 1957 tot eind 1968) (predikant van 27 november 1957 tot 10 september 1961; hulpprediker van 10 september 1961 tot 1 december 1968)

Komst naar Soestdijk

Kort na het aannemen van het beroep krijgt de gezondheid van ds. de Smit een flinke knak.
Dat zal hier en daar wel enige schrik hebben veroorzaakt. Het is kennelijk (aanvankelijk) nogal ernstig, want De Wekker plaatst er een bericht over. Leest u maar:

Ds. P. de Smit
Tijdens de vergaderingen van het curatorium, waartoe ds. de Smit behoort, overviel hem een ongesteldheid. Na een week verzorgd te zijn, ten huize van prof. Hovius, kon hij vanuit Apeldoorn naar de pastorie te Middelharnis vervoerd worden.
Ds. de Smit maakt het nu redelijk maar moet absolute rust houden.

Maar het gebeuren verhindert hem gelukkig toch niet om zich aan Soest te verbinden.
Op 27 november 1957 wordt ds. de Smit bevestigd tot predikant van Soestdijk.

Ds. W. Ruiter van Baarn - die zich zo beijverd heeft voor zijn komst - bevestigt hem met een preek over Johannes 3: 29 en 30: "Die de bruid heeft is de Bruidegom, maar de vriend des Bruidegoms, die staat en Hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des Bruidegoms. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden. Hij moet wassen, maar ik minder worden".
's Avonds doet ds. de Smit intrede met de woorden uit 1 Kor. 2: 4 en 5: "En mijn rede en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht; Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods".

Ontwikkeling van het gemeentelijk leven

Al direkt na zijn komst ontvalt broeder P.J. Drost aan de gemeente, na jaren het diakenambt en het penningmeesterschap te hebben vervuld.
Dit is een groot verlies voor de gemeente. Zijn zoon J.H. Drost volgt zijn vader op als diaken.
Ds. de Smit begint met hier en daar enkele veranderingen door te voeren.
Kennelijk komen de ouderlingen en diakenen door verschillende deuren de kerk binnen. Ds. de Smit maakt daar een eind aan. Hij stelt voor "dat de kerkenraad geheel door één deur naar binnen gaat".
De aanvangstijden van de kerkdiensten heeft hij al aangesneden, voordat hij in Soestdijk kwam.
Hij schrijft: "Hoe staat het met de diensten op zondag? Kunnen we straks op gewone tijden kerk houden, bijvoorbeeld om 10.00 uur en 17.00 uur? Dat zal tot de opkomst bijdragen".
Ook zijn traktement staat al spoedig ter discussie. Niet door hemzelf, maar door een besluit van de classis Amersfoort. De classis spreekt namelijk uit, dat het minimum-traktement binnen de classis fl. 5.000,-- per jaar dient te bedragen. Kennelijk bestonden er (nog) geen landelijke regelingen. Dat leidt in een kerkenraadsvergadering tot het volgende: "Aangezien wij daar nog fl. 1.000,-- (!) onder zitten, zal kontakt worden opgenomen met deputaten hulpbehoevende kerken".
Die deputaten verhogen de bijdrage daarop van fl. 500,-- naar fl. 600,--. Er moet dus nog fl. 900,-- bij. En dat is er niet. Uiteindelijk verhoogt men - in strijd met het classisbesluit, het traktement tot fl. 4.500,-- per jaar. Daarmee neemt ds. de Smit genoegen. Of dat van harte gegaan is, is niet meer vast te stellen.
Al kort na de komst van ds. de Smit komt er een verzoek binnen van de Gereformeerde kerk om samen te spreken. Hoe gering de onderlijke communicatie met andere kerken in Soest was, blijkt wel uit de volgende reaktie in de notulen: "Ds. de Smit zal informeren of het gaat om de Gereformeerde kerk of om "artikel 31 (De Gereformeerde kerk (vrijgemaakt) dus).
Het blijkt inderdaad om laatstgenoemde te gaan. Besloten wordt om tot een samenspreking te komen. Het verloop ervan en de resultaten blijven echter volledig in nevelen gehuld.
Geruime tijd later blijkt "dat men het kontakt verder laat rusten".
Wel blijkt, dat het evangelisatiewerk geleidelijk wat aandacht krijgt, zij het bescheiden en ook niet erg positief. Eén van de ouderlingen doet verslag van een door hem bijgewoonde evangelisatiebijeenkomst en wel als volgt: "Dit kan zijn goedkeuring niet wegdragen. Een ernstige prediking, wat toch het voornaamste moet zijn, heeft hij gemist".
Ook de techniek gaat zijn intrede doen in de gemeente. Er komt kerktelefoon en er gaan stemmen op om een bandrecorder aan te schaffen. Daarvoor is echter (voorlopig) geen geld.

Op 30 november 1958 viert ds. de Smit zijn 40-jarig ambtsjubileum.
De Wekker schrijft daarover het volgende:

Ds. P. de Smit
De pastor van de kerk van Soestdijk, ds. P. de Smit hoopt op 1 december a.s. zijn veertigjarig ambtsjubileum te gedenken. Toen de jubilaris in 1918 kandidaat werd aan onze Theol. School nam hij het beroep naar Oud Beijerland aan. Daar werd hij in het ambt bevestigd en diende deze kerk tot 1923. Boskoop genoot daarna van zijn diensten tot 1929. de toen nog ongedeelde kerk van Utrecht beriep ds. de Smit en hij aanvaardde zijn ambtelijke taak in de bisschopsstad. Daar lag het hoogtepunt van de ambtelijke loopbaan van ds. de Smit. In 1946 ging hij naar Zeist tot 1954. Vandaar liep de weg naar Middelharnis dat hij diende tot 1957. Sinds november van dat jaar dient ds. de Smit de kerk van Soestdijk. Daar hoopt hij ook zijn gedachtenispredikatie te houden op zondagavond 30 november. Op dinsdag 2 december is er in de pastorie receptie en des avonds zal er een bijzondere samenkomst in de kerk zijn.

In december 1958 wordt besloten om samen met de Gereformeerde Bond diensten te houden op oudejaarsavond en nieuwjaarsmorgen. Dit gebeuren "haalt" zelfs de landelijke kerkelijke pers (De Wekker 02-01-1959):

Soestdijk
Dat samenwonen in een kerkgebouw moeilijkheden meebrengt is bekend. Vooral op bijzondere dagen zijn deze moeilijkheden vaak groot. In Soestdijk vond men een oplossing. Op Oudejaarsavond zal ds. P. de Smit voorgaan, terwijl de afd. v.d. Geref. Bond dan geen afzonderlijke dienst houdt; op de Nieuwjaarsdag zal prof. dr. J. Severijn voorgaan in de dienst van de Geref. Bond terwijl er dan geen afzonderlijke Chr. Geref. dienst zal zijn.

In 1960 worden weer gecombineerde diensten gehouden, maar nu op Goede Vrijdag en tweede Paasdag. "Op oudejaarsavond willen we liever onze eigen predikant laten voorgaan", aldus de kerkenraadsnotulen.
Inmiddels is de Nieuwe Vertaling ter discussie in ons kerkverband. Ook de kerkenraad buigt zich, op voorstel van ds. de Smit, over de vraag of de N.V. in Soestdijk moet worden ingevoerd. "Hoe denken de broeders daarover". De meeste kerkenraadsleden voelen niet voor invoering en aldus wordt besloten. Toelichting op dat standpunt en vermelding van motieven ontbreken volledig in de notulen. Er zal ongetwijfeld geruime tijd over zijn gesproken, zeker als blijkt, dat dit onderwerp de kerkenraad er toe brengt om een instruktie op te stellen aan de classis Amersfoort.
De instruktie luidt als volgt:
1e: de kerkenraad van Soestdijk vraagt of het niet beter zou zijn om de Nieuwe Vertaling nog niet vrij te geven en
2e: de kerkenraad van Soestdijk vraagt nadere inlichtingen over de gelden van het jeugdsteunfonds.
Er werden dus twee verschillende onderwerpen tegelijk aangesneden.
Wat er van de instruktie geworden is wordt niet vermeld. Wel komt een jaar later de Nieuwe Vertaling nog eens ter discussie, omdat ds. de Smit uitdrukkelijk vraagt "Hoe de broeders staan tegenover invoering". Inmiddels is het standpunt hierover uniform geworden binnen de kerkenraad, want het verslag vermeldt: "Allen zijn tegen invoering".
Inmiddels heeft ds. de Smit te kennen gegeven, dat hij wegens zijn hoge leeftijd en gezondheidstoestand emeritaat wil aanvragen per 1 juni 1961.
Dat hij zijn leeftijd gaat voelen - hij is dan 73 jaar - blijkt ook uit kleine voorvallen. In een verslag van een kerkenraadsvergadering staat de zinsnede: "De ingekomen stukken worden niet behandeld, daar de voorzitter (ds. de Smit) graag vroeg thuis is".
Het emeritaat wordt hem eervol verleend per 1 juni 1961. Volgens de toen geldende regeling bleef de predikant dan nog drie maanden 'voor rekening' van de gemeente.
Dat zal wel de reden zijn geweest, dat afgesproken wordt binnen de kerkenraad, dat het afscheid van ds. de Smit in september 1961 zal plaatsvinden.
Maar het wordt geen echt afscheid. Ds. de Smit blijft aan de gemeente verbonden.

Ds. de Smit hulpprediker (1961 tot 1968); het gemeentelijk leven in die periode

Ds. de Smit is zeer geliefd in de gemeente en vooral de jeugd draagt hem op handen. Daarom vindt de gemeente het erg jammer, dat hij afscheid neemt. Maar ds. de Smit voelt er wel voor om enige hulpdiensten te blijven verrichten. Aanvankelijk gaan zijn gedachten er naar uit om een beperkt aantal zondagen per jaar in Soestdijk te prediken, maar nog voor zijn afscheid stelt hij de kerkenraad voor om er 3 zondagen per maand van te maken. Ook wil hij de catechisaties en het ziekenbezoek blijven doen. Enige tijd later stelt hij ook voor nog mee op huisbezoek te gaan. Zo komt het moment waarop afscheid wordt genomen van de aktieve dienst, maar nog niet van de gemeente van Soestdijk. Op zondag 10 september 1961 is het zover. In dezelfde dienst wordt hij bevestigd tot ouderling en blijft hij hulpdiensten verrichten tot december 1968.

Van ambt tot ambt
Ds. P. de Smit die a.s. zondag wegens emeritering afscheid neemt van Soestdijk, maar daar blijft wonen, is reeds bij acclamatie benoemd tot ouderling.

Soestdijk
Zondagavond 10 september nam ds. P. de Smit afscheid wegens emeritering, na bijna 43 jaar de kerken gediend te hebben. Hij stond achtereenvolgens te Oud Beijerland, Nieuwe Pekela, Boskoop, 17 jaar te Utrecht, Zeist, Middelharnis en de laatste 4 jaar te Soestdijk. De grijze pastor bediende het Woord uit Judas: 24 en 25: Lofzang van de dienaar des Woords. Na de dienst werd hij toegesproken door ds. W. Ruiter van Baarn namens de classis Amersfoort, die hem ook bevestigde als ouderling.

Het gemeentelijk leven ontwikkelt zich positief, mede als gevolg van het pastorale werk van deze oude dominee. Hij is een wijs en beminnelijk mens, die de sympathie van velen wint. Er komen regelmatig nieuwe leden van elders binnen en ook uit andere kerken komen mensen tot de gemeente over. Hierdoor is er sprake van groei in getal. Maar ook in geestelijk opzicht blijken er vruchten op zijn werk. Regelmatig doen jongeren belijdenis van hun geloof. Er blijkt daarbij ook gesproken te worden over de houding van de catechisanten tegenover de viering van het Heilig Avondmaal. Ds. de Smit constateert schuchterheid en wil niet zonder meer "naar het Avondmaal drijven". Maar hij wijst er op, dat het deelnemen aan het Avondmaal "wezenlijk behoort bij het doen van belijdenis van het geloof". Men moet daar ernst mee maken!

Ook in financieel opzicht komt het schip van de gemeente beter op koers te liggen. Regelmatig komen er uitdrukking in allerlei verslagen naar voren, waaruit blijkt, dat de offervaardigheid van de gemeente (opnieuw) is toegenomen. De kerkenraad behoeft ook minder op de rem te trappen als het gaat om het verrichten van noodzakelijke werkzaamheden. Er ontstaan ook verschillende akties om geld in te zamelen. Eerst voor een ander orgel en daarna voor het aanleggen van een nieuwe verwarming. Deze zaken komen hierna nog uitvoerig aan de orde.

De ledenvergaderingen worden ook veel beter bezocht. Dat betekent echter niet dat de kwaliteit ervan ook veranderde. Enkele voorbeelden van zaken die er zoal aan de orde kwamen:

  • Kan er een kapstok gemaakt worden?
  • Wordt het lichtje naar de organist nu spoedig gerepareerd?
  • Wanneer koopt de kerkenraad nu een bandrecorder?
  • Kan de kachel op de gaanderij (die toch niet meer wordt gebruikt) worden verkocht?

In 1962 ontstaan er moeilijkheden met de Gerformeerde Bond. Burgemeester en wethouders van de gemeente Soest schrijven namelijk een brief aan de kerkenraad, waarin zij meedelen, dat de Hervormde Gemeente (op GG) van plan is een nieuwe kerk te gaan bouwen en wel op de hoek van de Prins Bernhardlaan en de Soesterengweg. Dus schuin tegenover onze kerk. De vraag van het gemeentebestuur is of onze kerk daar bezwaar tegen heeft. Wel, daar moet de kerkenraad eens goed over nadenken. De kerkenraad komt tot het volgende standpunt:
"Na rijp beraad wordt met algemene stemmen besloten een bezwaarschrift in te dienen om de volgende redenen:

  • Dat we last kunnen hebben van elkaars orgel.
  • En in de zomermaanden, met open deuren, tevens van gezang.
  • Uit het verkeer en voornamelijk de parkeerplaatsen kunnen moeilijkheden voortvloeien.
  • Tevens, als er een klok aangebracht zou worden, van het geluid van deze klok".

De Gereformeerde Bond vraagt om het bezwaarschrift in te trekken. Er wordt echter met algemene stemmen besloten dit te handhaven.
In de kerkenraadsvergadering van 7 juni 1963 deelt de voorzitter (ds. de Smit) mee, dat de kerkenraadsleden van de Gereformeerde Bond bij hem zijn geweest en "hoe kwalijk zij het ons nemen, dat wij ons bezwaarschrift handhaven. Ds. Fokkema (de Hervormde predikant) is heel tekeer gegaan tegen hem".
De kerkenraad besluit echter opnieuw dat het bezwaarschrift gehandhaafd blijft.
En het heeft geholpen, want de bouw gaat niet door op die plaats.

In oktober 1963 overlijdt broeder Christiaans plotseling. Hij is 17 jaar ouderling geweest en zeer gewaardeerd in de gemeente.

Eind 1964 deelt ds. de Smit mee, dat het preken hem zwaar begint te vallen. De kerkenraad belooft, dat er zoveel mogelijk predikanten van elders zullen worden gevraagd.
Toch blijft hij aktief, want hij blijft preken en catechisaties geven. Wel rijdt broeder van Kootenhem naar de Amersfoortse ziekenhuizen om ziekenbezoek te doen.

In de gemeente blijft hij attent op zaken die verbetering behoeven. Diverse jongeren geven in zijn ogen kennelijk problemen, want hij vraagt aan de kerkenraad of er voor gezorgd kan worden dat "de jongeren zoveel mogelijk uit de hoek (de achterste banken) komen, zodat hij ze allemaal kan zien zitten tijdens de dienst".
Ook de kerkenraad wil hij bijscholen. Besloten wordt om in elke kerkenraadsvergadering een artikel uit de kerkorde te behandelen.
Het effekt van die scholing blijkt echter niet altijd uit de handelingen van de kerkenraad.
Enkele besluiten uit die jaren lijken kerkrechtelijk gezien (op z'n zachtst gezegd) discutabel:

  • Er is een dooplid ingekomen uit een andere gemeente, maar die komt niet in de kerk en wenst dat ook niet te doen. Er wordt besloten "dit dooplid - althans voorlopig - niet in te schrijven".
  • Gezien de grote moeite om kandidaten te stellen voor ambtsdrager, wordt broeder van Kooten gevraagd om nog een jaar "te blijven zitten"; uiteindelijk wordt besloten "om helemaal geen aftreden te houden".
  • Besloten wordt om herkozen ambtsdragers "niet opnieuw te bevestigen".

In 1965 wordt er een brief behandeld van de kerkenraden van Sliedrecht-Centrum en Poederoyen over het besluit van de Generale Synode om de TV te gaan gebruiken voor het uitzenden van evangelisatiediensten.
De kerkenraad deelt het bezwaar van deze kerkenraden en zal dit aan de Synode meedelen.
In november 1965 besluit de Synode, dat het besluit gehandhaafd blijft, maar niet zal worden uitgevoerd.

Op evangelisatie-gebied opent zich een mogelijkheid om in Soest aan het werk te gaan via de Interkerkelijke Evangelisatiecommissie. De kerkenraad is echter tegen deze samenwerking.
Binnen de gemeente komen er ook verzoeken om diverse gebruiken te veranderen.
Zo wordt in een ledenvergadering gevraagd of de kerkenraad zich wil buigen over het staan of zitten van de mannen tijdens het gebed. Ook zijn er die graag de slotpsalm staande zingen.
De kerkenraad "zal het bestuderen". De resultaten ervan blijken echter niet uit de stukken.

Er ontstaat enige onvrede over de weigering van de kerkenraad om een "thermometer" op te hangen in de hal van de kerk om daarop de stand van de "orgelaktie" te vermelden.
Ook de zendingscommissie krijgt de kous op de kop bij het verzoek om een affiche van de te houden zendingsaktie (ABC-Z aktie) op te mogen hangen. Kennelijk is de kerkenraad bang voor precedenten en moeten de 'goeden onder de kwaden' lijden.

In 1967 deelt ds. de Smit mee, dat het werk hem te zwaar wordt. Hij wil stoppen met de catechisaties. Ds. Eerland neemt dat werk over.
In de loop van 1968 zegt hij, dat hij de hulpdiensten tot 1 december hoopt vol te houden, maar dat hij dan volledig wil stoppen.

Kerkgebouw

Bij de komst van ds. de Smit is het kerkgebouw bijna 35 jaar oud. Groot en klein onderhoud zijn regelmatig punt van bespreking.
Enkele voorbeelden:

  • De W.C. buiten (!) zal zo spoedig mogelijk worden opgeknapt (1961).
  • Het schilderen van de banken kost fl. 2.600,-- (1961).
  • Jongeren hebben het schilderwerk op de galerij vernield; dat moet gebeurd zijn door de jeugd van de Gereformeerde Bond (meent de kerkenraad), "want wij gebruiken de galerij niet"; er zal over vergoeding van kosten en de wijze van herstel worden gesproken met de Gereformeerde Bond; één kerkenraadslid wil doorsparen voor nieuwe banken.
  • Begin 1962 wordt vastgesteld, dat de pas geschilderde banken nu al weer zijn bekrast.
  • Er zijn weer hoge kosten aan het kerkgebouw; reparatie van een scheur in de muur en van de goten (1962).
  • De behandeling van de kerk tegen houtworm gaat fl. 540,-- kosten (1963).
  • Het gasstel en de aansluiting zijn afgekeurd door de gasfabriek (1964).
  • In 1965 blijken de tuimelramen te tochten en is de ladder onbetrouwbaar.
  • De kachel in de consistorie is afgekeurd (1965).
  • Nieuwe stalen ramen kosten fl. 3.950,--(1965).

Maar soms kom je ook prettige berichten tegen. In 1964 schenkt de vrouwenvereniging een nieuw doopvont aan de kerk. In 1967 volgt er nog een cadeau: een nieuwe stoel in de kansel.

Ook komt er weer een verzoek om het kerkgebouw mee te mogen gebruiken, nu van de Gereformeerde kerk (onderhoudende art. 31 KO). Deze kerk krijgt binnenkort waarschijnlijk te maken met opzegging van de huur. De kerkenraad zegt toe hen te willen helpen als het nodig is. Het blijkt niet nodig.
Maar in 1967 wordt het verzoek herhaald: er zijn interne moeilijkheden in die kerk ontstaan als gevolg van de "Open Brief". Uit die ontwikkelingen zijn kort daarna de Nederlandse Gereformeerde kerken ontstaan. In geval van nood wil de Gereformeerde kerk een ander onderkomen "achter de hand hebben". Opnieuw wordt medewerking toegezegd.
In 1968 ontstaan de eerste voorstellen om te komen tot een "financiële commissie", later omgedoopt tot "commissie van beheer".
Als leden worden voorgesteld de broeders Treep, v.d. Kraats, J.B. van Schaik en H.W. Westeneng.
In de loop van 1969 wordt de "regeling van het beheer der stoffelijke zaken van de Christelijke Gereformeerde kerk van Soestdijk" officieel door de kerkenraad vastgesteld.

Orgel

Over het orgel is in deze periode van het gemeentelijk leven veel te doen.
In 1960/1961 is er een oud-papieraktie gestart. Dat geld wordt in het orgelfonds gestort.
Dat is kennelijk wel nodig ook, want in de kerkenraadsvergadering van 15 augustus 1961 meldt broeder van Kooten: "dat er een orgelbouwer uit Heerde bij het orgel is geweest en het zo gemaakt heeft, dat we een paar weken vooruit kunnen. Na de vakantie komt hij het orgel helemaal nazien en spuiten tegen houtworm".

In 1963 wordt Gerda Schagen aangesteld als organiste. De broeders J. Kraaijeveld en J.C. Westeneng worden tweede en derde organist.
Ds. de Smit maakt in 1965 kenbaar, dat hij graag een nieuw orgel in de kerk zou hebben. De financiële mogelijkheden van het orgelfonds laten dat echter niet toe.
Eind 1965 ontstaan er spanningen en moeilijkheden tussen de organisten, die nog geruime tijd in 1966 de aandacht van de kerkenraad vragen. Kennelijk is het goed mis, want voor de dienst op eerste Kerstdag 1965 is er geen orgelbegeleiding, omdat er geen organist komt opdagen.
De kerkenraad ziet niet zo snel oplossingen en raakt ook intern verdeeld. In augustus 1966 wordt gemeld dat de moeilijkheden zijn opgelost. Op welke wijze blijkt echter niet uit de stukken.
De jeugd blijft zeer aktief voor de o.p.a. (oud papier aktie), zodat de orgelplannen vaste vormen beginnen aan te nemen. De kerkenraad besluit om een orgelcommissie te vormen uit leden van het "orgelfonds" en van "o.p.a.". Het worden zuster van Schaik-de Bruyne, J.C. Westeneng en G. van Dam. In september 1967 wordt besloten een bazar te houden.
In de loop van 1968 worden de plannen concreter, want op 1 juli 1968 ontvangt de commissie een rapport van de heer K. Munniks uit Groningen over een orgel dat te koop is van de Ned. Hervormde gemeente te Andijk.
Enkele zinsneden uit het advies luiden:

  • Het orgel dateert uit 1861 en heeft slechts kleine gebreken.
  • Ik kan u meedelen, dat u hiermee een fraai orgel in uw bezit krijgt.
  • Het pedaal is voorzien van korte toetsen, hetgeen moeilijkheden kan opleveren bij het bespelen.
  • Het pijpwerk is niet geheel vrij van deuken.
  • De windlade vertoont geen gebreken van merkbare invloed.

Kortom, een zeer positief advies, temeer daar de aankoop tegen redelijke voorwaarden mogelijk is.
Op 5 juli doet orgelbouwer J.J. Elbertse uit Soest een nauwkeurig onderzoek.
De totale kosten van verplaatsing raamt hij op fl. 11.485,--, terwijl hij het orgel zelf taxeert op fl. 3.750,--.
Met wat meerwerk gaat de verplaatsing uiteindelijk fl. 11.507,30 kosten.
Ook offreert Elbertse de plaatsing van een nieuw register: Subbas 16 voet. Plaatsing kost fl. 4.150,--. De orgelcommissie heeft echter onvoldoende middelen en ziet er van af.
In november wordt het oude orgel verkocht. Het nieuwe wordt op 28 november 1968 in gebruik genomen, enkele dagen voor het 50-jarig ambtsjubileum en het afscheid van ds. de Smit.
De Wekker meldt dit heuglijke feit als volgt:

Soestdijk
Donderdagavond 28 november, enkele dagen voor het gouden ambtsjubileum van ds. P. de Smit, werd in de kerk te Soestdijk het kerkorgel in gebruik genomen. Vele jaren heeft de gemeente zich moeten behelpen met een harmonium, dat thans kon worden vervangen door een degelijk orgel uit 1861, in dat jaar gebouwd in de Ned. Herv. Kerk te Andijk door de orgelbouwer Flaes & Brunjes. De fa. Elbertse & Zoon, orgelbouwers te Soest, hebben het geheel vakkundig gerestaureerd en ongewijzigd weer opgebouwd. De benodigde gelden, in totaal fl. 17.000,-- werden in enkele jaren grotendeels door de jeugd bijeengebracht d.m.v. een oud-papier-aktie en twee bazars. Karel Huygen uit Eemdijk bespeelde het orgel, waarna ds. de Smit dank bracht voor alle aktiviteiten.
Er heerste vreugde en dankbaarheid in de gemeente van Soestdijk.

Financiën

De financiële situatie van de gemeente verbetert geleidelijk aan meer en meer. In 1962 is het mogelijk een nog lopende hypotheek van fl. 8.000,-- af te lossen.
Er loopt ook nog een obligatielening, waarvan jaarlijks steeds enkele nummers worden uitgeloot. Een zuster van de gemeente heeft - volgens de kerkenraad - haar stukken aan de kerk geschonken en wil alleen de rente ontvangen.
Bij de uitloting gaat men kennelijk toch over tot aflossing, maar de 'mantels' (het bewijs dat men een obligatie heeft) ontbreken steeds. Dat klopt natuurlijk ook, omdat de obligaties aan de kerk geschonken zijn. De kerkenraad besluit daarom (terecht) die obligaties niet (meer) af te lossen.
In 1966 laat de balans geen enkele schuld meer zien en bedraagt het bezit (kas- en bankmiddelen) ruim fl. 16.000,--. De jaarlijkse inkomsten belopen dan ruim fl. 18.000,--.
Bij de komst van ds. de Smit (eind 1957) bedroeg de schuld nog fl. 12.000,-- en waren de jaarlijkse inkomsten rond de fl. 8.800,--. Een hele verbetering in ongeveer 9 jaar. De geleidelijk toenemende inflatie en de toenemende welvaart zullen hierbij tevens een faktor zijn geweest, maar toch zijn de zorgen op dit terrein sterk afgenomen. De Heere heeft ook in dit opzicht het werk van ds. de Smit willen zegenen.

Ambtsdragers

Nadat op 1 januari 1960 de broeders Christiaans en de Wilde zijn bevestigd, wordt het verkiezen van ambtsdragers kennelijk steeds moeilijker. D.J. Westeneng wordt eind 1961 en eind 1967 opnieuw herkozen. J.H. Drost treedt eind 1961 af en wordt vervangen door K. Ester.
Maar rond broeder van Kooten verlopen zittingsduur en herverkiezing minder volgens de kerkelijke regels, overigens geheel buiten zijn wil.
De kerkenraad meent in 1961 de zittingsduur van hem met een jaar te moeten verlengen, omdat er zo moeilijk tegenkandidaten te vinden zijn. Dat herhaalt zich in 1962. En in 1963 opnieuw!
Dat gebeurt dan ook met broeder G. de Wilde. Wel wordt op 1 januari 1964 broeder K. Ester van diaken, ouderling. Als diaken komt G. v.d. Kraats in de kerkenraad.
Eind 1964 besluit men het verkiezen van ambtsdragers voorlopig maar uit te stellen. Kennelijk wordt het van Kooten te gortig, want in november 1965 vraagt hij ontheffing uit het ambt. De kerkenraad is met de zaak verlegen en ziet geen kans om nu kandidaten te stellen. In de volgende vergadering wordt voorgesteld om voortaan ook de diakenen mee te nemen op huisbezoek. Dan kan de gemeente sneller worden bezocht. Broeder van Kooten beraadt zich op dat voorstel.
Hij gaat er na enige bedenktijd mee akkoord en wil zich opnieuw herkiesbaar stellen, mits het penningmeesterschap door iemand anders wordt overgenomen. Dat accepteert de kerkenraad direkt.
Van een (her)verkiezing is overigens geen sprake meer. Hij blijft gewoon.
Begin 1965 overkomt broeder Ester een ernstig auto-ongeluk. Op weg van de kerk naar huis slipt hij. Zijn vrouw overlijdt aan de gevolgen van de botsing. De gemeente is diep geschokt.
Broeder Ester verblijft geruime tijd in het ziekenhuis en kan zijn ambtswerk voorlopig niet verrichten. Mede daarom wordt besloten een derde diaken te verkiezen.
Broeder de Wilde wordt herkozen en als derde diaken komt broeder E. de Jong in de kerkenraad.
Eind 1965 wordt broeder Ester herkozen als ouderling en treedt broeder G. v.d. Kraats af. Hij wordt opgevolgd door broeder A. van Amerongen.
Als ds. de Smit eind 1968 afscheid neemt, bestaat de kerkenraad dus uit de ouderlingen K. Ester, G. van Kooten en D.J. Westeneng en de diakenen A. van Amerongen, E. de Jong en G. de Wilde.
Nu ds. de Smit geheel terugtreedt besluit de kerkenraad "dit jaar geen verkiezing voor ambtsdragers te houden, wegens de omstandigheden waarin de gemeente is komen te verkeren".

Verenigingen

De jeugdvereniging komt in de periode van ds. de Smit tot verdere bloei. Enkele namen van secretaresses uit die jaren: Lena van Amerongen en Delia van Schaik.
De vrouwenvereniging start in 1965 met een belangrijke aktiviteit. Aan de kerkenraad wordt gemeld, dat er een "Ziekenzorg" is opgericht. Daarmee wil de vrouwenvereniging regelmatig bezoekjes brengen aan ouden van dagen en zieken.
Dit werk heeft in al die jaren - later onder de naam "Onderling Contact" - voor veel ouderen en zieken veel betekend en zegenrijk gewerkt in de gemeente. De onderlinge band is hierdoor verstevigd.

Beroepingswerk

Nadat ds. de Smit te kennen heeft gegeven, dat het werk hem zwaar gaat vallen, komt ook het beroepingswerk weer op de agenda. In 1965 blijft het nog bij enkele interne besprekingen, maar in 1966 wordt geprobeerd een tweetal samen te stellen. Al snel is men het eens over ds. B. Bijleveld van Bussum. Een tweede kandidaat kost meer moeite. Men wordt het niet eens. Op de volgende kerkenraadsvergadering verwerft ds. M. Vlietstra te IJmuiden de meerderheid.
Uit dit tweetal kiest de gemeente ds. Vlietstra. Hij bedankt.
Begin 1967 volgt weer een tweetal: ds. M. Baan te Zeist en ds. I. de Bruyne te Rotterdam-Centrum.
Ds. Baan krijgt het beroep, maar bedankt ook.
Nu gaat de kerkenraad over tot het beroepen bij acclamatie. Beroepen worden kand. W. van Sorge en later ds. B. Bijleveld. Beiden bedanken.
Vervolgens worden de studenten Wubs en van Dijken gevraagd voor een weekbeurt, kennelijk om één van hen te beroepen. Dat gebeurt echter niet.
Wel wordt kand. P. Beekhuis beroepen. Zonder resultaat.
Dan wil de kerkenraad in september 1968 ds. J. Kampman te Ede bij acclamatie beroepen.
Dat lukt echter niet omdat er één lid tegen is. Kennelijk werkte men toen uitsluitend met 100% steun uit de gemeente. Daarom wordt alsnog een tweetal geformeerd, bestaande uit ds. J. van Amstel te Middelburg en ds. Kampman. Ds. van Amstel ontvangt het beroep, maar ook zijn weg leidt niet naar Soestdijk.
Ondanks alle pogingen is de vakature niet vervuld als ds. de Smit terugtreedt en afscheid neemt van de gemeente.

50-Jarig jubileum en afscheid ds. P. de Smit

Zoals al eerder werd vermeld, voelt ds. de Smit zijn krachten afnemen. Hij nadert trouwens de 80-jarige leeftijd. Het werk wordt hem te zwaar.
In de loop van 1968 deelt hij aan de kerkenraad mee, dat hij op 1 december 1968 met zijn werk wil stoppen. De kerkenraad heeft begrip voor die wens en is dankbaar voor het werk dat ds. de Smit in de gemeente heeft gedaan. De datum van 1 december is niet willekeurig gekozen, maar is de datum waarop hij 50 jaar predikant is.
Dit feit wordt in de kerkdienst, die tevens een afscheidsdienst is, met de gemeente herdacht.
Hier volgt het bericht in De Wekker van 22 november 1968, waarin dit feit wordt aangekondigd.

Ds. P. de Smit
De 80-jarige emerituspredikant van Soestdijk, ds. P. de Smit, herdenkt zondag 1 december dat hij een halve eeuw geleden in het ambt werd bevestigd door zijn leermeester, toen doc. P.J.M. de Bruin in de kerk van Oud Beijerland. Ds. de Smit werd 13 februari 1888 in de Haarlemmermeer geboren en werd in 1918 kandidaat na gestudeerd te hebben aan de Theologische School, destijds gevestigd te Den Haag. Hij werd bevestigd met Joh. 3: 29 en 30. Zijn intreetekst was Joh. 1: 6 en 7. Ruim 4 jaar later vertrok ds. de Smit naar Nieuwe Pekela, in 1926 naar Boskoop, maar zijn eigenlijke levenswerk vond hij in Utrecht, waar hij 10 februari 1929 intrede deed om daar in crisis- en oorlogstijd als pastor te arbeiden. In september 1946 vertrok hij naar het naburige Zeist, in 1954 naar Middelharnis om eind 1957 zich te verbinden aan Soestdijk. Met ingang van 1 juli 1962 werd hij emeritus, maar regelmatig ging hij nog een keer voor in de kerk van Soestdijk. Dat zal na 1 december niet meer gebeuren.
Ds. de Smit heeft zich ook op het brede terrein van het kerkelijke leven bewogen. Hij was curator van de Theologische Hogeschool. Zowel als predikant als ook als ouderling werd hij meermalen afgevaardigd naar de Generale Synode, waar hij bekend stond om zijn verzoenend optreden bij gebleken verschillen. Maandagavond 2 december om half 8 zal er in de kerk van Soestdijk een herdenkingssamenkomst worden gehouden.

Zo is de gemeente eind 1968 opnieuw (volledig) vakant. En dat zal opnieuw zeven jaar gaan duren.

5.3 Weer zeven jaar vakant (eind 1968 tot juli 1975).

Gemeentelijk leven

Na zijn afscheid woont ds. de Smit nog enkele kerkenraadsvergaderingen bij. Hij attendeert er op, dat er ontheffing nodig is van zijn ouderlingschap. Nadat hem ontheffing is verleend, is zijn dienstwerk in Soest volledig ten einde.
De gemeente - hoewel formeel al vakant toen ds. de Smit met emeritaat ging - is nu weer helemaal herderloos. Meestal zijn dergelijke perioden niet eenvoudig voor een kerkenraad. Zo verliepen ook deze vakante jaren. Niet de gemakkelijkste uit de geschiedenis van de gemeente.
Wij onthouden ons van een wraak-oordeel, vooral ook omdat deze periode nog vrij kort achter ons ligt. Anderzijds is een geschiedschrijving niet alleen een opsomming van zegeningen en fijne gebeurtenissen, maar ook een weergave van de moeiten en zorgen. Wel vraagt een beschrijving van recente(re) feiten enige terughoudendheid, met name ook als het gaat om het vermelden van persoonsnamen. Wij laten die - waar dat nodig en verstandig lijkt - dus achterwege.

Al spoedig na het vertrek van ds. de Smit ontstaat er een discussie over het (actief) kiesrecht van de vrouw. De kerkenraad is daar in zijn geheel tegen. Diverse gemeenteleden laten echter weten, tegen dat standpunt ernstige bezwaren te hebben. De kerkenraad neemt kennis van de bezwaren, maar wijzigt haar standpunt niet.

Voorts ontstaat er commotie over het feit, dat een zuster van de gemeente "met ongedekt hoofd" het Avondmaal viert. De kerkenraad gaat er op bezoek en die zuster belooft om het niet meer te doen. Maar daarmee is het onderwerp niet van de agenda.
Na enige jaren gebeurt het opnieuw. De kerkenraad concludeert, dat zoiets niet kan en mag.
Er wordt besloten om hierover op de huisbezoeken te spreken en om er op te wijzen, dat de kerkenraad, na dit vermaan, toelating tot het Avondmaal zal weigeren. Binnen de kerkenraad is geen eenstemmigheid over de juistheid van dat besluit. Er gaan stemmen op om dit standpunt eerst eens om advies voor te leggen aan de classis of om eerst eens enkele predikanten hierover te polsen.
Het laatste gebeurt en het advies is om hiermee zeer voorzichtig en pastoraal om te gaan. Niet toelaten is in ieder geval niet de juiste weg.
Het besluit wordt heroverwogen en de ontvangen raad wordt opgevolgd. De kerkenraad zal er op pastorale wijze mee omgaan en er met betrokkenen over spreken. Desnoods bij herhaling.
In 1974 komt het punt nog eens op de agenda. Nu wordt het advies van de classis gevraagd.
De classis wijst echter dezelfde weg als al eerder werd aangegeven.

Een probleem van geheel andere aard, betreft een voorval tijdens een eredienst. Een gastpredikant gebruikt in zijn preek een term, die in de ogen van de kerkenraad ongepast is op de kansel. De betrokken predikant trekt dat echter in twijfel. Er wordt nader met hem gesproken, hetgeen er toe leidt, dat hij het gebruikte woord terugneemt.
Gelukkig heeft het geen blijvende verwijdering gegeven, want de predikant gaat een poosje later weer in Soest voor.

De preekvoorziening verbetert eind 1969 aanmerkelijk, omdat ds. Th. Rutters van Baarn, en consulent van Soest, aanbiedt om in de morgendiensten voor te gaan, als de diensten dan om 10.30 uur kunnen beginnen en als er geen gastpredikant beschikbaar is.
De kerkenraad aanvaardt dat aanbod dankbaar. Vanaf dat moment worden er nog maar weinig leesdiensten gehouden. Na enige tijd gaat ds. Rutters er toe over om in de morgendiensten de catechismus te behandelen. Hiervan is de gemeente lange tijd verstoken geweest.

Eind 1970 komt de nieuwe Psalmberijming ter sprake. De kerkenraad voelt niets voor invoering. Welke argumenten de kerkenraad daarvoor heeft, blijkt niet uit de stukken.
Veel weerstand roept dat besluit niet op, want reacties uit de gemeente blijven uit, althans niet in de notulen van de kerkenraad terug te vinden.

Inmiddels zijn de "hengels" waarmee de gaven worden ingezameld vervangen door doorgeefzakjes. Het werken met de hengels is voor sommige diakenen te veel gevraagd en voor de kerkgangers niet altijd zonder gevaar. Ook wordt besloten om eerst te kollekteren en daarna de opgegeven psalmverzen te zingen.
Op de ledenvergadering wordt gevraagd "of de voorlezer weg kan". De kerkenraad voelt er (nog) niet voor.

Het evangelisatiewerk begint meer te leven.
In 1969 spreken ds. H. Brandsma en ds. Rutters met de kerkenraad over dit werk, met de oproep om een evangelisatie-commissie in het leven te roepen. Er wordt besloten, dat ds. Rutters eerst een gemeente-avond over dit werk zal houden en de noodzaak van dit werk onder de aandacht van de gemeente zal brengen.
Die avond wordt - uiteindelijk - in 1971 gehouden en dat leidt inderdaad tot een positief resultaat.
Er wordt in april 1971 een commissie gevormd, bestaande uit D. van Arkel, A. Buik, G. van Dam en de zusters L. Drost en B. v.d. Post.

In datzelfde jaar leidt de gemeente een gevoelig verlies. De oude ds. P. de Smit overlijdt op 23 augustus 1971 op de leeftijd van 83 jaar in een Haarlems ziekenhuis.
Nog enkele jaren heeft hij, samen met zijn vrouw, de kerkdiensten kunnen bezoeken en zaten zij op hun vaste plekje voor in de kerk. Een beminnelijke pastor is heengegaan.
In de kerkelijke pers wordt met waardering over hem geschreven.

Ds. P. de Smit werd bevorderd tot heerlijkheid
Datzelfde geloven we van ds. M.S. Roos niet minder hartelijk. Ook voor zijn nabestaanden in ons classicaal ressort onze hartelijke deelneming. De vertroosting des Heeren zij hun deel. Maar ds. P. de Smit heeft in onze classis een lange tijd een speciale plaats ingenomen door zijn verbonden zijn aan de kerk te Soest.
We denken in de eerste plaats aan zr. mevr. de Smit. We hopen en bidden hartelijk dat de Heere haar zeer nabij zal zijn. Juist in haar omstandigheden heeft ze dit bijzonder nodig. De laatste maanden van onze broeder zijn moeilijk geweest, althans lichamelijk. Opgenomen in het ziekenhuis en dat terwijl zijn vrouw ook was opgenomen. Wat hadden zij het beiden mooi te Soest. Het was een genoegen bij hen te komen. Wat straalde er een liefde uit hun ogen, wat een liefde kwam er uit hun hart. Wat een prachtige staat van dienst heeft onze broeder de Smit verkregen! Wat een rijk gezegend leven. De gemeente van Soest heeft het fijn gehad me dit echtpaar in hun midden en met deze dienaar des Heeren. Soest heeft haar emeritus- dienaar verloren.
Gedenk uw voorgangers, die u het Woord Gods verkondigd hebben.
Hoe herinneren we ons het 50-jarig jubileum. Wat een fijne avond was dat, waarin niet ds. de Smit in het middelpunt stond, maar zijn Heere en God. Nu is hij ingegaan in de vreugde zijns Heeren. Door de engelen binnengehaald in het hemels koninkrijk.
Met grote dankbaarheid gedenken we deze broeder en zijn arbeid.
De laatste paar maanden niet meer, maar daarvoor ben ik ettelijke malen bij hen geweest. Dat was telkens fijn. Daar ben ik dankbaar voor.
Zulke plaatsen moeten door jongere dienaren worden ingenomen. De Heere geve veel getrouwheid aan allen die in het ambt zijn gesteld.
Er was te Soest al enige tijd een ledige plaats, maar dit wordt nu nog sterker gevoeld. Moge de Heere ook daarin voor Soest spoedig voorzien. De gehele familie de Smit wensen we hartelijk Gods rijke zegen en nabijheid.

Ds. Th. Rutters

Op 27 augustus 1971 wordt hij in Soest, aan de Veldweg, begraven. Ds. Eerland leidt de rouwdienst.

De Wekker 3-9-1971:

Begrafenis ds. P. de Smit
Op vrijdag 27 augustus werd ds. P. de Smit, emeritus-predikant van Soestdijk, aldaar begraven. De rouwdienst in de kerk van Soestdijk werd geleid door ds. H.W. Eerland te Hilversum, die sprak over 2 Korinthe 5: 1, de tekst, die ook op de rouwcirculaire stond nadat eerst oud. Konijn namens kerkenraad en gemeente het woord had gevoerd en de arbeid van de overledene met dankbaarheid had gememoreerd.
Op de begraafplaats had ds. K. Boersma van Haarlem, die de laatste tijd ds. de Smit had bezocht, de leiding. De oudste zoon van de overledene, dokter P. de Smit dankte namens de familie. Gezongen werd Psalm 68: 2.
In het bericht van vorige week betreffende het overlijden van ds. de Smit is een vergissing ingeslopen. Ds. de Smit is overleden in een Haarlems ziekenhuis waarheen hij enkele dagen te voren was overgebracht wegens maagperforatie.
Dank zij een drukfout werd het aantal dienstjaren van ds. de Smit in Utrecht op tien gesteld, terwijl het er achttien waren.

Er gaan stemmen op om in de wintermaanden enkele gemeente-avonden te beleggen. Dergelijke avonden kunnen de onderlinge omgang bevorderen en bijdragen aan de geestelijke vorming van de gemeenteleden. Eind 1972 wordt gestart met een aantal lezingen door ds. J. Kievit over "verbondsbeschouwingen".

Er groeien echter geleidelijk meningsverschillen en tegenstellingen binnen de gemeente. De kerkenraad neemt o.a. bij het beroepingswerk beslissingen die onrust in de gemeente veroorzaken (zie hierna). Ondanks gesprekken verstaat men elkaar niet.
In 1972 besluiten enkele gezinnen zich bij de gemeente van Amersfoort te voegen. Als motieven worden aangevoerd: de gemeentezang, het beroepingswerk en de avondmaalsmijding.
Eind 1972 schrijven diverse andere leden een (aangetekende) brief aan de kerkenraad over het beroepingswerk. Er wordt teveel gekeken naar oude(re) predikanten en de tweetallen zijn te eenzijdig samengesteld.
De kerkenraad besluit om een gesprek met hen te beleggen begin 1973. Dat gesprekt neemt een hele avond in beslag. Diverse onderwerpen worden besproken, maar men kan elkaar helaas niet vinden.
Daarom vindt de kerkenraad het verstandig om een extra ledenvergadering te beleggen om het gevoelen van de gehele gemeente te peilen. Ook die vergadering levert niet het gewenste resultaat. Sommige leden verwijten het uiteen groeien aan de diverse synodebesluiten "om allerlei zaken maar vrij te geven".
Op de kerkenraadsvergadering van 26 februari 1973 wordt er nog nagesproken over de bewuste ledenvergadering. Geconcludeerd wordt, dat er geen verduidelijking is ontstaan en dat men eerder verder van elkaar, dan dichter bij elkaar is gekomen. Men aarzelt om zoiets nog eens te doen.
In maart komt een verzoek uit de gemeente om een vervolg. De kerkenraad durft het echter niet aan en ziet er van af.

In mei 1973 bestaat de gemeente 50 jaar. Dit feit wordt in een herdenkingsdienst herdacht, waarin ds. Rutters voorgaat en broeder H. Konijn een historisch overzicht presenteert.
De pers schrijft er het volgende over:

De gemeente te Soest jubileert
16 Mei aanstaande zal de gemeente van Soest Deo Volente 50 jaar bestaan. Dit moet in ons classicale blad beslist even onder de aandacht worden gebracht.
Namens ons classicale kerkvolk wil ik de gemeente Soest hartelijk feliciteren. Een zegen van de Heere. Klein begonnen, maar uit volle overtuiging!
De Heere heeft deze gemeente in stand gehouden. De prediking van Gods Woord mag hier ook regelmatig voortgaan. Gods zegeningen zijn en worden ervaren.
Geen reden om ons op de borst te kloppen, doch om in oprechte dankbaarheid en ootmoed voor de Heere te leven. Het is te hopen, dat de vacature in deze gemeente spoedig mag zijn vervuld. Meerdere dienaren mochten deze gemeente dienen. Het laatst door de zeer gewaardeerde ds. P. de Smit.
16 Mei wordt een herdenkingsbijeenkomst gehouden.
Wij wensen van harte, dat deze gemeente mag zijn een lichtende kandelaar. De omgeving moet het merken, dat daar Gods gemeente is.
Van harte de Heere bevolen.

Dit feit is tevens aanleiding om (voor het eerst) een gemeentegids samen te stellen. Bij het doorbladeren komen dan weer enkele namen boven van leden die jarenlang deel hebben uitgemaakt van onze gemeente. Ik noem er enkele:
Van Amerongen, de Bakker, zuster Benschop, zuster Brons, zuster van Brummelen, zuster Christiaans, zuster Dorst-van Doornik, mej. W. Floor, Klein, Nap, Polman, Pothoven, zuster Schagen, T. Slagboom, Treep om de meest bekenden maar te noemen.

In november 1973 breekt de oliecrisis uit. De Arabische landen stoppen de olieleveranties aan het Westen. Daardoor dreigt de benzine op de bon te komen. Dit heeft ook gevolgen voor het gemeentelijk leven. Om de (eerste - en naar later blijkt ook laatste) autoloze zondag te mijden, wordt een ledenvergadering, die gepland was op 13 november, verschoven naar 6 november.

Het jaar 1973 eindigt met een verdrietig feit. Broeder D.J. Westeneng, jarenlang diaken en ouderling in onze gemeente, besluit om over te gaan naar de Gereformeerde Gemeente van Soest. Zijn vrouw, en ook zijn kinderen, volgen hem daarin niet. De kerkenraad wijst hem er schriftelijk op, dat hij over dit voornemen nimmer met de kerkenraad heeft gesproken en dat het deze stap ernstig betreurt.
Het helpt helaas niet.

Het al dan niet ophangen van affiches in de hal van de kerk, blijft de gemoederen bezig houden. De kerkenraad blijft er bij, dat er geen affiches mogen hangen, voor welk doel dan ook. Dat is - kennelijk - om allerlei moeiten te voorkomen. Maar dat blijkt echter een illusie. Er ligt een verzoek van de zendingscommissie om een affiche op te hangen in verband met een aktie.
De kerkenraad weigert echter om toestemming te geven.
De weigering komt de commissie op enkele vacatures te staan, want enkele leden accepteren het besluit niet en stappen op.

Inmiddels hebben zich opnieuw enkele leden bij de gemeente van Amersfoort gevoegd. De kerkenraad van Amersfoort vraagt een gesprek met Soest om hierover meer informatie te krijgen. Het onderling overleg heeft echter niet tot gevolg, dat de leden naar Soest terugkeren.

In 1974 wordt de kerk grondig gerenoveerd, inclusief het meubilair. Met meerderheid van stemmen besluit de kerkenraad de voorlezer af te schaffen. In dat jaar wordt ook het initiatief genomen voor een gezamenlijke Hervormingsdienst op 31 oktober. Aanvankelijk doet alleen de Hervormde Ichthuskerk mee. Later volgt ook - voor enige jaren - de Gereformeerde Gemeente. Laatstgenoemde beëindigt echter haar medewerking weer.
De evangelisatiecommissie gaat, in samenwerking met een interkerkelijke commissie, tentsamenkomsten beleggen. Eén van de sprekers is ds. C. Langbroek.
Er is inmiddels ook een nieuw avondmaalsservies aangeschaft. Het oude wordt getaxeerd op een waarde van fl. 650,--. Besloten wordt om het te verkopen. Gemeenteleden hebben het eerste recht op koop.

In 1975 wordt besloten een brief te schrijven over een publikatie van prof. dr. B.J. Oosterhoff, waarover discussie is ontstaan.
De pastorale zorg voor de gemeente blijft ook zorgen baren. Naast het beroepingswerk (zie aldaar) denkt de kerkenraad ook na over de aanstelling van een pastoraal werker voor bijvoorbeeld één dag in de week. Men wil er wel eens op een ledenvergadering over spreken. Maar er komt geen eenstemmigheid over deze mogelijkheid, zodat het voorstel achterwege blijft.
Ook het consulentschap geeft enige zorg. Tijdens een kerkvisitatie wordt het advies gegeven om eens na te denken over het vragen van een andere consulent aan de classis. Ds. R. Kok is namelijk op hoge leeftijd gekomen. Dit voorstel wordt met ds. Kok besproken en die is het "van harte eens met dit advies van visitatoren".
En zo wordt ds. J. Kievit van Ermelo consulent van Soestdijk.
Maar gelukkig behoeft van zijn diensten weinig gebruik te worden gemaakt, want al spoedig in het voorjaar van 1975 ontstaat er perspectief op de vervulling van de vakature. Ds. Heerma van Utrecht-Noord gaat met emeritaat en blijkt bereid om hulpdiensten in Soest te gaan verrichten.

Kerkgebouw

Op 3 maart 1969 wordt de commissie van beheer geïnstalleerd. Direkt wordt voorgesteld om de lopende papieraktie voort te zetten ten behoeve van een nieuwe verwarming en het maken van een garderobe. De kerkenraad kan zich daar in vinden.
Al in 1970 heeft de speciaal ingestelde "verwarmingscommissie" een plan gereed voor de aanleg van een voetverwarming. Er is ook nog geld beschikbaar om de preekstoel te vernieuwen. De kerkenraad gaat akkoord. Maar in de gemeente onstaat enige discussie. Men wil de oude preekstoel niet kwijt. De protesten hebben echter geen resultaat.
Als het werk is uitgevoerd, heeft men kennelijk de smaak te pakken, want er wordt besloten om een nieuwe commissie in te stellen, de "commissie interieur/kerkrestauratie".
De opbrengsten van de oud-papier-aktie en van de bazars worden voortaan voor dit doel bestemd. Men denkt minstens fl. 50.000,-- nodig te hebben. De commissie wordt gevormd door: C. Westeneng, T. Westeneng, B. van Schaik, K. de Jong en G. Westeneng.
De plannen worden slagvaardig ter hand genomen.
In 1973 wordt een eerste schetsplan gepresenteerd en toelichting door de architect, de heer Voormolen van architectenbureau van Hoogevest te Amersfoort.
Het plan vergt fl. 80.000,--, maar er kan wel bezuinigd worden door het nodige in eigen beheer te doen.
Begin 1974 worden er spijkers met koppen geslagen. Hoewel het benodigde geld er nog niet is, wordt besloten om het gehele plan uit te voeren. Door zelfwerkzaamheid kan de raming tot fl. 67.000 worden verlaagd. Er wordt een lening gesloten. De penningmeester heeft berekend, dat de jaarlijkse inkomsten van de gemeente hiervoor - en incl. het honorarium van een predikant - met rond fl. 24.000,-- per jaar omhoog moeten. De leden achten dit verantwoord.
Natuurlijk ontstaan er tijdens de uitvoering van zo'n renovatieplan allerlei aanvullende wensen.
Zo wordt er "tijdens de rit" besloten om het volgende nog mee te nemen:

  • Consistorie opknappen en verven.
  • Orgel schilderen.
  • Nok van de kerk isoleren.
  • Nieuwe psalmborden.
  • Nieuwe lampen.
  • Vloerbedekking nog eens bezien (wordt parket).
  • Stuclaag van diverse buitenmuren vernieuwen.
  • Vochtwerend bewerken van de buitenmuren.

De kosten belopen uiteindelijk een bedrag van fl. 72.400,--.
Om het werk vlot te kunnen uitvoeren moeten de zondagse erediensten elders worden gehouden. De Hervormde Ichthuskerk biedt hulp. Ruim twee maanden kerken we aldaar.
Op 25 juli 1974 wordt de vernieuwde kerk in gebruik genomen, in een dienst waarin ds. R. Kok van Nijkerk voorgaat.
De restauratiecommissie wordt in 1975 opgeheven.

De commissie van beheer blijft echter aktief en wil nu de vergaderlokaliteit verbeteren. De kerkenraad vraagt zich af of we moeten volstaan met het (verder) opknappen van de consistorie of dat er beter een vergaderlokaliteit bijgebouwd kan worden. Deze vraag neemt de commissie mee en die weg wordt ook gevolgd. Informatie bij de gemeente Soest leert, dat er niet achter de kerk mag worden gebouwd. Er zal dan een "artikel 19" procedure nodig zijn. Daar wil de gemeente wel aan meewerken. Zo kan aan meer concrete plannen worden gewerkt.

Orgel

Over het orgel is gedurende deze periode weinig te melden. Daar is ook alle reden voor, omdat de gemeente inmiddels - zoals we al bespraken - over een mooi orgel beschikt.
In 1974 gaat broeder A.C. Snijders het kerkorgel bespelen omdat broeder J.C. Westeneng dan tot ouderling is gekozen.
In 1975 wordt aan broeder L. Boot gevraagd of hij het kerkorgel regelmatig wil gaan bespelen, hetgeen hij positief beantwoordt.

Financiën

Het is inmiddels gewoonte geworden om periodiek of jaarlijks een vrijwillige bijdrage aan de kerk af te staan. Deze gewoonte zal wel een gevolg zijn geweest van de afschaffing van het zogenaamde "plaatsengeld". Dat was in feite de huur van een zitplaats in de kerk.
Het was daarbij ook gebruikelijk om een verhuurde zitplaats als vrij te beschouwen als deze na een bepaalde tijd nog niet bezet was. Een gast mocht die plaats dan innemen. Daartoe ging er, vlak voor de dienst, een rood lampje boven de consistoriedeur branden (u kunt het nog zien zitten). Destijds heel gewoon; nu niet zo'n gastvrij onthaal voor vreemdelingen.
Maar die verhuur is in de jaren '60 afgeschaft. Broeder F. van Schaik is daarna belast met het ophalen van de vrijwillige bijdrage. U ziet, het girale verkeer staat nog in de kinderschoenen.
In 1972 wordt dat werk hem te zwaar en vraagt hij een vervanger te zoeken. Dat lukt niet erg en daarom wordt de leden gevraagd de bijdrage zoveel mogelijk op de giro/bankrekening van de kerk te storten.

Een andere bijzondere gebeurtenis is ook het vermelden waard.
In 1966 kon de kerk het eigendom verkrijgen van een woning aan de Kerkdwarsstraat 8.
Dit huis werd gelegateerd door de weduwe Lugtigheid. Er waren in die erfenis echter nogal wat vorderingen (o.a. van de sociale dienst), zodat de kerkenraad het legaat niet aanvaardde. De betrokken notaris werkte echter deze nalatenschap niet korrekt af en liet het geheel 7 jaar rusten. In 1973 bleken de openstaande vorderingen verjaard en werd het huis alsnog aan de kerk in eigendom overgedragen. Wel moest een deel van de waarde naar het Kindertehuis, de Theologische Hogeschool en de Emeritikas.

Een huis te koop
De kerk is eigenaresse geworden van het pand Kerkdwarsstraat 8 te Soest. Dit huis werd in 1966 aan de kerk gelegateerd door wijlen mevr. Lugtigheid-Hendriks. In verband met een hoge vordering van de gemeentelijke sociale dienst wegens verpleegkosten van genoemde zuster heeft de kerkenraad destijds besloten het legaat niet te aanvaarden.
Mede doordat de betrokken notaris de zaak niet tijdig en volledig heeft afgewerkt, is het huis alsnog eigendom van de kerk geworden. Het huis kan thans worden verkocht. De opbrengst zal, na aftrek van het aan de sociale dienst toekomende bedrag, volgens de bepalingen in het legaat gelijk moeten worden verdeeld over de Theol. Hogeschool, de Emeritikas, het Kindertehuis en de Chr. Geref. Kerk te Soestdijk.
De kerkenraad heeft besloten het huis eerst te koop aan te bieden aan leden van de gemeente. U kunt zich, als u belangstelling hebt, in verbinding stellen met het makelaarskantoor Lenssen en de Wolff, Vredehofstraat 9 te Soest (tel. 15441). U hebt daarvoor tot en met 20 januari 1974 gelegenheid. Indien dan geen verkoop aan een gemeentelid mogelijk is geweest, heeft de makelaar vrijheid het huis aan een andere belangstellende te verkopen.

Uit het voorgaande (kerkgebouw) bleek al, dat de gemeente zeer aktief was in geldwerving en in offervaardigheid. De grote renovatie in 1974 werd, ondanks het feit dat er nog onvoldoende middelen waren, geheel uitgevoerd. Dit gebeurde om te voorkomen dat het werk door forse prijsstijgingen, bij een gefaseerde uitvoering, veel duurder uit zou vallen.
Het beroepingswerk ging ook voort. Kennelijk gaf dat ook stof tot discussie, onder andere over de hoogte van het traktement. Ondanks de offervaardigheid kon de kleine gemeente van Soest maar bescheiden honoraria bieden. Voor kandidaten vond men dat trouwens niet zo erg.
Zo werd er eens een kandidaat beroepen, die echter een beroep aannam naar een grote gemeente. Kennelijk dacht de kerkenraad, dat hierbij het geboden traktement een (hoofd)rol speelde, want men besluit kort daarna een instruktie in te dienen bij de classis "over de hoogte van de traktementen". De preciese inhoud is niet meer te achterhalen en of de instruktie uiteindelijk is ingediend is evenmin meer vast te stellen.
Anderzijds wil men ook "zuinig" zijn, want binnen de kerkenraad wordt de gedachte geopperd om voor de niet-aktief meelevende leden niet meer af te dragen aan de kerkelijke kassen. Dat gaat de meeste kerkenraadsleden echter te ver.

Ambtsdragers

Eind 1969 zijn er weer enkele broeders aftredend, te weten G. van Kooten, G. de Wilde en E. de Jong. De ambtstermijn van de Wilde wordt met één jaar verlengd. De twee andere broeders worden herkozen, zij het dat van Kooten er de voorwaarde aan verbindt, dat zijn zittingsduur twee jaar zal bedragen. Dat wordt geaccepteerd.
Het daarop volgende jaar zijn de broeders D.J. Westeneng en G. de Wilde aftredend. Zij stellen zich niet herkiesbaar. In de plaats van hen worden de broeders H. Konijn en D. van Arkel gekozen.
Begin 1972 worden de broeders Ester en van Amerongen herkozen en in 1974 van Kooten en de Jong, ondanks het feit dat van Kooten zijn termijn van twee jaar tot vier jaar heeft laten uitlopen. In de zomer van 1974 neemt de gezondheid van broeder Ester af. Hij verkrijgt tussentijds ontheffing en wordt opgevolgd door broeder J.C. Westeneng. Op 1 januari 1975 wordt broeder H. Konijn opnieuw bevestigd als ouderling. Broeder van Arkel heeft zich niet herkiesbaar gesteld en wordt vervangen door broeder J.H. Braber. Kort daarna (23-2-1975) overlijdt K. Ester.

Verenigingen

Het verenigingsleven (de jeugdvereniging en de vrouwenvereniging) heeft goede voortgang.
De jeugdvereniging wordt geleid door J.C. Westeneng, die in het midden van de jaren '70 wordt opgevolgd door broeder A.C. Snijders. De vrouwenvereniging heeft zuster A.P. van Schaik-De Bruyne als presidente. Zij is ook geruime tijd presidente van de Chr. Ger. Vrouwenbond.
In 1971 ontstaat er enige commotie over een boekje dat door één van de leden wordt uitgedeeld op de vrouwenvereniging. De kerkenraad hoort er van en "keurt dat niet goed".
Om welk boekje het ging is niet vermeld. In augustus 1971 neemt D. van Arkel het initiatief tot de (her)oprichting van de mannenvereniging. De eerste bijeenkomst is op 23 september 1971.
De kerkenraad bezint zich in 1972 op de vraag of er voor de jonge jeugd (12 tot 15 jaar) een club kan worden opgericht. Het lukt op dat moment echter nog niet.
Aardig is om nog te vermelden, dat één klein foutje in een kerkenraadsverslag de inhoud totaal kan veranderen. In een vergadering wordt verslag uitgebracht door een ouderling van een bezoek aan de jeugdvereniging. De notulen vermelden daar over "broeder ... meldt, dat hij naar de jeugdvereniging is geweest en een goede indruk heeft gemaakt".

Beroepingswerk

Direkt na het terugtreden van ds. de Smit wordt er gesproken over de voortzetting van het beroepingswerk. Dit onderwerp zal de komende jaren de gemoederen in de gemeente beroeren. Er ontstaat spanning tussen het beleid van de kerkenraad en het gevoelen van een deel van de gemeente. Laten we het verloop nader bezien.
In mei 1969 wordt er een tweetal aan de gemeente voorgesteld, namelijk ds. M. Baan te Zeist en ds. J. Kampman te Ede. Dit brengt enkele leden van de gemeente naar een kerkenraadsvergadering. Zij willen een jongere predikant en ook meer overleg tussen kerkenraad en gemeente. De kerkenraad staat niet open voor deze opmerkingen, want er wordt (na hun vertrek) geconcludeerd "het zal wel over de prediking gaan".
In juni 1969 volgt uit het tweetal kandidaat R. van Beek en kandidaat B. de Romph, een beroep op kandidaat de Romph. Ook hij bedankt.
Begin 1970 volgt een beroep op kandidaat J. v.d. Vlies, echter zonder resultaat. Die kandidaat heeft een groot gezin en dat brengt de kerkenraad weer op de gedachte om serieus om te zien naar een pastorie.
De commissie van beheer komt kort daarna met het voorstel: aankoop van een pand aan de Waldeck Pyrmontlaan voor fl. 70.000,--. Men besluit het pand te kopen.
In dezelfde vergadering wordt besloten om ds. J. Kampman, bij enkelvoudige kandidaatstelling en 75% van de stemmen, aan de gemeente voor te stellen om te beroepen. Tijdens de ledenvergadering blijkt de beoogde meerderheid van 75% echter niet haalbaar en het beroep gaat dus niet door.
Eind 1970 probeert de kerkenraad het met het tweetal ds. N. de Jong te Driebergen en ds. J. Kampman te Ede. Nu krijgt ds. Kampman de meerderheid. Hij wordt beroepen, maar het wordt weer een teleurstelling.
In 1971 worden beroepen: kandidaat J. Jonkman (met algemene stemmen), ds. M. Vlietstra en - begin 1972 - kandidaat A. v.d. Weerd. Allen bedanken.
Mei 1972 volgt het tweetal ds. W. Heerma te Utrecht-Noord en ds. H. van Leeuwen te Urk.
Dit tweetal leidt opnieuw tot discussie tijdens de ledenvergadering. Er zijn bezwaren, onder andere vanwege de leeftijd van beide predikanten. Er worden uiteindelijk 11 blanco stemmen uitgebracht. In de bespreking van dit gebeuren meent de kerkenraad "dat men het zuivere evangelie niet meer wil horen".
Ds. Heerma krijgt het beroep, maar bedankt. Bij dat bedankje blijkt de nog maar kortgeleden gekochte pastorie een struikelblok te vormen. Er zijn te weinig kamers en vooral op de bovenverdieping is uitbreiding niet mogelijk. En voor een oudere predikant is een grote tuin niet aantrekkelijk.
De commissie van beheer wil tot verkoop overgaan en de kerkenraad stemt er mee in.
Hoewel uit de gemeente enig protest klinkt (onder andere de vraag: waarom wordt er niet met de gemeente overlegd) wordt de verkoop doorgezet en in het kerkblad toegelicht.

De pastorie verkocht
U hebt kortgeleden kunnen lezen, dat de kerkenraad heeft besloten de pastorie te verkopen. Inmiddels heeft de verkoop plaatsgevonden voor de prijs van fl. 95.000,--
Dit besluit zal u wellicht enigszins hebben verwonderd. We willen dat graag wat nader toelichten.
Aanvankelijk dachten wij dat het huis door middel van een flinke verbouwing goed geschikt zou zijn als pastorie. Bij nader inzien, mede door de bezoeken van beroepen kandidaten en predikanten, bleek dat vooral de bovenverdieping minder geschikt was voor de gedachte bestemming en kan ook door een verbouwing niet worden vergroot. De benedenverdieping moet eveneens een grote opknapbeurt ondergaan. Gezien de daarmee gemoeide kosten leek het beter het huis te verkopen en een - desnoods wat duurder - nieuwer huis te kopen. De zaak is met spoed behandeld om het beroepingswerk zo weinig mogelijk te stagneren en om straks mogelijk niet onder de dwang van de omstandigheden (een aangenomen beroep) te behoeven handelen. Dit zou een nadelige invloed op de verkoopprijs kunnen hebben.
Wij hopen dat het besluit hierdoor wat is verduidelijkt.

Het beroepingswerk gaat door. Eind 1972 volgt het tweetal ds. B. de Romph te Naarden en ds. H. van Leeuwen te Urk. Binnen de kerkenraad bestaat daarover geen eenstemmigheid, maar de meerderheid besluit om het tweetal aan de gemeente voor te stellen. Nu wordt ds. van Leeuwen gekozen. De gang van zaken leidt uiteindelijk tot een vervroegde kerkvisitatie, die door diverse gemeenteleden wordt bijgewoond. De kerkenraad krijgt het dringende advies om dit werk intern ernstig door te spreken en het belang van de gehele gemeente te zoeken.
Ds. van Leeuwen bedankt. In 1973 wordt ds. P. van Zonneveld te Leerdam beroepen uit een tweetal met ds. G. Bilkes. Ook hij bedankt. Hetzelfde gebeurt in 1974 met een beroep op kandidaat A. Baars en op kandidaat P. den Hartog (uit een tweetal met kandidaat R. Kok).

Eind 1974 denkt de kerkenraad na over gecombineerd beroepen, bijvoorbeeld met Baarn of met een grote gemeente in de omgeving (bijvoorbeeld Bunschoten). Ook zou gedacht kunnen worden aan een part-time funktie in het onderwijs. Er wordt eerst eens informeel gepolst in Baarn en Bunschoten. Dat levert echter geen positief resultaat op.
Ook het opnieuw stellen van een tweetal lukt niet. Uiteindelijk wordt besloten om ds. B. Bijleveld van Bussum bij enkelvoudige kandidaatstelling te beroepen. Hij bedankt (opnieuw).
In februari 1975 komt het voorstel op tafel om ds. W. Heerma te Utrecht-Noord te benaderen voor het verrichten van hulpdiensten. Hij gaat binnenkort met emeritaat, dus . . .
Op Goede Vrijdag 1975 preekt ds. Heerma in Soestdijk. Na de dienst wordt er met hem gesproken, hetgeen er toe leidt, dat hij zich bereid verklaart de gemeente volledig als hulpprediker te dienen. Direkt wordt er een ledenvergadering belegd. Er wordt ingestemd met een beroep op ds. Heerma, hoewel hier en daar de vraag leeft, of een beroep de juiste weg is.
Maar de kerkenraad heeft zich goed voorbereid, want er is advies ingewonnen in Apeldoorn (prof. van 't Spijker). Hij is van mening dat een beroep "heel goed kan".
Er wordt een overeenkomst opgesteld, waarin elkaars rechten en plichten worden vastgelegd. Huisvesting levert (uiteindelijk) geen problemen op, omdat ds. Heerma zelf voor huisvesting zorgt.
Zo nadert dus het einde van een lange vakature.

Hoofdstuk 6 Gesprekken met gemeenteleden over de periode 1950 - 1975

6.1 Gesprek met broeder G. de Wilde en zuster D. de Wilde-Westeneng

Kunt u een korte beschrijving geven van het gemeentelijk leven, nadat ds. de Bruyne is teruggetreden als hulpprediker?

"Ja, het was nog maar kort na de oorlog en de materiële omstandigheden waren moeilijk, vooral voor mensen met grote gezinnen. Ook de kerk was arm. We hielden in de winter 's morgens kerk in de consistorie. Dat scheelde veel stookkosten. 's Middags gebruikten we de kerk wel, want dan hadden we meestal een dominee.
Het kerkbezoek was matig, vooral tijdens de leesdiensten. Er waren diverse gezinnen, die alleen 's middags kwamen. In de kerk stond een grote potkachel, die gestookt werd door Teus Slagboom. De kachel gaf (vanwege de gasvorming) nogal eens grote "ploffen", waarbij het deksel omhoog vloog en met een klap weer terugviel. Je snapt dat de mensen die er dichtbij zaten dan flink schrokken.
In elke dienst zongen we een tussenzang, voordat de preek overging in de "toepassing".
Het was in de kleine consistorie wel een volgepakte boel. Er werd gekollekteerd met hengelstokken.
Als er eens een dominee was voor een hele zondag, dan kwam hij zaterdags al en bleef de zondag over.
Prof. Wisse logeerde eens bij de familie Boverhoff. Toen ze 's morgens naar de kerk liepen, liep de professor met Boverhoff mee, maar liep kennelijk te langzaam. Na een paar keer te hebben stilgestaan, dacht de professor kennelijk "dit duurt me te lang" en liep in flink tempo alleen naar de kerk, Boverhoff verbaasd achterlatend.
Ook is het eens gebeurd, dat een kerkenraadslid (naar later bleek, op eigen houtje) een mededeling in de Soester Courant had geplaatst (onder de rubriek "Kerkdiensten") met de tekst: "Geen dienst wegens verbouwing". De andere kerkenraadsleden kwamen er echter al gauw achter en riepen die broeder tot de orde. Zoiets kun je niet in je eentje bepalen. De diensten gingen alsnog gewoon door".

Er was vaak leesdienst. Welke preken werden er gelezen en door wie?

"De twee ouderlingen, H. Christiaans en D. Westeneng (een broer van zuster de Wilde; DvA) lazen om beurten preek.
De meeste preken kwamen uit de serie "Uit de levensbron", maar soms werd wel eens een "oude schrijver" of een preek van ds. G. van Reenen gelezen (een predikant uit de Gereformeerde Gemeenten; DvA). Die preken waren vaak erg lang. Omdat na ons de Gereformeerde Bond de kerk gebruikte, kreeg de kerkenraad vaak klachten dat onze (lees)diensten te lang duurden.
Soms als de preek echt te lang was, liet de ouderling wel eens een stukje weg. Maar dat "zat hem niet glad", want de oude zuster Lugtigheid kende de boeken van ds. van Reenen heel goed. Zij merkte het direkt en zei eens, bij het verlaten van de kerk, tegen de dienstdoende ouderling: "dat stuk heb je weggelaten!".
De preek werd gelezen vanaf een kleine katheder in de consistorie. Op een keer - Christiaans las preek - stortte, net nadat de preek gelezen was, de lessenaar met veel lawaai in elkaar. Zo gammel was dat ding".

Hoe verliep de gemeentezang? Waarmee werd de zang begeleid?

"In de consistorie werd een harmonium gebruikt. In de kerk een klein orgeltje.
Dat orgeltje is later verkocht voor een paar centen "omdat het volgens de orgelbouwer niets meer waard was". Toen echter iemand bij de afbraak kwam kijken, bleek dat alle pijpen heel zorgvuldig werden ingepakt. Ja, dan denk je, we hebben iets verkeerd gedaan.
De gemeente zong niet-ritmisch en erg langzaam. In die tijd bespeelde de heer Fros het orgel. Die wou wel wat vlugger, maar de gemeente werkte erg tegen.
Tijdens de biddagdienst werd hij zo boos, dat hij tijdens de dienst het orgel dichtsmeet en wegliep".

Kunt u iets vertellen over de rol van ds. W. Ruiter van Baarn?

Ds. Ruiter heeft hier veel goed werk gedaan. Hij bood aan om de kerkenraadsvergaderingen te leiden en om pastoraal werk te doen. Dat gaf veel steun, want de kerkenraad bestond in meerderheid uit eenvoudige mensen, die niet veel hadden geleerd.
Ds. Ruiter was degene die er op aandrong ds. de Smit te gaan beroepen".

Hoe was het verenigingsleven in de jaren '50 en '60?

"Er was een vrouwenvereniging "Dorcas", waarvan mevrouw de Bruyne presidente was. Die vereniging vergaderde 's middags. Een overblijfsel uit de oorlog in verband met de verduistering. Men bleef echter op de middag bijeen komen, omdat alle leden oudere mensen waren. Jongere dames konden dan natuurlijk niet. Een verzoek om 's avonds te gaan vergaderen wezen de dames echter af. Toen is het initiatief genomen door de zusters A. van Schaik-de Bruyne en L. Drost om een nieuwe vereniging op te richten. Dat was de doodssteek voor "Dorcas", want die bestond na een paar jaar niet meer.
De jeugvereniging vergaderde woendagavond, na de catechisaties".

In 1957 kwam ds. de Smit. Herinnert u zich nog iets uit de beginjaren?

"Ja, wat was de gemeente blij, toen ds. de Smit het beroep aannam. Het was een hele goede tijd. Ds. de Smit was een vriendelijke, gunnende prediker, die de gemeente weer opbouwde. Hij was ook gek op de jeugd. Die droeg hem op handen.
Het was zelfs zo, dat ds. de Smit in de eerste jaren dat hij hier stond, met de uitgaansdag van de jeugd meeging".

Broeder de Wilde, u bent in 1953 in het ambt van diaken bevestigd. Kunt u iets zeggen over de gang van zaken in de kerkenraad?

"De eerste jaren waren niet gemakkelijk. Veel deed men "op eigen houtje" zonder de kerkenraad er in te kennen. Dat gaf spanningen. Diverse ambtsdragers wilden dan ook weg door zich niet herkiesbaar te stellen. Ds. Ruiter heeft hierin veel goeds gedaan.
De vergaderingen werden zonder agenda gehouden. Na de opening begonnen we aan de "ingekomen stukken". Daarna werden de afgelegde bezoeken besproken. Dat waren er meestal echter niet veel. Er was geen tijd om huisbezoek te doen. Het gebeurde, dat gezinnen maar één keer in een paar jaar huisbezoek kregen. Voor ziekenbezoek en dergelijke was al helemaal geen tijd. Toen ds. Ruiter ook bij het pastorale werk betrokken werd, verbeterde dat.
Daarna werd nog gesproken over zaken die door de kerkenraadsleden werden geopperd. Veel struktuur zat er niet in. Ook dat werd beter na de komst van ds. de Smit.
Er werd natuurlijk ook regelmatig "censura morum" gehouden. Ik herinner me nog goed, dat broeder Christiaans in het gesprek daarover - zo met nadruk en echt uit z'n hart - zei: "Dominee, ik verlang er naar". Het werd zijn laatste Avondmaalsviering hier op aarde".

Weet u nog van de gezamenlijke diensten met de Ned. Hervormde gemeente (Gereformeerde Bond)?

Natuurlijk, dat waren mooie diensten. Meestal op Oud en Nieuw en een tweede feestdag. Zo is prof. Severijn hier nog voorgegaan. Meestal deden we het zo, dat bijvoorbeeld op oudejaarsavond een Christelijke Gereformeerde dominee voorging en op Nieuwjaarsmorgen een Nederlands Hervormde.
Beide kerkenraden zaten dan in de kerkenraadsbanken.
Toen ds. de Smit hier een poosje was, ging het over. De Ichthuskerk is toen al gauw gebouwd. Daarvoor huurden ze onze kerk. Dat was overigens zeer welkom vanwege de financiële situatie. Mevrouw de Bruyne was echter heel erg tegen die verhuur gekant. "Ze maken Gods huis een huis van koophandel" zei ze dan".

Herinnert u zich nog vreugdevolle en droevige gebeurtenissen in het gemeentelijke leven in die jaren?

"Ja, de jubilea van ds. de Smit staan ons nog helder voor de geest. Z'n 40-, 45- en 50-jarig jubileum zijn hier allemaal gevierd. Toen hij 40 jaar dominee was kreeg hij een nieuwe fiets. Natuurlijk vergeet je ook nooit de verdrietige dingen. Het verlies van onze zoon Jaap is natuurlijk iets dat heel diep ingrijpt. De gemeente leefde heel erg mee. Dat was tot grote troost. Heel mooi vonden we het dat leden van de jeugdvereniging de kist naar het graf hebben gedragen.
Ook vergeet je nooit dat Trijntje Boersma bij garage Tensen verongelukte.
En niet te vergeten het auto-ongeluk van broeder Ester, waarbij zijn vrouw omkwam. Dat gebeurde zondagmorgen na de kerkdienst op de Nieuweweg. De hele gemeente was diep verslagen".

Hartelijk dank voor dit gesprek.

D. van Arkel

6.2 Gesprek met zuster A.P. van Schaik-de Bruyne

Toen je vader in 1950 terugtrad als (hulp)predikant van Soestdijk, was je ongeveer 23 jaar. Jun je je vader typeren als pastor en prediker?

"Vader was een opgewekte man. Moeder was zwaarmoediger. Het waren beiden Zeeuwen, afkomstig uit Vlissingen. Ik herinner me nog, dat vader de huiskamer binnenkwam toen het "Leger des Heils kwartier" aanstond (een destijds bekend radioprogramma met muziek van het Leger des Heils). Hij riep toen al handenklappend, naar ons: "Wat zijn dat toch een blije christenen, daar moesten wij ook meer van hebben". Het was iemand, die met vreugde en graagte het Evangelie uitdroeg. Een man van de eerste generatie Christelijke Gereformeerde predikanten, die hun opleiding nog op de Theologische School in Rijswijk hebben ontvangen. Een man van het midden, wars van onnodige en overdreven tradities en beperkingen.
Ik herinner me nog een verhaal uit de tijd dat hij in Zwolle stond.
Er trouwde een zuster van (toen) ds. W. Kremer. Het was zijn eerste trouwdienst daar. Toen het bruidspaar het verloop van de trouwdienst kwam bespreken, vroeg vader of de bruid een boeket bij zich zou hebben. De bruid antwoordde daarop bevestigend, maar zei: "Dat boeket geef ik aan de koster. Die legt het op de achterste bank". "Nou", zei vader, "neem dat boeket maar mee in de kerk. Ik zorg wel voor een goed plekje voor in de kerk".
Vader was ook maatschappelijk heel aktief. Zo was hij lange tijd voorzitter van het schoolbestuur".

Was er sprake van grote homogeniteit in de gemeente van Soestdijk of waren er ook wel liggingsverschillen, zoasl we dat wel aanduiden. En zo ja, gaf dat spanningen?

Echt grote verschillen in geloofsbeleving waren er in die jaren niet. Althans niet zodanig, dat er sprake was van (latente) spanningen of grote meningsverschillen. Toch kon je wel spreken van accentverschillen.
Ik herinner me de dames Floor nog heel goed. Zij waren voor mij echt een voorbeeld van blijmoedige christenen. Er was ook wel sprake van avondmaalsmijding. Zo weet ik nog wel, dat sommige diakenen geen avondmaal vierden. Ook jongeren die belijdenis deden, vierden meestal niet (direkt) het Heilig Avondmaal mee. Daar is later (gelukkig) verandering in opgetreden. Ook de prediking van ds. de Smit heeft daarin veel betekend, ook voor mijzelf. Het accent viel veel meer op "Hij voor ons". Alleen Zijn genade brengt ons aan Zijn tafel.

Kun je iets zeggen over de betekenis van het verenigingsleven voor de gemeente?

"Ja, ik ben altijd heel sterk bij het verenigingsleven betrokken geweest. Mijn moeder zei, toen ik de kweekschool had afgemaakt, nu kun jij de meisjesvereniging wel van mij overnemen. Toen de meisjesvereniging wat klein werd hebben we - als proef - een seizoen samen met de jongelingsvereniging vergaderd, waarvan (mijn latere man) Jan van Schaik voorzitter was. Dat samen vergaderen beviel zo goed, dat de verenigingen daarna samen zijn gegaan.
De vrouwenvereniging bestond uit enkele oudere dames. Jongeren kwamen er niet bij. Toen zijn we in 1956 gestart met een vereniging van jongere vrouwen, die al snel goed liep.
Voor de pauze deden we Bijbelstudie en na de pauze handwerken voor de verkoopavond/bazar. Ook "Onderling Contact" is uit de vrouwenvereniging voortgekomen.
Onvergetelijk zijn voor mij ook de Kerstfeestvieringen. Gerda Schagen bespeelde dan het orgel en onze, inmiddels overleden, zuster Klein en haar vriendin mej. Boer zongen dan zo prachtig. Dat waren echt opbouwende avonden".

Waren er ook regionale contacten tussen de verenigingen?

"Ik herinner me uit de jaren '50 nog heel goed, dat toen de Kring van meisjesverenigingen funktioneerde.
Zo herinner ik me nog de kringvergaderingen in Amersfoort met mevrouw Maris-v.d. Vegt (de overleden eerste echtgenote van dr. J.C. Maris; voor ons "tante Adrie") en de dochters van ds. Drenth.
Ook deden we jaarlijks het zogenaamde "kringbezoek". Er ging dan een afvaardiging van de Kring op bezoek bij elke vereniging. Dat gebeurde om te zien hoe het plaatselijk "liep" en ook wel om ideeën op te doen voor de inrichting van de verenigingsavond en/of de behandeling van onderwerpen. En dat alles met trein en bus in de avonduren".

Waren er ook interkerkelijke kontakten en zo ja, waaruit bestonden die ? Nam de kerk ook deel aan het werk van maatschappelijke organisaties ?

"Ik heb al verteld, dat vader een tijd voorzitter van het schoolbestuur is geweest. Hij zette zich wel in op dat gebied. Zo heeft hij zich er ook voor beijverd, dat er een Chr. Geref. onderwijzer zou worden benoemd. Hij deed ook mee aan de Chr. Oranjevereniging en stimuleerde het werk van het NBG.
Volgens mij was de gemeente daar echter niet of nauwelijks bij betrokken. Er waren geen interkerkelijke kontakten, althans niet officieel. Hooguit enkele individuele leden hadden kontakten buiten de eigen gemeente".

Herinner je je gebeurtenissen in het gemeentelijk leven, die aanleiding gaven tot discussies? Ik denk dan vooral aan veranderingen en vernieuwingen en zaken die op het bredere kerkelijke erf aan de orde waren, zoals de invoering van de Nieuwe Vertaling e.d.?

"Op de jaarlijkse ledenvergaderingen, waar ook zusters kwamen, werd over allerlei dingen gesproken. Dat gaf meestal geen grote moeilijkheden.
Ik herinner me niet, dat het besluit van de kerkenraad om de Nieuwe Vertaling niet in te voeren grote commotie gaf. De meesten waren het daar wel over eens.
Ook het afschaffen van de voorlezer gaf geen problemen. Dat viel samen met de restauratie van de kerk. Het zingen was wel steeds een bron van problemen.
Een zaak die wel tot protesten leidde, was het besluit van de kerkenraad om het vrouwenkiesrecht af te wijzen. We hadden (en hebben) in de gemeente diverse alleenstaande vrouwen. Door dat besluit blijven zij verstoken van enige betrokkenheid bij de verkiezing van ambtsdragers en dergelijke. Er is toen een brief naar de kerkenraad gegaan met de handtekening van heel veel broeders en zusters die het niet eens waren met dat besluit. Ik vind dat (nog steeds) een heel slecht besluit".

Je hebt vele jaren deel uitgemaakt van de gemeente van Soest. Een belangrijk deel van je geestelijke vorming heb je hier ontvangen. Hoe zou je die groei willen kenschetsen?

"Zeker, ik ben hier gevormd. Naast mijn ouders hebben ds. de Smit en een goede vriendin van mijn moeder uit Zwolle (zuster Harms) veel voor mij betekend. Ze hebben me geleerd van mijzelf af te zien. "Hij heeft het gedaan". Omdat Hij roept, kon en mocht ik komen. Maar ik moet eerlijk zeggen, dat ook de kontakten met vele anderen in het bredere kerkelijke leven veel voor mij hebben betekend. Daardoor verruimt zich je blik en zie je dat anderen, soms op andere manieren, ook de Heere van harte dienen".

Tenslotte, welke dingen zou je noemen, als ik je vraag welke gebeurtenissen in de gemeente indruk op je hebben gemaakt?

"Ja, dat zijn er meerdere natuurlijk. Maar wat mij het eerste te binnen schiet, dat is de periode waarin het nieuwe (huidige) orgel werd gekocht en geplaatst. De voorbereidingen daartoe, de akties die werden gevoerd, de saamhorigheid in de gemeente en de ingebruikname staan mij nog levendig voor ogen. Dat was een hele fijne tijd.
Ook de bazars uit die tijd vergeet ik niet gauw meer. Iedereen deed mee en dat verstevigde de onderlinge band".

Heel hartelijk dank voor het openhartige gesprek.

D. van Arkel

6.3 Gesprek met broeder H.W. Westeneng sr. en zuster E. Westeneng-van Schaik

Jullie waren in 1950, bij het vertrek van ds. de Bruyne, ongeveer 16 jaar oud. Hoe verliepen toen de catechisaties? Had hij een band met de jeugd? Wie gaf er na ds. de Bruyne catechisatie?

"We herinneren ons niet zoveel meer uit die jaren. Ik (broeder H.W.W.) weet nog wel dat ik vrijdagavond catechisatie kreeg bij ds. de Bruyne thuis aan de Oranjelaan, naast de watertoren. Ik kreeg dat samen met mijn oom Wim en met Dirk Brons. Dat kwam, omdat wij niet op het gewone tijdstip konden komen.
Ds. de Bruyne catechiseerde uit "Hellenbroek"".
Zuster Westeneng weet, dat ds. B.J. Oosterhoff van Utrecht (de latere prof.) in Soest catechisatie gaf: "We moesten toen heel veel schrijven. Ook ouderling Derks heeft catechisatie gegeven. Na een korte periode de heer Roos (de latere ds. M.S. Roos) te hebben gehad, kwam ds. I. de Bruyne uit Hilversum de jeugd onderwijzen. Ze noemden hem "het vliegend evangelie", want hij fietste zo hard. Ook mag niet onvermeld blijven, dat ds. Vlietstra uit Eemdijk catechisaties gaf. Hij kwam op de fiets en later op de Solex. Hij was heel geliefd bij ons en nam een grote plaats in".

Was er veel jeugd in die jaren in de gemeente? Hoe ging het met de verenigingen?

Zuster W.: "Er was in die jaren nog een meisjesvereniging, die vergaderde in de pastorie. Mevr. de Bruyne was presidente van "Ora et Labora". Er waren maar 5 of 6 leden. Later nam Adrie de Bruyne (nu zuster A. van Schaik-de Bruyne) de taak van haar moeder over. Op den duur lukte het echter niet de vereniging overeind te houden. Er waren te weinig leden. In de loop van de vijftiger jaren is de meisjesvereniging gefuseerd met de jongelingsvereniging "Jozef" tot de jeugdvereniging "Tot Opbouw", die nu nog bestaat. Ik werd daarvan de eerste secretaresse".
Broeder W.: "Ja, de J.V. had wat meer leden, zij het dat er nogal wat "oudere" jongeren op gingen zoals mijn oom Wim, Jo v.d Post en Hendrik Nap. Jan van Schaik was onze voorzitter. We hielden toen jaarlijks ook een "jaarvergadering". We deden dan verschillende dingen. Zo stond er ook eens een declamatorium op het programma. Waar het over ging weet ik niet meer, maar in ieder geval moest Hendrik Nap op z'n knieën in de kansel zitten zodat niemand hem zag. Opeens klonk er tot schrik en verbazing van de aanwezigen ineens diep weg uit de kansel: "De keizer is koning, de keizer is koning".
Jan van Schaik is lange tijd voorzitter geweest van de nieuwe jeugdvereniging, zij het dat er ook nog even een "invaller" uit Amersfoort als voorzitter heeft gefungeerd, namelijk broeder R. v.d. Kamp (de vader van ds. R. v.d. Kamp).
We hadden een traditionele agenda, namelijk na de opening een bijbels onderwerp. Daarna pauze. Vervolgens een vrij onderwerp. De pauze werd gebruikt om een sigaret te roken. Dat mochten alleen de jongens natuurlijk. Koffie dronken we niet, want er was geen gelegenheid om die te zetten".

Hoe vonden jullie die vele leesdiensten? En welke predikanten kwamen er in de jaren '50 zoal in Soest preken?

"Leesdiensten vonden we heel gewoon. We waren niet anders gewend. We hadden verschillende goede lezers en dat scheelt natuurlijk ook wel. Soms las een diaken een preek (bijvoorbeeld broeder P.J. Drost) en dan sprak een ouderling het gebed uit.
We hielden ook weekdiensten (op woensdagavond). Daar kwamen dan zo'n 35 mensen. Dan hadden we altijd een dominee. In die tijd preekte hier ds. H.J. Velema (die stond toen in Bunschoten). Nou, dat was een vurige man. We hadden een grote preekstoel, maar hij had 'm helemaal nodig hoor. Andere predikanten die ik mij herinner waren ds. J. Drenth uit Amersfoort, ds. K. Bokhorst uit Naarden en ook wel ds. E. du Marchie van Voorthuijsen en ds. W. Ruiter uit Baarn (onze consulent).
De J.V. nodigde ook wel sprekers uit. Zo herinner ik me een spreekbeurt van prof. Wisse. Hij sprak voor/over het werk van de Spaanse Evangelische Zending. Ik heb onze kerk nog nooit zo vol gezien. Er waren ook diverse Rooms Katholieke Soesters in de kerk.
In latere jaren werd het aanbod van dominees wat groter, omdat Jan van Schaik een auto had en daarmee dominees haalde en wegbracht, zoals ds. K.G. van Smeden uit Utrecht, ds. P. op den Velde uit Hilversum en ds. P. de Smit (toen) in Zeist.
Ik herinner me ook nog dat ds. G. Salomons een poosje bij ons heeft gekerkt".

Hoe stond het er voor met de kerkelijke gebouwen en het orgel?

"Nou, de kerk vertoonde nogal wat gebreken. Er was geen geld om er veel aan te doen, maar sommige dingen moesten toch gebeuren. Het kwam ook wel door de manier waarop de kerk was gebouwd. Tijdens de bouw was het terrein opgehoogd en later bleek, dat aan de achterkant steeds verzakkingen voorkwamen. Daardoor scheurde de achtermuur. Die scheur bleef, ondanks herstelpogingen, steeds weer zichtbaar, totdat de laatste reparatie plaatsvond (enkele jaren geleden). Ik zie nu niets meer.
We hadden een grote, houten kansel, die best fraai was uitgevoerd. Ik hoor nog hoe ds. de Bruyne zo nu en dan een flinke "stamp" op de houten vloer gaf om te voorkomen, dat sommige gemeenteleden "de aandacht verloren". Een oudere zuster, Bertha van de Broek, had geen horloge. Om toch te weten hoe laat het was, stopte ze een wekker in haar tas. Plotseling, tijdens de dienst, klonk het "prrr". De wekker liep per ongeluk af, maar de dominee ging gewoon door.
De grote kachel midden in de kerk moest voor warmte zorgen. Om zoveel mogelijk van de warmte te profiteren, was de afvoerpijp boven langs het plafond aangebracht en ging er boven de kansel pas uit. Boven de kansel zat vroeger trouwens ook een raam. Best mooi. De kachel is vervangen door een gasverwarming. Daar hebben we veel ellende mee gehad. Of je kreeg ze niet aan of ze stonken verschrikkelijk.
We hadden een pijporgeltje in die tijd. Maar voor de windvoorziening moest een orgeltrapper zorgen. Broeder Fros, de organist hield er van om alle registers nogal eens open te trekken. Nu dan was het werken geblazen. Bovendien sprong het trappedaal wel eens los. Dan moest je als een haas op je knieën, gauw vastmaken en direkt weer "bijtrappen", want anders viel het orgel stil.
Later kregen we een elektronisch orgel. Een soort bioscooporgel, zei men, met houten pijpen.
De consistorie was maar heel eenvoudig en klein. Veel kleiner dan nu, want er ging toen nog een stuk af voor het kolenhok".

Jullie herinneren je natuurlijk nog de ambtsperiode van ds. de Smit. Willen jullie daar iets over vertellen?

"We hebben beiden catechisatie van hem gehad en ook belijdeniscatechisatie. Dat laatste gebeurde bij hem thuis. Hij heeft ons ook getrouwd en drie kinderen gedoopt.
Ds. de Smit was een man van de vrede. Je kon geen ruzie met hem krijgen. Hij preekte ook heel gunnend. Het was een gezegende periode, voor ons, maar ook voor de gemeente. Het was ook een echte heer om te zien. Elek zondag, ook na zijn emeritaat, zag je ze samen, keurig gekleed, gearmd naar de kerk wandelen, met die kleine stapjes".

Hoe werd er omgegaan met de Avondmaalsviering? Was er veel sprake van Avondmaalsmijding en hoe sprak ds. de Smit daarover met de jongeren?

"Ds. de Smit sprak tijdens de belijdeniscatechisatie altijd over het verband tussen het belijdenis doen en de Avondmaalsviering. Hij wekte de jongeren op om daarnaar te staan. Maar we beseften heel goed, dat het belijdenis doen wel een kerkelijk recht gaf tot de Avondmaalsviering, maar nog geen Goddelijk recht. Maar we moeten nu ook beseffen, dat er vroeger veel minder open over werd gesproken dan tegenwoordig.
Er was vaak een grote afstand tussen de dominee en de jongere, hoewel ds. de Smit daar echt geen aanleiding toe gaf, maar de verhoudingen lagen toen toch duidelijk anders.
Nu praten jongeren gelukkig meestal wat opener met hun dominee dan toen".

Hoe ervoeren jullie het werk van de ambtsdragers?

"Alles ging toen heel anders dan nu. De kerkenraad bestond uit eenvoudige mensen, die hard en lang moesten werken voor hun gezinnen. Er was weinig tijd voor huisbezoeken en dergelijke. Doopbezoeken, zoals nu worden gebracht, die kenden we niet. We vroegen gewoon, kunnen we volgende week zondag dopen? Huisbezoek kregen we niet elk jaar".
(broeder W.): "Voor ons gezin gold kennelijk, dat vader (die jarenlang ouderling is geweest) in zijn eigen gezin huisbezoek deed, want ik herinner me uit die jaren niet, dat er ooit huisbezoek is gedaan. Later, vooral na de verkiezing van broeder G. van Kooten, ging dat veel beter. Deze broeder heeft veel werk verzet en daarvoor heb ik groot respekt. Hij had hart voor de gemeente en heeft heel wat afgesjouwd".

Zijn er, terugkijkend, dingen die diepe indruk op jullie hebben gemaakt? Hetzij vreugdevolle of verdrietige zaken?

"Ja, heel mooi was het 50-jarig jubileum van ds. de Smit. Dat vergeet je nooit meer. Ook de restauratie van de kerk in de zeventiger jaren was een ingrijpende zaak met een prachtig resultaat. Diepe indruk maakte het verongelukken van Jaap de Wilde en zuster Ester. Maar er zijn ook preken geweest, die je nooit meer vergeet en die in je geheugen staan gegrift". Zo wordt een preek genoemd van ds. de Smit over de tekst: "... Eer de kwade dagen komen". "Dat is, ten diepste, toch het wonder: dat de Heere in de loop van al die jaren door de prediking van Zijn Woord tot zondaren heeft gesproken van genade voor recht".

Hartelijk bedankt voor dit gesprek.

D. van Arkel

Hoofstuk 7 De periode van 1975 tot 1998

Als predikant van de gemeente is mij gevraagd om een hoofdstuk in dit boek te schrijven over de laatste ruim twintig jaar. Om twee redenen vond ik dat moeilijk. Allereerst omdat ik nog maar anderhalf jaar de gemeente dien; dat is nog zo kort. Maar ook omdat ik niet uit de gemeente kom en dus alles uit (notulen)boeken en mondelinge informatie moet halen. Dit hoofdstuk is met opzet beknopt gehouden omdat er veel van de hier genoemde dingen betrekkelijk kort geleden gebeurd zijn en daarom vers in het geheugen liggen. Er ligt vaak nog persoonlijke betrokkenheid bij wat hier volgt. Daarom willen we als samenstellers van dit boek nog eens duidelijk stellen: we willen met dit boek geen pijnlijke herinneringen oproepen. Ook geen mensen kwetsen.
Dit hoofstuk gaat over een tijd waarin de gemeente door moeilijke jaren ging. Als we in dit hoofdstuk terloops die moeilijke jaren uit de gemeente moeten noemen doen we dat alleen omdat daarbij zal blijken hoe groot Gods trouw over die jaren was. De Heere heeft ons als gemeente bewaard bij Zijn Woord.

7.1 De periode 1975 tot 1998 in enkele hoofdstukken

Graag wil ik u in dit hoofdstuk eerst meenemen naar wat cijfers van onze gemeente en wat andere bijzonderheden over de jaren waar het in dit deel over gaat. De cijfers in de tabellen laten zien hoeveel lidmaten er waren. We gaan eerst even naar de voorafgaande jaren; noem het maar de voorgeschiedenis van dit hoofdstuk. Waarmee bedoeld zijn de jaren 1955 tot 1975.

Voorgeschiedenis: 1955 - 1975

Aantal lidmaten van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Soest over de jaren 1955-1975.

Jaar

Totaal

Doopleden

Belijdende leden

1955

121

61

60

1960

157

82

75

1965

164

80

84

1970

199

97

102

1975

204

107

97

Een groot deel van deze jaren diende ds. P. de Smit de gemeente als predikant (1957-1961) of als hulpprediker (1961-1968).

Uit die cijfers kunnen we enkele gevolgtrekkingen maken. En bij die gevolgtrekkingen geef ik wat kommentaar uit wat ik las of hoorde.

  • Over de jaren 1955 - 1975 groeide de gemeente van 121 tot 204 leden. Deze groei kwam deels door groei van binnenuit; onze gezinnen kregen kinderen. Voor een ander deel kwam deze groei doordat mensen van buiten onze gemeente zich aansloten. Onder de laatste groep mensen waren vooral gezinnen die van buiten Soest kwamen en zich hier gevestigd hebben.
  • Deze groei in ledental begon al in de jaren voor ds. P. de Smit hier kwam en ging door nadat hij de gemeente ging dienen. In de jaren dat ds. P. de Smit niet meer kon dienen bleef de gemeente groeien. Het werk van deze broeder is niet zonder vrucht gebleven zoals we eerder in dit boek hebben kunnen lezen. Nog steeds zijn er mensen in onze gemeente die kunnen doorgeven wat ds. de Smit in geestelijk opzicht voor ze betekend heeft. In de jaren nadat ds. de Smit niet meer kon dienen werd broeder G. van Kooten voorzitter van onze kerkenraad. Hij was in de gemeente erg geliefd en had de gave om geestelijk leiding te geven aan de gemeente. Hij had een herderlijke instelling die vanuit een godvrezend leven uitstraalde naar de gemeente.

De jaren 1975 - 1998 geven een ander beeld te zien. Groei ging over in teruggang. Er kwamen tijden dat de gemeente door diepe dalen ging. Gelukkig mogen we in dit boek doorgeven dat we daar niet in bleven: door Gods trouw werden we bewaard. Dat mag al blijken uit de volgende cijfers.

Jaar

Totaal

Doopleden

Belijdende leden

1975

204

107

97

1980

213

92

121

1985

191

87

104

1990

147

66

81

1995

144

57

87

1998

152

68

84

Als we voorzichtig wat gevolgtrekkingen hieruit maken en wat kommentaar daarbij geven komt het volgende beeld naar voren.

  • De jaren 1975 tot 1998 geven een ander beeld te zien als de jaren daarvoor. In deze jaren verlieten veel leden onze gemeente.
  • De eerste jaren (1975 - 1980) groeide de gemeente nog; het waren de jaren waarin ds. W. Heerma de gemeente diende (1975 - 1978) of nog pastoraal betrokken kon zijn. We hadden in 1980 niet minder dan 213 leden.
  • In de jaren 1980 - 1995 daalde het ledental van onze gemeente van 213 tot 144 leden. Het waren moeilijke jaren waar onze gemeente doorheen geholpen is en waarin de gemeente gelukkig niet herderloos was. Ds. J.W. Schoonderwoerd mocht deze jaren trouw de gemeente bearbeiden in de zondagse bediening van het Woord en samen met de kerkenraad in het herderlijk werk doordeweeks. In oktober 1981 wordt de naam van onze gemeente (weer) veranderd van Soestdijk naar Soest.
  • In deze jaren is een niet gering aantal leden uiteindelijk uit onze gemeente vertrokken. Het aantal lidmaten daalde van 213 tot 144. We verloren een derde van ons lidmatenaantal. De meesten gingen naar andere Chr. Ger. Kerken, voornamelijk naar de gemeenten van Amersfoort of Baarn.
    Anderen verhuisden en werden in een Chr. Ger. Kerk daar lid. Weer anderen gingen over naar een ander kerkgenootschap.
  • De laatste jaren lieten weer een lichte groei zien. Het trouwe ambtelijke werk van ds. Schoonderwoerd mocht vrucht dragen in de gemeente en de rust in de gemeente keerde terug. Het deel van de gemeente dat overbleef moest leren om samen de Heere eendrachtig te dienen. Daar heeft de Heere in geholpen; met gebruikmaking van de rustige en volhardende dienst van ds. J.W. Schoonderwoerd groeide een stuk samenhorigheid. Onderlinge liefde en onderlinge verbondenheid gingen steeds meer de boventoon voeren. Allerlei gemeentelijke aktiviteiten werden opgebouwd of kwamen tot verdere ontwikkeling. De gemeente kwam trouw op in de twee zondagse diensten; er was ook weer wat groei. Die jaren lieten ook weer het verschijnsel zien dat gezinnen van buiten de gemeente zich aansloten.

7.2 Wat bijzonderheden over de tijd waarin ds. W. Heerma de gemeente diende (1975 - 1978)

Met de komst van ds. W. Heerma kwam een eind aan een herderloze tijd. Verschillende beroepen waren uitgebracht en telkens werd er bedankt. En toch bleek er een grote behoefte aan een eigen predikant die een stuk geestelijke leiding gaf. Vandaar dat de verbintenis met ds. W. Heerma na zijn emeritering uitkomst voor de kerkenraad en gemeente gaf. De dominee wilde een kontrakt van drie jaar; in de praktijk is gebleken dat het ook niet langer gekund had. Samen met zijn vrouw zuster A. Heerma-Wieske en hun zoon, onze broeder K. Heerma, gingen ze wonen op Veenbesstraat 396. Het adres waar moeder en zoon nog steeds wonen. Er volgde een tijd waarin geestelijke leiding aan de gemeente gegeven werd vanuit prediking en pastoraat. En er kwamen dingen tot opbouw en verdere ontwikkeling. Na die drie jaar heeft hij overigens nog enkele jaren wat pastorale bezoeken in de gemeente kunnen afleggen en hier nog gepreekt. Op zondag 3 september 1978 nam hij in een dienst afscheid van het werk als hulpprediker. Daarna was onze consulent, ds. R. van Beek uit Baarn, bereid om naast het geven van catechisaties ook wat bezoekwerk in de gemeente te doen.

Kerkenraad en gemeente

Op 23 juli 1975 werd ds. W. Heerma als ouderling van de gemeente bevestigd. Voortaan was hij voorzitter van onze kerkenraad. Daarin gaf hij duidelijke leiding en als het nodig was bracht hij een bespreking naar het punt waar het in de kerk naar toe moest gaan. Vooral als het om principiële dingen ging. De kerkenraad vergaderde in die jaren eens per drie weken; dat is vaker dan in onze tijd waarin dit eens per maand is. Vanaf 25 augustus was ds. Heerma voorzitter. De samenstelling was toen als volgt:
Ouderlingen: H. Konijn, J.C. Westeneng, G. van Kooten en ds. W. Heerma.
Diakenen: A. van Amerongen, E. de Jong en J.H. Braber.

In de jaren die volgden is de samenstelling van de raad behoorlijk veranderd. Broeder G. van Kooten die heel geliefd was in de gemeente treedt in deze jaren af nadat hij 18 jaar gediend heeft. In al die jaren is zijn ambtsperiode vaak verlengd; soms na herhaaldelijk aanhouden om nog aan te blijven omdat hij niet gemist kon worden. Of omdat er geen andere geschikte kandidaten waren. Tot 1 januari 1977 heeft hij mogen dienen. Als hij aftreedt is hij bijna 78 jaar oud. Overigens komen we in die laatste jaren zijn inbreng al niet meer zo vaak tegen in de notulen van de kerkenraad. In de gemeente bracht hij nog wel gewaardeerde bezoeken. De laatste jaren van zijn leven bracht hij door in "Groot Engendaal" waar hij in 1993 overleed.
In deze jaren trad ook af broeder E. de jong die 13 jaar diaken was. Als hij aftreedt lezen we van waarderende woorden voor al het werk dat hij verrichten mocht.

Er komen in die jaren enkele wat jongere broeders in de kerkenraad. Broeder A. van Amerongen kreeg ontheffing als diaken; hij wordt in april 1976 opgevolgd door broeder C. Westeneng die dan 33 jaar oud is. Overigens kon de tijd waarin broeder Westeneng diaken was niet lang zijn; als hij begin 1979 aftreedt verhuist hij met zijn gezin naar Nijkerk. In 1978 wordt diaken broeder E. de Jong (63) opgevolgd door broeder A.C. Snijders die dan nog 29 jaar oud is. Intussen wordt broeder G. van Kooten opgevolgd door broeder G. de Bruin die dan midden in zijn vijftiger jaren is. Broeder de Bruin was afkomstig uit Nunspeet en heeft enkele jaren hier gewoond; in het dagelijkse leven was hij tekenleraar aan de van Lodenstein scholengemeenschap in Amersfoort. In onze gemeente aangekomen werd hij al spoedig tot ouderling gekozen. Hij heeft als scriba en jeugdouderling gediend en ook wel catechisaties gegeven. In 1997 mocht broeder de Bruin in de Heere ontslapen.

Onder leiding van ds. Heerma heeft de kerkenraad in die jaren de moeilijke knoop van de aanvangstijd van de tweede dienst doorgehakt. Was er eerst nog een dienst om 19.00 uur, dit ging over in een dienst om 17.00 uur. Een vroege middagdienst maakte het mogelijk dat meer mensen tweemaal per zondag naar de kerk konden maar was bezwaarlijk voor landbouwers die om die tijd moesten melken. De kerkenraad koos ten tijde van ds. Heerma duidelijk voor het vroege aanvangsuur. Verder begon de raad aandacht te geven aan de identiteit van de christelijke school. Ds. Heerma was één van de eerste bestuursleden van de van Lodenstein scholengemeenschap in Amersfoort en gaf er op kerkenraadsvergaderingen blijk van dat we oplettend moesten zijn. Daarin gesteund door ouderling de Bruin. De kerkenraad verstrekt in die jaren ook een lening van fl. 1.000,00 aan genoemde scholengemeenschap in Amersfoort.

Verder vond onder leiding van de kerkenraad ook de bouw van onze consistorie en de vergaderruimten plaats. Na allerlei voorbereidingen lag op de kerkenraadsvergadering van 18 december 1975 een bouwtekening die door broeder L.H. Boot toegelicht werd. Op voorstel van D. van Arkel werd het plan uitgebreid met een kelder waar de jeugd iets kan doen. Als de tekening aangepast is wordt een bouwvergunning bij de gemeente aangevraagd die halverwege 1976 wordt afgegeven. Op een gemeenteavond van 12 juli 1976 blijkt dat de gemeente zich in de plannen kan vinden. De kosten gingen ongeveer fl. 145.000,00 bedragen. Spoedig daarna begon de bouw die eind 1976 klaar kwam. De kerkenraadsvergadering van 3 januari 1977 wordt in de nieuwe consistorie gehouden. Voortaan is er ook een kinderoppas voor de morgendiensten.

In de tijd van ds. Heerma valt ook het begin van ons gemeenteblad. Nieuws over onze gemeente kwam tot oktober 1978 uitsluitend in het classicale blad "Om Sions Wil". Vanaf die tijd kregen we daarnaast ons gemeenteblad dat maandelijks ging verschijnen. En zo is het al de jaren daarna gebleven. We kunnen nog steeds in "Om Sions Wil" lezen over de gemeente. Wat uigebreider nieuws komt in ons eigen blad. Het gemeenteblaadje (zo is het lang genoemd) groeide in de loop van de jaren uit tot iets wat niet meer weg te denken is voor ons als gemeente. Zodra het uitkomt zijn onze leden benieuwd naar de inhoud. Het dient ook tot versterking van de onderlinge band.

Als we wat bijzonderheden uit de gemeente aanhalen uit die jaren dan ga ik eerst naar het werk van ds. Heerma. Hij deed veel bezoeken, waaronder de huisbezoeken samen met de ouderlingen. Die bezoeken werden gewaardeerd omdat er geestelijke leiding in gegeven werd. Als detail weten de mensen nog dat de dominee graag een sigaar rookte. Verder gaf hij de catechisaties waarover hij op de kerkenraad verslag uitbracht. Zo viel hem op dat onze jongeren vaak de catechisatiebus vergaten; een opmerking die tot vandaag aandacht moet genieten. Verder ging de dominee voor in de zondagse diensten. Na twee jaar werd het geven van de catechisaties wat teveel en tot de komst van ds. J.W. Schoonderwoerd in 1981 heeft ds. R. van Beek van Baarn als onze consulent onze jongeren onderwezen.

Het evangelisatiewerk kreeg intussen ook meer aandacht. Zij het in de eerste jaren nog wat moeizaam. Een evangelisatiecommissie was er al vanaf 1971. Er moest nog zoveel van de grond komen en het kost gewoonlijk tijd voor een gemeente om haar roeping in dit opzicht te zien naar de onkerkelijke naaste om ons heen. Beiden de dominee en onze kerkenraad waren beducht voor een wijze van evangelisatie die in strijd met onze belijdenis was. Zo kon ds. Heerma over een interkerkelijke tentevangelisatie in Soest op een kerkenraadsvergadering uitroepen: "Maak er geen show van". Intussen begonnen sommigen uit onze gemeente in te zien dat we een taak hebben om onze onkerkelijke naaste te dienen met het evangelie. Op de kerkenraad is in die jaren samen met de evangelisatiecommissie nagedacht over wat onze taak is. Dat leidde tot een instructie voor de commissie. De kerkenraad zag in die jaren vooral als taak om lectuur uit te delen en gesprekken daaromheen op te bouwen. Zoiets werd ook gedaan. In februari 1978 komt de commissie tot het voorstel een evangelisatiezondagsschool te beginnen in de wijk "Overhees". Die is er ook gekomen en is er nog. Op zondag 8 oktober is de evangelisatiezondagsschool daar begonnen. Stuwende kracht in de eerste jaren was onze zuster N. van Arkel. Verder zag de kerkenraad het op haar weg om de gemeente te aktiveren om de onkerkelijke naaste te bereiken. In het voorjaar van 1978 besloot de raad om meer aandacht in het gemeenteblad aan evangelisatie te geven en in de toekomst een avond met de gemeente te beleggen over dit onderwerp. Dat laatste is ook gebeurd.

Toen ds. Heerma aan het einde van de drie jaar kwam dat hij zich aan ons verbonden had merkte hij dat hij niet langer onder grote werkdruk kon dienen. Hij nam in een dienst van 3 september 1978 afscheid. In de kring van onze kerkenraad leefde veel waardering voor zijn ambtelijk werk in de jaren dat hij hier gediend heeft. Tot de komst van ds. Schoonderwoerd legde hij nog wel pastorale bezoeken af in onze gemeente; de laatste tijd was dat vrijwel belangeloos. Ds. W. Heerma heeft tot het laatst van zijn leven bij ons in Soest gewoond. Op 18 april is hij ingegaan in de eeuwige rust; de rouwdienst vond plaats op 20 april. Daarin hebben ds. P. Roos en ds. J.W. Schoonderwoerd het Woord mogen bedienen. Onze zuster A. Heerma-Wieske is nog steeds onder ons; als ik dit schrijf is ze (nog) 90 jaar en nog geregeld in staat de kerkdiensten bij te wonen. Onze broeder K. Heerma woont bij zijn moeder en heeft inmiddels 8 jaar de gemeente als diaken mogen dienen.

7.3 Beroepingswerk 1978 - 1980

Toen ds. Heerma afscheid nam is het beroepingswerk al spoedig weer ter hand genomen. Het volgende lijstje geeft aan welke broeders een roeping naar onze gemeente ontvingen. Alleen de laatste broeder in dat lijstje wist zich geroepen en hij werd onze nieuwe predikant!

ds. B. Bijleveld te Bussum, 22 oktober 1978
kand. G.J. van Rookhuijzen, 21 januari 1979
ds. G. Bilkes te Bennekom, 25 maart 1979
kand. H.H. de Haan, 1 juli 1979
kand. P.J. Kok, 14 september 1979 (kwam later wel in Soest wonen!)
kand. J.W. Schoonderwoerd, 26 oktober 1980

Het mag opvallen dat het beroepingswerk van september 1979 tot oktober 1980 stilgestaan heeft. Toen stond de kerkenraad ook voor de vraag: moeten we wel kandidaten blijven beroepen. Opmerkingen als: "de gemeente is voor een kandidaat een hele aanpak" werden steeds meer gehoord. In die tijd kreeg kand. Schoonderwoerd het beroep uit onze gemeente. Hij kreeg vrijmoedigheid dit aan te nemen. In zijn eigen stuk in dit boek schrijft onze broeder meer daarover.

7.4 De periode 1985 - 1995

Komst ds. J.W. Schoonderwoerd

Op 30 oktober 1980 komt ds. W. Heerma op de kerkenraad om verslag te doen van de laatste bezoeken die hij in de gemeente afgelegd heeft. Inmiddels was op 26 oktober kand. J.W. Schoonderwoerd beroepen; hij nam later het beroep naar onze gemeente aan. Hij en zijn vrouw hebben hier tot begin 1996 mogen dienen; voor de manier waarop ze ons gediend hebben is nog steeds veel waardering. En ook hun kinderen zijn onder ons nog niet vergeten.

Voor de nieuwe dominee en zijn vrouw moest huisvesting geregeld worden. De gemeente had geen pastorie. De gemeente kon zich vinden in de koop van een huis in de Ereprijsstraat 59, deels met eigen middelen. Er kwam een aktie ten behoeve van de onkosten die zijn komst meebracht, die ongeveer fl. 15.000,00 opbracht. Aan de pastorie moest een kleine verbouwing plaatsvinden. Op 31 januari zijn ds. en mevrouw Schoonderwoerd intussen in de pastorie getrokken en is er een begroetingsavond. Op vrijdag 6 februari is de dominee bevestigd; zijn vroegere pastor ds. G. Bouw van Scheveningen leidde de dienst van bevestiging waarna ds. Schoonderwoerd intrede deed. Voor de dienst van bevestiging en intrede werd gebruik gemaakt van de Julianakerk.

Op 11 februari werden in de kerkenraad de werkzaamheden van de nieuwe dominee geregeld. Als regel zal de predikant op maandag vrij zijn. De komende periode zal gebruikt worden voor kennismakings- en ziekenbezoeken. Na de zomervakantie zal de dominee meegaan op huisbezoek. Hij wordt eindredakteur van ons kerkblad. Onze gemeente had weer een eigen herder en leraar.

Samenstelling van de kerkenraad in de jaren 1980 tot 1998

In deze jaren gold een reglement voor de verkiezing van ambtsdragers waardoor een broeder als regel niet langer dan twee keer achtereen voor vier jaren benoemd kon worden. De volgende overzichten laten ons zien hoe de samenstelling van de raad in de loop van de jaren veranderd is.

Jaar

Ouderlingen

Diakenen

1980

G. de Bruin
H. Leendertsen
J.C. Westeneng

W. van Grootveld
A.C. Snijders
D. van Arkel

1985

J.H. Braber
H. Konijn
J.C. Westeneng

M.L. Lock
H.W. de Wilde

1990

D. van Arkel
J. Mallie
A.C. Snijders
M.L. Lock

K. Heerma
F. Westeneng

1995

D. van Arkel
J. Mallie
A.C. Snijders

K. Heerma
J. Mannessen

1998

D. van Arkel
A.C. Snijders
J.C. Westeneng

K. Heerma
J. Mannessen

Toenemende zorgen

Begin 1980 bezoekt ds. Heerma een vergadering van de kerkenraad vanuit een stuk zorg over de gemeente. Er wordt lang en diepgaand over gesproken. Vooral het kerkbezoek baart zorgen. De gemeente is dan vakant en er worden vragen richting de kerkenraad gesteld betreffende zaken als kleding bij het Heilig Avondmaal en de wijze van zingen. Zaken die heel moeilijk te bespreken bleken te zijn. Binnen de gemeente leefden daarover grote verschillen. Wat heeft het een pijn en verdriet gebracht.

In die situatie valt de komst van ds. J.W. Schoonderwoerd als predikant van de gemeente. Al vrij kort na zijn komst is de strijd om dit soort dingen sterk het gemeentelijk leven gaan bepalen. Het kwam ook tot een climax die geleid heeft tot het weggaan uit onze gemeente van een aantal gezinnen. Voor de raad, de dominee en de gemeente waren het moeilijke tijden. In die jaren is ook in 1983 het 60-jarig bestaan van de gemeente gevierd. Gods trouw hielp Zijn dienaar ds. Schoonderwoerd om keer op keer moeilijke vergaderingen als voorzitter te leiden. Gelukkig begint op een gegeven moment de rust terug te keren. Als in 1987 ds. Schoonderwoerd enkele weken ernstig ziek is dringt meer dan tevoren door hoe afhankelijk we zijn van de Heere. Wat is er gebeden om herstel van de dominee. En als de dominee weer herstelt en voor mag gaan wordt het meer dan tevoren duidelijk hoe groot de trouw van de Heere was voor de gemeente.

Rustige opbouw

Toen de rust in onze gemeente begon terug te keren. In de loop van 1986-1987, groeide ook de samenhorigheid en de onderlinge liefde. Er kwam weer een tijd om samen te bouwen en met elkaar na te denken over wat de Heere in Zijn gemeente van Soest verwachten mocht. De aandacht werd steeds minder geabsorbeerd door allerlei kwesties waar we het niet over eens konden worden. En er kon weer echt aandacht gegeven worden aan de opbouw van de gemeente. De huisbezoeken kregen meer aandacht op de kerkenraadsvergaderingen. Gemeenteavonden werden gehouden met als doel "opbouw van de gemeente en versterking van de onderlinge band". Die gemeenteavonden hebben een doel gediend; er is in 1989 en 1990 vijfmaal gesproken over "De orde des heils" door ds. G. Bilkes van Bennekom. En vanaf 1991 heeft ds. Schoonderwoerd op deze avonden het boek Openbaringen voor de gemeente toegelicht wat als leerzaam ervaren is. Als hij in 1995 het beroep naar Maassluis aanneemt blijkt dat hij de bespreking van dit boek juist kon afronden. De gemeenteavonden werden ook na zijn vertrek nog gehouden en tot nu toe dienen ze hun doel.

Een opmerking in de notulen van de kerkenraad van juli 1986 markeert wat in deze jaren ingezien werd: "elkaar geestelijk ontmoeten kun je alleen rond het Woord". In 1987 lezen we steeds minder over zorgen en moeiten en onderlinge strijd. De positie ten opzichte van de gemeente "In de Ruimte" is in dat jaar ook gemarkeerd. We zien als positief hoe het Woord daar werkt maar we zien ook dat we als gemeente op het fundament van Schrift en onze Gereformeerde belijdenis verder willen. En dan zijn er wel eens dingen waarin we met een gemeente als "In de Ruimte" blijven verschillen.

En we blijven het voluit Bijbels, en daarom goed Christelijke Gereformeerde standpunt houden dat we in ons leven de Heere vanuit wedergeboorte en bekering moeten leren dienen. We blijven wijzen op het nieuwe hart dat we moeten ontvangen door de bearbeiding van Woord en Geest. Dat nieuwe hart, samen met een nieuw leven, is een weldaad die de Heere graag geeft aan de leden van de gemeente en hun kinderen. Aan hen die Zijn verbond en woorden, als hun schatten gadeslaan.

Nieuwe pastorie

Op 22 januari 1990 wordt in een vergadering van de kerkenraad met de gemeente besloten om een andere pastorie aan te kopen; het wordt een woning die wat ruimer is als het pand aan de Ereprijsstraat. In april is ds. J.W. Schoonderwoerd toen met zijn gezin in de nieuwe woning getrokken aan de Willem de Zwijgerlaan 28. En tot op heden is dit huis onze pastorie; want later kon ook ons gezin hier intrek nemen.

De laatste jaren dat ds. Schoonderwoerd hier dienen mocht waren goede jaren voor de gemeente. Er kwamen wel eens beroepen, maar tot opluchting van de gemeente werd zowel voor Aarlanderveen als Spijkenisse bedankt. Toen in het najaar van 1995 het beroep van de gemeente Maassluis gekomen was voelde de gemeente dat het spannend was. Welke weg zou de Heere wijzen? Er kwam duidelijkheid. Op 14 oktober kwam de kerkenraad in de pastorie bijeen om daar van ds. Schoonderwoerd te horen dat hij het beroep had aangenomen. De volgende dag is het ook aan de gemeente meegedeeld. De afscheidsdienst is gehouden op 26 januari 1996 's avonds.

Op 13 september kwamen er weer nieuwe bewoners in de pastorie: de familie J. Slagboom. En sinds de bevestiging en intrede op 27 september 1996 zijn we als gemeente en predikant aan elkaar verbonden. Om daarin de Heere en Zijn gemeente te mogen dienen.

Kontakten met andere kerken

In 1990 was er op verzoek van de Gereformeerde Kerk (Vrijgemaakt) een samenspreking tussen de kerkenraden. Er was herkenning over en weer; we willen allebei Gereformeerde Kerken zijn. Toch bleken de verschillen op het punt van de "Toeeigening des heils" zo groot dat de kontakten stagneerden en er tot op heden geen vervolg aan gegeven is. Met andere woorden: als we weer kontakt met deze Gereformeerde Kerk krijgen zullen we hierover verder moeten praten. Dat laatste hoeft niet met de kerkenraad van de Nederlandse Hervormde Ichthuskerk. Met hen hebben we in de loop der jaren hartelijke kontakten mogen opbouwen. We zijn nog wel eens samen op weg met deze gemeente, die sinds 6 maart 1988 door ds. R. van Kooten gediend wordt. Elk jaar ontmoeten we elkaar door gezamenlijke vergaderingen van de mannenvereniging van tijd tot tijd en rond het evangelisatiewerk. Op 8 mei 1994 was er een zondag waarop we samen met deze gemeente gekerkt hebben en beide predikanten elk een dienst verzorgd hebben. Het herstel van ons kerkdak diende die zondag om even over de kerkmuren heen te zien.

Oprichting Daniëlschool

Niet onvermeld kan blijven de opkomst en groei van de Daniëlschool als basisschool. Leden uit de Nederlands Hervormde Ichthuskerk, uit onze gemeente en uit de Gereformeerde Gemeente ter plaatse hebben in de loop van 1988 de Reformatorische Basisschool Soest opgericht. Deze school is er gekomen; het werd de Daniëlschool die sinds augustus 1990 het onderwijs aan onze kinderen verzorgt. zo groeide de situatie die we nu kennen waarin alle kinderen van onze gemeente voor zover ze in Soest wonen naar de Daniëlschool gaan. Daardoor is er eenheid in gezin, school en kerk; dat is een voorrecht voor onze kinderen. De Daniëlschool ontwikkelde zich onder leiding van de directeur P.W. Moens tot een school waar we onze kinderen van harte het onderwijs laten volgen. De hele sfeer is er één waarin onze kinderen in liefde goed onderwijs ontvangen en dicht bij het woord van de Heere gehouden worden. Dat woord van de Heere wordt er in liefde doorgegeven. De kinderen voelen er dat de Heere recht op hun hart en leven heeft.

Aktiviteiten in de gemeente

Tenslotte nemen we in dit boek graag op wat we door de goedheid van de Heere aan gemeentelijke aktiviteiten kregen.

Verschillende aktiviteiten waren er al voor dominee Schoonderwoerd kwam; zoals de vrouwenvereniging die al vanaf 1956 onder ons gehouden werd. Later kwamen er nieuwe bij. De gemeentegids van 1996 liet zien hoe dan een veelheid van aktiviteiten in de gemeente toen inmiddels op gang gekomen was. In het voorwoord schreef ds. J. Schoonderwoerd die op het punt stond te vertrekken naar Maassluis: "Hebt elkander lief met broederlijke liefde" (Rom. 12:10). In de gemeentegids van 1997 bleek dat deze aktiviteiten nog allemaal mochten doorgaan.

Catechisaties: elke maandagavond twee groepen. Op vrijdagavond is er belijdeniscatechisatie in de pastorie.

Kerktelefoon en bandopnamen: verzorgd door onze diakenen.

Crêche: tijdens de morgen- en middagdienst is er kinderoppas. Altijd wordt gezorgd voor een rooster wat in ons kerkblad opgenomen wordt. Hierdoor kunnen we telkens als gezinnen, ook met jonge kinderen, naar de kerk gaan.

Commissie van Beheer: alles wordt geregeld en de financiën worden keurig beheerd.

Begeleiding gemeentezang: elke zondagmorgen en zondagmiddag zijn onze organisten ons van dienst.

Zendingscommissie: wat is het goed dat er elk jaar een zendingsavond belegd wordt. Dat helpt werkelijk om het werk in Gods Koninkrijk in zover het ver weg gebeurt een warm hart toe te dragen. Die avonden wordt er ook wat verkocht ten bate van de zending.

Evangelisatiecommissie: organiseert in samenwerking met de Ichthuskerk ieder jaar twee welkomstdiensten. Er is samenwerking met de Ned. Hervormde Ichthuskerk. De commissie begeleidt een zondagsschool in de wijk Overhees en een kinderbijbelclub ten huize van de fam. Frits en Manda Westeneng.

Zondagsschool "'t Fundament": al onze kinderen bezoeken deze zondagsschool. Gelukkig zijn nog steeds leden van onze gemeente bereid om op geregelde basis de kinderen van de zondagsschool te dienen. De viering van het kerstfeest met de kinderen van de zondagsschool op de tweede kerstdag blijft een jaarlijks hoogtepunt.

Vragen over de preek: als de kinderen naar huis gaan nemen ze elke zondag een brief van de dominee mee met vragen over de preek in de morgendienst. 's Middags worden die weer ingeleverd.

Vrouwenvereniging "In dienst der kerk": deze staat al ruim 40 jaar in dienst der kerk en waar het onderzoek van Gods Woord een grote plaats kreeg. Onze zusters zijn ook op andere manieren betrokken bij het werk in de gemeente; daarvan zijn de bezoeken voor "Onderling Contact" een bewijs. Ze zijn inderdaad "in dienst der kerk".

Mannenvereniging: waar broeders Gods Woord onderzoeken en elkaar opscherpen om de Heere te dienen. Waar ook nog wel eens harten opengaan voor de Heere en voor elkaar.

Jeugdvereniging "Tot opbouw": waar bijna al onze jongeren vanf 16 jaar elkaar om de twee weken op zondagavond ontmoeten voor een stuk bijbelstudie. Waar gezocht wordt hoe we de Heere kunnen dienen in deze tijd waar zoveel vragen in een post-moderne wereld op onze jongeren afkomen. Tweemaal per jaar is er een preekbespreking met de dominee.

Jeugdclub "Samen één": waar onze jongeren van 12 tot 16 jaar bij elkaar komen. De club komt om de twee weken op de vrijdagavond bijeen. Al de jongeren in deze leeftijdsgroep nemen er aan deel. Het is belangrijk werk in een leeftijd waarop bij onze jongeren fundamentele beslissingen genomen worden.

Jongeledenkring: in de tijd van ds. J.W. Schoonderwoerd begonnen en later voortgezet. Tot nu toe is maandelijks een avond georganiseerd waar de deelnemers een hoofdstuk doornemen uit het boek van ds. R. van Kooten "Aan Zijn voeten".

Ouderenkring: die voor veel van onze senior-leden veel betekent. Elke derde donderdagmiddag van de maand komen ze bij elkaar. Destijds is deze kring opgezet door broeder H. Konijn en ds. J.W. Schoonderwoerd. Vast programmapunt is bijbelstudie. De kring versterkt de onderlinge band.

Het gemeenteblad "Rondom de Soester Engh": de plaatselijke predikant is eindredakteur.

De Oud Papier Aktie: nog steeds kan oud papier gebracht worden. Het brengt ook nog steeds wat op ten bate van de kerk.

Onderling Contact: wordt door de vrouwenvereniging begeleid. Betekent nog steeds veel voor het kontakt met onze zieken en bejaarden.

Alles genade

Bij alles wat we kregen en alles wat er aan aktiviteiten is kunnen we alleen zeggen: het is alles genade. Er is geen reden om ons te verheffen. Wel reden om ootmoedig dankbaar te zijn. En waakzaam te blijven. Dankbaar omdat we elke zondag in alle rust rond het Woord samenkomen. En omdat er in het algemeen 's zondags goed geluisterd wordt. Dat er in de week allerlei aktiviteiten plaatsvinden. Catechisaties, verenigingen en evangelisatiewerk, onderling kontakt en bezoek van zieken, huisbezoeken en diakonale hulp, opvang van mensen die dat nodig hebben. Wat een genade in het bijzonder voor onze kinderen en jonge mensen als ze opgroeien in een gemeente waar rust en vrede heerst en de Heere gezocht en gediend mag worden. In afhankelijkheid van de Heilige Geest. Waar ze jong leren om de Heere te zoeken en er naar uitzien dat ook zij een nieuw hart mogen ontvangen. En godzalig opgevoed worden. In het besef dat ze buiten de Heere verloren gaan. Dat alles maakt zoveel indruk en kan zoveel betekenen. Als er onderlinge liefde is. Omzien naar elkaar. Als onze kinderen opgroeien in een gemeente waar ze leren omgaan met onderlinge verschillen; want die zullen er blijven zolang de kerk op aarde is. Waar we elkaar zoeken en elkaar leren verdragen. Waar we steeds meer leren de één naar de ander toe om tekortkomingen te belijden, en elkaar te vergeven als de één de ander iets aandoet. En geduld hebben met de zwakheden van elkaar. En grote verwachtingen hebben van de werking van de Heilige Geest en het Woord dat ons kan leiden tot de zaligheid in Christus Jezus.

Geestelijke groei

Bij het afsluiten van dit hoofdstuk kom ik even terug op het begin. Daar gaat het al spoedig over het aantal leden en over het aantal lidmaten van onze gemeente. Het liet ons onszelf afvragen of de gemeente gegroeid is. Wellicht hebt u intussen gezien dat we de laatste 25 jaar in dat opzicht niet gegroeid zijn. En toch mag de Heere ook in onze gemeente groei verwachten. Er is immers als het goed is in de gemeente nog een andere groei dan die in aantal lidmaten. Die niet gemakkelijk in getallen uit te drukken is. Waarmee ik bedoel: geestelijke groei. Die groei is er als lidmaten werkelijk levende leden worden. Levende lidmaten zijn we als we door het werk van de Heilige Geest een levende band aan de Heere kregen. Een levend lid worden we als we door de Heilige Geest een levende band aan de Heere krijgen. De Heilige Geest gebruikt daarvoor de bediening van het Woord in onze gemeente. Dat is de genade waarom Hij gebeden wil zijn. Zo'n band legt de Heere graag al als we jong zijn en vanuit die gedachte mag ook de gemeente bearbeid worden. En als die band aan de Heere er is dan moet die ook groeien; dan moeten we nog meer en meer aan de Heere verbonden worden. En dan mogen we steeds meer deel krijgen aan Christus en al Zijn schatten en gaven. Als er zo'n band aan de Heere is of komt, wordt ook de onderlinge band tussen de leden hechter en dieper; er zal meer liefde en meer begrip voor elkaar komen. En minder onverdraagzaamheid. Dat is een groei die niet zo gemakkelijk in cijfers is uit te drukken. Als die groei er is komt het wel naar buiten; dan wordt onze gemeente ook een gemeente die iets kan uitstralen. Vanuit de omgang met de Heere in hart en huis zal er werfkracht vanuit kunnen gaan naar de vele mensen in Soest die in geen enkele kerk als lidmaat ingeschreven zijn. Daar bidden we om. En dat verbindt ons.
Soest, 13 april 1998, uw en jullie dominee J. Slagboom.

7.5 Gesprek met Marijke Berends

Zuster Marijke Berends (geboren 18-01-1973) behoort tot onze jongbelijdende leden. Zij vond nadat ze haar opleiding aan de PABO De driestar in 1995 in Gouda afgerond had een werkkring als lerares Geschiedenis en Aardrijkskunde aan het "Wartburg College" locatie "De Swaef" in Rotterdam. Door-de-week is Marijke in Gouda te vinden waar ze op kamers woont. Maar 's zondags zien we ze meest nog in Soest.

Kun je iets ervan zeggen hoe je in onze gemeente groot geworden bent?

Ik herinner me nog dat ik als kind van een jaar of vier mee naar de kerk begon te gaan. En dat ds. Schoonderwoerd kwam in die jaren. Ik kan daar nog iets van herinneren dat hij kwam. Er was iets speciaals aan de hand. Ik ging ook naar de zondagsschool en had in de kerk mijn zondagsschoolboekje bij de hand. Bij het ouder worden raakte je wat meer bewust van de dingen. Dat is uitgegroeid en heeft daartoe geleid dat ik ook in deze gemeente belijdenis afgelegd heb.

Kreeg je ook een plaats in onze gemeente; was er ook iets waarin je kon meedoen. Werd je betrokken?

Net toen ik van de zondagsschool afging, zoiets van op mijn 14de, werd ik gevraagd of ik daar mee wilde doen. En toen ging ik al helpen met dingen als versjes overhoren. Dat is uitgegroeid, en viel samen met mijn interesse om onderwijzeres te worden. Daardoor ben ik ook gaan vertellen. Het was wel eens moeilijk, bijvoorbeeld het lijdensverhaal en toch merkte ik dat ik het graag deed. Ik ben mee blijven doen toen ik in Gouda ging studeren want ik kwam nog bijna elk weekend thuis. Zelfs toen ik lerares werd in Rotterdam (1995) bleef ik betrokken want ook toen kwam ik nog de meeste zondagen naar Soest. Wel werd mijn betrokkenheid langzamerhand minder zodat ik nu in principe alleen op invalbasis beschikbaar ben.

Ik heb twee keer meegedaan aan de vakantiebijbelschool. Op een gegeven moment moest ik dit laten schieten omdat ik in Gouda en Rotterdam was en onze herfstvakantie anders was dan die in Soest.

Verder deed ik mee op de JV tot en met 1996 en daarvoor ook op de jeugdclub.

Hoe ervaar je de band met onze gemeente als uitwonende jongere?

Ik ervaar de band zelf als heel sterk; ik ben er opgegroeid en altijd kan ik zo de band weer opnemen. Het lijkt als ik enkele weken weg ben geweest of ik bijna niet weg geweest ben. Ik kom weer terug en dan wordt ik weer aangesproken.

Heeft de gemeente en haar bearbeiding iets in geestelijk opzicht voor je betekend?

Zeker wel; ook nu nog. Ik vind het altijd weer fijn om op zondag thuis te zijn. Ook in het persoonlijk aangesproken worden in de preek wat ik in andere gemeenten nog wel eens mis. Ook het huisbezoek waardeer ik en mis ik wel eens als ik ver van ons gezin ben.

Heb je tot slot nog een wens of iets wat je door kunt geven?

Bij het 75-jarig bestaan spreek ik de wens uit dat onze gemeente nog veel langer mag blijven voortbestaan.

7.6 Gesprek met Christien Westeneng-van Andel

Christien (geboren 23-06-1971) werd lidmaat van onze gemeente door haar huwelijk met Hans Westeneng in 1995. Zij maakte daarvoor deel uit van een baptisten gemeente in Albasserdam. Zij is moeder van een dochtertje dat bijna 2 jaar oud is: Lysanne.

Wanneer kwam je in onze gemeente en wat waren je eerste indrukken van die gemeente.

Het begon ongeveer 7 jaar geleden toen ik verkering kreeg met Hans Westeneng. Ik merkte al snel dat je direkt aangesproken werd toen ik hier kwam. Verder dat het een kleine maar hechte gemeente was. En dat heel veel mensen familie van Hans bleken te zijn.

Was je in de gemeente waar je uit voortkwam ook betrokken?

Ja, daar deed ik zondagsschool en was ik medeoprichtster van een jeugdvereniging. Zo leerde ik dingen bedenken en doen; van jongs af was dat al zo: er valt wat te binnen en dan probeer je dat te doen.

Vielen je verschillen op met onze gemeente?

Ja, er zijn verschillen. Maar het sloot ook wel wat aan bij wat ik hier vond. Onze dominee werd ook betrokken toen we hier trouwden; van de kant van onze familie waren er ook positieve reakties over onze trouwdienst.

Raakte je in Soest ook snel betrokken?

Ik werd al voor ons trouwen bij de vakantiebijbelclub betrokken; ook omdat ik de kant van het onderwijs opging. Ik deed toen al mee met de vertelling. Nadat ik getrouwd ben deed ik volop mee met de vakantiebijbelclub waar ik nu vier keer bij betrokken geweest ben. Die wordt elk jaar in de herfstvakantie gehouden. En ook werd ik direkt betrokken bij de evangelisatiezondagsschool in "De Bron". Ik houd ook wel van organiseren en regelen, wat dat betreft is er bij de vakantiebijbelclub genoeg te doen. Al voor de zomervakantie begin ik mensen uit de gemeente voor te bereiden op die week. Het meeleven uit de gemeente is gegroeid en wat me opvalt is dat de oudere mensen wat meer betrokken raken. Ook hebben we wat meer mensen kans gegeven om mee te doen. En er komen steeds meer kinderen en dat is hoopgevend. Het laatste jaar waren er zo'n 100. We hopen dat we ze ook op een andere manier als in die week kunnen bereiken. De gemeente is behoorlijk betrokken; dat was meer dan ik verwacht had van zo'n gemeente. Vertellen doe ik ook graag en de kinderen aanspreken ook. In "De Bron" komen er niet zoveel kinderen, dat is wat anders als de klas met 25 kinderen waar ik één dag per week voor sta. In "De Bron" komen op dit moment twee meisjes waar we behoorlijk persoonlijk mee kunnen spreken.

Wanneer begon zoiets in je leven? Kreeg je al jong belangstelling voor zoiets?

Het begon al in de thuisgemeente, of liever gezegd thuis in ons dorp waar ik als kind samen met een vriendin aan een kinderclub begon te denken. We vroegen een mevrouw in het dorp om dan juffrouw te zijn en toen ze daarmee instemde zijn we begonnen. Die club bestaat nog; ieder jaar met Kerst ga ik er nog naar toe; er komen zo'n 30 kinderen. Dat is heel bijzonder.

Kun je je indenken dat er in onze gemeente mensen zijn die niet zo maar mee kunnen komen in evangelisatiewerk?

Ja, ik kan me dat best wel indenken. Je moet ook geduld hebben met die mensen; die mensen kunnen misschien weer in andere dingen betrokken worden. Die mensen kunnen ons soms helpen om wat meer na te denken voor we met iets aan de gang gaan.

Sinds kort kreeg je nog een taak erbij?

Dat is het coördineren van "Onderling Contact", wat ik onlangs van zuster Mannessen overgenomen heb. Bij "Onderling Contact" verwacht ik dat ik tussen de mensen die op bezoek gaan en de mensen die bezoek verwachten in sta. Ik zal dit moeten leren. Eerst hoop ik te kunnen regelen dat mensen bezoek krijgen.

Is je man Hans ook betrokken in onze gemeente?

Ja, als er praktische dingen te doen zijn, zoals het herstellen van een dak bij de kerk dan is hij van de partij. Verder doet hij sinds kort de bestellingen van het jaarboekje van onze kerken en "Goede Moed". Hij is heel praktisch; dat is zijn gave.

Heb je iets wat je zou willen doorgeven in dit boek.

Ik denk dat inderdaad ieder lid zo zijn eigen gave heeft. De één kan met zijn mond iets inbrengen en de ander heeft een andere gave. Daar moet je respekt voor hebben en niet de ander dwingen om te doen wat jij goed kunt. Want dat kan de ander misschien niet. En andersom. Echt elkaar de ruimte daarin geven en dan denk ik dat het goed kan gaan. Met Gods hulp.

7.7 Gesprek met broeder E. van Schaik en zuster G.E. van Schaik-Wevers.

De familie van Schaik is het oudste echtpaar (geboren respectievelijk 13-02-1909 en 21-06-1911) en onze broeder is het oudste manslidmaat uit onze gemeente.

U bent één van de alleroudste gemeenteleden broeder van Schaik: hoe kwam u in de gemeente?

Met mijn ouders uit Culemborg. Ik was opgegroeid daar en ging er met mijn ouders en 6 kinderen naar de Gereformeerde Kerk maar we gingen daar ook al wel naar de Christelijke Gereformeerde Kerk. In Soest kwam ik op 15 tot 16 jarige leeftijd waar ik verder opgegroeid ben. Het was in 1924 en toen bestond de Christelijke Gereformeerde Kerk hier nog niet zo lang; de kerk was net gebouwd toen wij kwamen. Er was nog geen dominee. Het weeshuis was er ook al. Wij kregen al spoedig als eerste predikant ds. Oosthoek. Het was nog een kleine gemeente. Ik herinner me nog de ouderlingen Floor en Legemaat. In die tijd was er veel preeklezen.

Waren er al bekende families toen u kwam?

Ja, bijvoorbeeld de familie Westeneng, de ouders van zuster de Wilde. De oude broeder Derks (de vader van broeder W. Derks).

Wat weet u nog van ds. B. Oosthoek?

Daar kreeg ik catechisatie van. We leerden uit Hellenbroek. Het was een jonge man. Ik kan me er niet veel meer van herinneren. Het was zijn eerste gemeente. Later toen we vakant waren kwamen er ook dominees door de week. Dan zat de kerk vol en kwamen ze van alle kanten luisteren. Ik heb ook belijdenis gedaan in deze gemeente; de belijdeniscatechisatie kreeg ik van ds. G. Salomons uit Amersfoort.

Wie kwam na ds. B. Oosthoek?

Ds. N. Bijdemast, dat weet ik ook nog. Toch weten we daar al niet meer zoveel van.

Hoe is het verder in het gezin van uw vader gegaan?

Van mijn broers zijn enkele hier gaan wonen, waaronder mijn broer Freek met wie ik later het schildersbedrijf had. Twee van mijn broers, Freek en Herman hebben ook in de kerkenraad gediend. Mijn ouders en grootouders waren godvrezende mensen.

Zuster van Schaik: kwam u ook uit deze gemeente?

Ik ben geboren in Arnhem en ging later met mijn ouders naar Amersfoort. Ik kom ook uit de Gereformeerde Kerk. De overgang was in die tijd niet zo groot. Ik had nog geen belijdenis gedaan. Dat is hier gebeurd in de jaren 1930.

Weet u nog van ds. L. de Bruyne?

Jazeker. Hij kwam hier in de oorlogsjaren. Onze zoon Jan is getrouwd met hun dochter Adrie; dat was het enige kind wat met hen meekwam naar Soest.

Uw zoon Wim, zo hoorde ik wel eens, kwam op het paleis?

Ja, dat klopt dominee. Toen hij daar eens schilderde is hij gevraagd er te komen werken en dat heeft geleid tot een lang dienstverband bij Koningin Juliana.

Wat weet u nog van ds. P. de Smit?

Hij kwam hier in de wintertijd van 1957. We hebben hem nog opgevangen die eerste dag toen er nog geen kachel was in zijn huis. Een vriendelijke en innemende man. De jongeren gingen graag naar catechisatie bij hem en een keer per jaar ging hij met ze op een reisje. Zijn preken waren ook gewaardeerd; hij was ernstig en eenvoudig. Hij en zijn vrouw kwamen nogal eens langs bij ons. Hij was ook heel trouw in de gemeente. Wij kwamen ook wel eens bij hem.

Was er ook geestelijke vrucht op zijn prediking?

Ja, dat geloof ik wel. Zuster van Schaik mag geloven dat er ook voor haar wel zegen in meekwam.

Weet u nog van ds. Heerma?

Ja, dat weet ik nog wel. Hij kwam ook wel op bezoek. Hij was gezien in de gemeente. Ik heb ook nog wel geschilderd bij hem. Zuster van Schaik kwam er ook wel. Ze hoorde ds. Heerma graag evanals ze ds. de Smit graag hoorde.

Wat kunt u nog zeggen van de tijd dat ds. J.W. Schoonderwoerd hier was?

Hij kwam hier als jonge man. Van onze kleinkinderen zijn in zijn tijd nog wel geboren en door hem gedoopt. Hij kwam ons ook wel opzoeken met verjaardagen; dat hebben we gewaardeerd en hij kwam ook wel op huisbezoek. Toen hij kwam schilderde ik al niet meer zelf. Ik kwam nog wel eens op het werk kijken. Het boekhouden van het schildersbedrijf deed ik tot vorig jaar.

Hij heeft hier zo'n 15 jaar gestaan en zijn kinderen zijn hier allemaal geboren. Hij maakte hier een tijd door die moeilijk was voor de gemeente.

Broeder en zuster van Schaik: u hebt zich altijd door de jaren heen met de gemeente verbonden gevoeld. Wat moeten we tenslotte nog zeggen? Hebben de mensen het zo goed gedaan?

Nee, dat niet. Het was de trouw van de Heere.

Hoofdstuk 8 De Kerk heeft toekomst

En zie, Ik ben met ulieden tot aan de voleinding der wereld. Amen. Mattheus 28: 20.

Bij het 75-jarig herdenken van onze gemeente is in dit boek een heel stuk van de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerk naar voren gebracht. Daarbij kwamen dingen naar voren die het waard zijn om bij een jubileumuitgave vast te leggen. Dit boek is daarmee ook iets van een naslagwerk waarvan we hopen dat ook ons nageslacht er in zal lezen. In dit boek is veel achterom gezien: naar dingen die vroeger gebeurd zijn. Dwars door al die dingen heen mogen we zien de lijn van Gods genade en Gods trouw. Hij wilde ook in onze gemeente mensen bijeenvergaderen tot de gemeente die eenmaal zalig zal worden. Ook in onze gemeente leerden mensen de Heere kennen en werden aan Hem verbonden met een echt geloof. De vraag mag wel opkomen of dat bij ons al gebeurd is. Maar dan mogen we weten dat dit Zijn liefste werk is. Hij wordt er in verheerlijkt waar dat gebeurt. Als zaligmaker kan Hij mensen zalig maken van hun zonden. En daarmee gaat Hij in onze tijd nog door. Daarom is onze gemeente er nog.

En mogen we nu bij dit jubileum ook vooruitzien? Is daar iets over te zeggen? Kunnen we wel iets zeggen over de toekomst van de gemeente? Ja! Daarbij mag ons de tekst uit Mattheus 28: 20 leiden. De tekst die ons ook mag leiden in de dienst op de Hemelvaartsdag waarop we met de gemeente dit jubileum vieren. De kerk heeft toekomst omdat Hij met die kerk blijft, er bij is. De Statenvertalers zeggen bij dit vers: "Ik ben met u mijn discipelen en al uw navolgers in mijn gemeente; en dat naar Mijn Godheid, majesteit en geest".

Hemelvaart is niet het verlaten van Zijn kerk maar de garantie dat Hij vanuit de hemel door Zijn Geest en in het Woord altijd bij die kerk blijft. Dat heeft Hij beloofd. Het is een zekere belofte. Er is geen dag uitgezonderd dat Hij niet met Zijn gemeente is. Tot hoelang mogen we dat weten? Dat staat er bij: al de dagen, tot . . . de voleinding der wereld. Zolang de wereld er nog is mag de kerk daarom vooruit zien en het verwachten van Hem, Die voor haar naar de hemel gegaan is. En daar aan de rechterhand van God de Vader ten goede is voor die kerk. Hem is daar gegeven alle macht die Hij ten goede van Zijn kerk kan en wil en zal aanwenden.

Wil dat zeggen dat onze gemeente niet (weer) door moeilijke tijden kan gaan? Nee, dat is niet te verwachten. Hij heeft het Zijn kerk ook gezegd: "In de wereld zult gij verdrukking lijden" (Johannes 16: 33m). Maar ook in de moeite en de verdrukking geldt: Ik ben met u. Heb goede moed. Ik heb die wereld overwonnen. Als we maar dicht bij Hem en in afhankelijkheid van Hem gemeente mogen blijven. Dicht bij Zijn Woord en afhankelijk van Zijn Geest. En met verwachting dat Hij met ons is. Steunend op Zijn trouw. Pleitend op Zijn belofte: Ik ben met u tot aan de voleinding der wereld. Laten we dan allemaal met verwachting pleiten op die belofte. U, jullie en ik. Er gaat geen dag voorbij dat we Hem niet nodig hebben. En er gaat ook geen dag voorbij die niet in die belofte voorkomt.

Nog zegt iemand misschien: "Is dat echt zo? Kunnen we daar op aan?" Let er op dat de tekst niet eindigt met het woordje "u" maar met "Amen". Het zal waar en zeker zijn. Ook waargemaakt worden. Omdat Hij Die het belooft getrouw is en het ook doen zal. Hij heeft er Zijn leven voor gegeven. De kerk heeft toekomst. Het is een voorrecht Hem te dienen. Ook in onze tijd. En ook in Soest, en in de toekomst. Om Jezus wil. Amen!

Uw ds. J. Slagboom

Hoofdstuk 9 Herinneringen aan onze tijd in Soest

Graag voldoe ik aan het verzoek om wat persoonlijke herinneringen aan onze Soester tijd op te halen, met het accent op het persoonlijke. Een overzicht van de geschiedenis van de gemeente gedurende die periode wordt verzorgd door de huidige predikant. Uiteraard kan ik slechts een greep doen uit deze voor ons heel belangrijke tijd. In vijftien jaar gebeurt er heel veel. Als ik sommige namen noem, is dat niet omdat ik anderen ben vergeten, maar omdat je onmogelijk iedereen kunt noemen.

De eerste kennismaking met de gemeente van Soest was een kerkdienst op 13 juli 1980 waarin ik als student voorging, een derde beurt vanuit Huizen. Ook mijn vrouw Rieneke - we waren in januari getrouwd - was er bij. De gemeente droeg toen nog de naam Soestdijk. Ik sprak zoals dat heet voordat je predikant bent 'een stichtelijk woord' over Psalm 130: In de diepte de HEERE kennen; 1. het roepen tot de HEERE, 2. het verwachten van de HEERE. Deze preek diende daarna ook bij mijn kandidaatsexamen en beroepbaarstelling half september dat jaar. Drie weken na deze eerste kennismaking was ik nog eens voor een hele zondag in Soestdijk. Overblijfadres: fam. G. de Wilde.

Na de beroepbaarstelling stond ik met kandidaat H. van den Heuvel op tweetal in Biezelinge, Eemdijk en den Helder, maar werd steeds niet gekozen. Er bleef niets over. Dagen van beproeving volgden. Tot ik getroffen werd bij het lezen in Gods Woord door 2 Kor. 4: 5. Ik begreep de les: het ging in de dienst van de Heere niet om mijzelf, maar om Hem. Zo gaf Hij mij rust en vertrouwen. Ik nam mij voor om, wanneer ik ergens intrede mocht doen, over deze tekst te preken.

Toen stelde Soestdijk hetzelfde tweetal. De stemming op 26 oktober resulteerde in een beroep op mij. Moest ik hieruit de conclusie trekken dat ik naar Soestdijk werd geroepen? Ik had zekerheid nodig. Die kreeg ik op dankdag in de kerk van Nunspeet onder een preek van ds. W. van Sorge over Jakobus 1: 17. Bij het uitgaan keken mijn vrouw en ik elkaar aan en we wisten het allebei: we gaan naar Soestdijk; het beroep was van de Vader der lichten afkomende. Zaterdagavond gaf ik de beslissing door aan de scriba.
Intussen hadden de kontakten met Soest zich vermenigvuldigd: een gesprek met de kerkenraad van Soestdijk, ontvangen post en telefoontjes, een bezoek van een delegatie van de verenigingen bij ons thuis, een bezoek van H. Konijn die tegelijk met mij verkozen was voor het ambt van ouderling.

Het classicaal examen had plaats op 14 januari 1981 in de kerk van Amersfoort. Praeses van de vergadering was de consulent van Soestdijk, ds. R. van Beek.
De uitnodigingsbrief voor deze vergadering bevatte voor mij een grote verrassing. Men zegt wel eens dat je geen briefje uit de hemel krijgt. Deze kwam er wel vandaan, al was hij door ds. J. van Amstel te Ede geschreven. Alle vier de Schriftgedeelten die ik moest bestuderen waren voor mij verbonden met een belangrijk moment op weg naar het ambt. Examinator ds. P. Roos had opgegeven 1 Kon. 19 en Psalm 130 en examinator ds. W. van Sorge Lukas 7: 11-17 en Jakobus 1. Hierboven schreef ik reeds over Psalm 130, mijn eerste preek in Soestdijk en Jakobus 1 waaruit licht viel over het beroep. Ook de andere Schriftgedeelten waren belangrijk voor me. Een avondmaalspreek van onze predikant te Scheveningen, ds. G. Bouw, op 4 juni 1972 over 1 Kon. 19: 7b bewerkte een doorbraak in mijn leven: ik gebruikte voor het eerst het Heilig Avondmaal en had de volgende dag een gesprek met de dominee en de kerkenraad over mijn roeping tot het ambt. Over Lukas 7: 11-17 hield ik als student mijn eerste preek op 7 oktober 1979 in de kerk van Eemdijk. U verstaat wellicht hoe verrast ik was bij het lezen van deze brief en dat het voor mij een bevestiging en bemoediging was. Later heb ik op moeilijke momenten veel steun gehad aan de zekerheid dat de Heere mij had geroepen.
Het examen werd bijgewoond door een aanzienlijk deel van de gemeente van Soestdijk. Ik moest een preek houden over de bruiloft te Kana waar Jezus het eerste teken deed. De classis liet mij toe tot de bediening van het Woord en Sacramenten en ik ontving uit handen van de praeses, ds. Van Beek, de lastbrief. De classis benoemde hem tot mijn mentor. Een goede keus, want hij heeft mij in het begin met raad en daad terzijde gestaan.

De verhuizing kon doorgaan. Na de aanneming van het beroep waren we met de commissie van beheer verschillende huizen langs geweest op zoek naar een geschikte pastorie. Het werd Ereprijsstraat 59, een drive-in woning. In korte tijd is door velen veel werk verzet: aankoop van de pastorie, overleg en bezoek met ons aan een aantal winkels, verbouwing van de studeerkamer, inrichting, schoonmaak. Stuwende kracht achter dit alles was H.W. Westeneng, toenmaals kerkmeester.
De verhuizing vanuit Vaassen, waar we na ons trouwen een jaar hadden gewoond, geschiedde door een aantal gemeenteleden per vrachtwagen van K.A. de Jong met vader E. de Jong aan het stuur.
Wat was het voor ons tweeën een fijn ruim huis. Er was een grote L-vormige studeerkamer beneden aan de tuinkant. We woonden er boven.

Op 6 februari 1981 - ik was net dertig jaar - had de dienst van bevestiging en intrede plaats. In verband met het verwachte aantal bezoekers maakten we dankbaar gebruik van de grote Gereformeerde kerk aan de Julianalaan. Later, vanuit de tweede pastorie, hadden we zicht op deze kerk.
Bevestiger was onze oud-predikant ds. G. Bouw, die als tekst voor de prediking had gekozen 2 Kor. 5: 19b "en heeft het woord der verzoening in ons gelegd.". Zoals ik me dus eerder had voorgenomen deed ik intrede met een preek over 2 Kor. 4: 5 "Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, den Heere; en onszelven, dat wij uw dienaars zijn om Jezus' wil". Thema: Christus Jezus de Heere, grond (1), inhoud(2) en doel (3) van de prediking. Aan de handoplegging namen ondermeer ds. W. Heerma en ds. J.C. Maris deel, die beiden tot de gemeente behoorden. De huidige kanselbijbel werd bij die plechtigheid voor het eerst gebruikt. Namens kerkenraad en gemeente hield ouderling J.C. Westeneng, voorzitter van de kerkenraad, een toespraak.

Twee dagen later was het al zondag. Er moesten twee nieuwe preken worden gehouden, over Christus op de berg der verheerlijking en over zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus.
De weken daarna waren vol indrukken. De eerste vergadering met de kerkenraad werd mij de voorzittershamer overhandigd. Op mijn verzoek gebeurde dit pas aan het eind van de vergadering. En dan te bedenken dat ik nog nooit een kerkenraadsvergadering had meegemaakt. Er waren op dat moment drie ouderlingen, de broeders H. Konijn, H. Leendertsen en J.C. Westeneng, en drie diakenen, de broeders D. van Arkel, W. van Grootveld en A.C. Snijders.
In korte tijd trachtten mijn vrouw en ik aan ieder adres een kennismakingsbezoek te brengen, omdat we begin mei ons eerste kind verwachten. We deden dit op de fiets want ik zou pas in maart mijn rijbewijs halen. Maar op een paar adressen na lukte het om voor de geboorte heel de gemeente rond te gaan en kennis te maken met de diverse verenigingen. Er waren toen ongeveer zeventig adressen en ruim tweehonderd leden.
Wat een verschillende mensen allemaal. Wat hadden ze soms veel meegemaakt. Maar welke plaats nam nu de dienst van de Heere in het leven van al die mensen in? Verlangden ze biddend naar een gezegende tijd met elkaar? En hoe zaten toch die families in elkaar van hen die dezelfde namen droegen┤
De catechisaties werden overgenomen van de consulent. De redaktie van het gemeenteblad kwam in mijn handen. Voor het classisblad Om Sions Wil moest om de week een bijdrage worden geschreven. Ik voelde me bij al dat werk niet bekwaam, maar ik wist me wel geroepen.
Het voorbereiden van preken vergde in het begin veel van je tijd. Vaak was ik er heel laat in de avond nog mee bezig. Dan kon je er ook rustig aan werken. Er kwam iedere week zoveel op je af. Alles was nieuw, je woonplaats, de mensen van je gemeente, je werkzaamheden, je huis en de verwachte gezinsuitbreiding.
Wat was het in feite mooi om dit alles te mogen meemaken. Om dit van de Heere te ontvangen. Als gemeente en als predikantsechtpaar.

Maar de verwachtingen waren niet bij ieder hetzelfde. Sommigen verwachtten van de beginnende predikant haast dezelfde diepgang als die ze gewend waren geweest van zijn voorgangers die Soestdijk als hun laatste gemeente of na hun emeritering hadden gediend. Sommigen waren van gedachte dat het niet nodig was dat hij studeerde; dat had hij toch al in Apeldoorn gedaan? Sommigen meenden, dat bij de komst van een jonge predikant meteen een aantal vernieuwingen paste; daar had men al zo lang op gewacht. Vanaf de eerste maand werden ze al op de kerkenraad aan de orde gesteld. Anderen hoopten dat hij vernieuwingen juist zou tegenhouden; hij kwam immers uit een onverdachte hoek?
Je kreeg het onaangename gevoel dat er aan alle kanten aan je werd getrokken. Wat werd op deze wijze de Heilige Geest in plaats dat we de Heere door Zijn Geest in ons hebben laten werken. Wat is dan tegenover dit alles de trouw van God groot geweest over de gemeente.

Mijn eerste doopsbediening was de doop van Martine van Schaik, geboren op mijn verjaardag toen we net verhuisd waren. Onze oudste kinderen werden geboren en de gemeente leefde hartelijk mee: Johan in 1981, Marianne in 1982 en Els in 1984. Dat de dominee eigen kinderen doopte was in Soestdijk hooguit alleen ten tijde van ds. B. Oosthoek te zien geweest. Johan werd tegelijk met een meisje van ongeveer 7 jaar gedoopt, Marjan ter Horst. In dezelfde tijd werd de doop aan een volwassene bediend, H.J. de Gooyer.
In verband met de kinderen hadden wij regelmatig oppas nodig. Met name hebben hier de families Konijn en Van Grootveld hun bijdrage geleverd. Daardoor kon mijn vrouw toch bij heel wat werk in de gemeente betrokken zijn, zoals bepaalde bezoeken, de zondagsschool, de vrouwenvereniging en de ouderenmiddagen.

In 1983 werd ter gelegenheid van het zestigjarig bestaan van de gemeente een herdenkingsavond gehouden met koorzang en toespraken. Ook ds. W. Heerma voerde toen het woord.

Hartelijk meeleven ondervonden we uit de gemeente tijdens de ziekte en rond het overlijden van mijn vader in 1982/1983.

Ook in de gemeente waren er sterfgevallen. De eerste begrafenis moest ik pas na tien maanden leiden, de begrafenis van T. Slagboom in december 1981. Hij was als kind nog in het Chr. Ger. weeshuis geweest.
Een bijzonder sterfgeval in het midden van de gemeente was het overlijden van ds. W. Heerma in 1985. Deze getrouwe dienstknecht had immers onze gemeente nog een aantal jaren mogen dienen. Lang mocht hij het Woord verkondigen. Maar een dienaar des Woords is ook maar een sterfelijk mens. Ook hij had troost nodig. Ik herinner me nog goed hoe hij tijdens zijn ziekte eens helemaal opgebeurd was nadat ik een groot deel van Romeinen 8 had gelezen. Rond zijn sterfbed zongen we Psalm 84: 6. Het was merkbaar dat het nog tot hem doordrong. Toen was hij niet meer. Bij zijn begrafenis zat de kerk vol.

In 1986 kreeg ik het verzoek van ds. P.J. Kok, thans lid in Soest, namens de kerkenraad van Bunschoten of ik daar voor zes weken wat pastoraal werk wilde doen. Onze kerkenraad vond het goed. De periode werd later verlengd en nog eens verlengd, uiteraard met goedkeuring van onze kerkenraad. Uiteindelijk werden de zes weken negeneneenhalf jaar tot mijn afscheid van Soest. Ook heb ik er gecatechiseerd. Enerzijds vroeg dit werk tijd, anderzijds mag ik zeggen dat het mij mede heeft gevormd. In zo'n grote gemeente wordt je veel meer geconfronteerd met ziekte en dood.

In 1987 werd ik zelf ziek. Na wat griepachtige verschijnselen werd 's zaterdags de kracht in mijn benen steeds minder. Zaterdagavond werd ik opgenomen in het Soester ziekenhuis en een paar uur later overgebracht naar het Academisch Ziekenhuis in Utrecht. De verlammingsverschijnselen breidden zich steeds verder uit. Toen het tot mij doordrong dat er iets ernstigs aan de hand was, was het wel meteen voor mij duidelijk dat dit een bijzondere leiding van de Heere moest zijn. Die zondag, 30 augustus - het was de verjaardagsdatum van mijn overleden vader - zou ik het Heilig Avondmaal bedienen met een preek over 1 Kon 19: 7b. Nu ik met een serie preken over Elia bezig was, had ik voor de Avondmaalsviering deze tekst gekozen die zo'n ommekeer in mijn eigen leven had gebracht (zie boven). Over de verzen 4b en 5 had ik reeds voorbereiding gehouden. Evenals in 1972 doorkruiste de Heer ook nu mijn eigen plannen. In plaats van over Elia in de woestijn te preken, kwam ik er zelf middenin te liggen. En toch gaf de wetenschap dat God het deed mij aanvankelijk rust ook al wist ik niet wat Hij er mee voor had. 's Maandags werd het dieptepunt bereikt, lichamelijk en geestelijk. Tot ik vrede vond in het bloed van onze Heere Jezus Christus. Daarna begon de Heere herstel te geven. Op mijn ziekenhuisbed luisterde ik naar de bandjes van de Haamstedeconferentie die ik door mijn ziekte niet had kunnen bezoeken, twee lezingen over Elia . . . Achteraf gezien was het een rijke tijd. De gemeente leefde in deze tijd erg mee en ons gezin werd bijzonder geholpen door de zusters M. Lock-Sterk en N. van Arkel-van Mannekes. Collega's hielpen de gemeente met de preekvoorziening en ds. W. Kok van Baarn gaf tijdelijk de catechisaties. Na tien weken mocht ik voor het eerst weer voorgaan in één dienst op Dankdag. Eind november vierden we het Heilig Avondmaal met 1 Kon. 19: 7b . . .

In oktober 1979 verwachtten wij een vierde kind. De pastorie zou moeten worden aangepast of er zou een andere pastorie moeten worden gekocht. De gemeente koos voor het laatste. Maar het bleek niet zo gemakkelijk om een geschikt en betaalbaar huis te vinden. Het liep echter anders dan we hadden gedacht. Op vrijdag 22 september kwam ons dochtertje na een solutio placentae dood ter wereld. De Heere heeft toen in het bijzonder mijn vrouw willen sterken. De gemeente stond om ons heen. Ik voelde mij geroepen om die zondag toch in ieder geval één keer het Woord te bedienen. De Heere gaf de tekst. De voorbereiding had dinsdags al plaats gehad toen een broeder mij vroeg om voor hem in te vallen door wat vragen te maken voor de mannenvereniging over de opwekking van Lazarus. We hadden die verenigingsavond een goede bespreking over het wenen van Jezus bij Lazarus' graf. Zo preekte ik die zondag over "Jezus weende". De begrafenis, waarbij alleen wij, onze ouders en onze wijkouderling broeder A.C. Snijders aanwezig waren, werd op troostvolle wijze geleid door ds. R. van Beek. Haar graf is op de Soester Engh. Zij zal 't gezegend aard'rijk erven.

Na goed overleg werd besloten om de voorgenomen verhuizing toch te doen plaats vinden. Een geschikt huis werd gevonden maar het was niet goedkoop. Na enig rekenwerk van D. van Arkel en de commissie van beheer onder voorzitterschap van M.L. Lock werd het toch mogelijk geacht. Ieder kon zich in het voorgestelde plan vinden. Als nieuwe pastorie werd aangekocht Willem de Zwijgerlaan 28. Een ruim huis, mooi gelegen en dichter bij de kerk, met een grote studeerkamer in het souterrain. Hoewel er nog een aanzienlijk bedrag nodig was na de verkoop van Ereprijsstraat 59, was er toch geen lening bij de bank nodig. Alles kwam uit de gemeente. In april 1990 kwamen we hier te wonen nadat er weer een heleboel werk was verzet door gemeenteleden onder leiding van H. Berends, de kerkmeester.

In maart 1991 kreeg ik een beroep van Aarlanderveen. Hoewel ik reeds tien jaar in Soest stond werd het mij duidelijk dat mijn plaats nog steeds hier was. Op Biddag werd onze avonddienst rechtstreeks uitgezonden door de radio in Zendtijd voor de kerken. Tekst: Psalm 127: 12.

In september 1992 werd onze jongste, Peter, geboren. Zes personen bevolkten nu toch de nieuwe pastorie.

De middagdienst van zondag 16 mei 1993 was een herdenkingsdienst ter gelegenheid van het 70-jarig bestaan van de gemeente. Tekst voor de prediking was Jesaja 63: 7 De lof op de goedertierenheden des HEEREN 1. aan ons bewezen in het verleden 2. door ons vermeld in het heden 3. door ons verwacht in de toekomst.

Later dat jaar mocht ik 12,5 jaar in het ambt staan. Dat betekende tegelijk 12,5 jaar in Soest. Op 29 augustus hield ik een gedachtenispreek over het vervolg van de intredetekst, 2 Kor. 4: 6 De prediking van het evangelie als verspreiding van het licht; 1. van Wie dit licht afkomstig is; 2. door wie dit licht verspreid wordt; 3. in Wie dit licht gezien wordt. Op 11 september was er buiten ons weten door de gemeente een onvergetelijke feestelijke middag georganiseerd. Ook onze ouders troffen wij daar aan. In het kerkblad schreef ik later: "het had alles veel weg van een bruiloft en de mate waarin feest werd gevierd deed eerder denken aan een gouden jubileum dan aan een koperen." Twee dagen later kreeg ik een beroep van Spijkenisse. Ik mocht hiervoor bedanken. Gelukkig maar, want ik had het toch wel pijnlijk gevonden om na al die betoonde liefde te moeten zeggen dat we weggingen, ook al verzekerde de kerkenraad mij dat ik me daardoor niet gebonden moest voelen.

Toen ik twee jaar later wel ons vertrek bekend moest maken, viel dit echter niet makkelijker. De banden waren in de loop der jaren steeds sterker geworden en heel ons gezin was geworteld in Soest. Voor de derde maal was er een beroep gekomen, nu uit Maassluis. Maar het Woord des Heeren is sterker dan alle aardse banden. Als Hij zegt: "Ga!" dan ga je en als Hij zegt: "Kom!" dan kom je.
Op 25 september 1995 werd het beroep uitgebracht en op 15 oktober moest ik de beslissing bekend maken.

Een periode van afronding, van afscheid nemen en van regelingen treffen voor de vakante periode brak aan. De laatste twee catechismusvragen moesten nog behandeld worden. Met vier preken over 1 Petrus 5 werd een prekenserie over deze brief afgemaakt. De behandeling van de Openbaring aan Johannes op de gemeenteavonden was al klaar gekomen. Het werk moest wel blijven doorgaan maar mijn werk in Soest liep ten einde.

Vele preken en prekenseries zijn in al die jaren gehouden, vele catechisaties gegeven, vele bezoeken gebracht. Om wat te noemen, dertig biddagpreken werden gehouden, van Lukas 2 bleef vrijwel geen tekst onbepreekt, vijfmaal gingen we de catechismus door, naast een serie preken over de Nederlandse Geloofsbelijdenis en een serie over de Dordtse Leerregels. Wat de vrucht van dit alles is zal de eeuwigheid openbaren. Maar dat er vrucht was mogen we geloven en mochten we soms ook zien of vernemen. De Heere heeft ons als gemeente onverdiende zegen willen geven.

Op 26 januari 1996 was de afscheidsdienst. De tekst was Handelingen 20: 32 De kerk aan Gods zorg toevertrouwd; 1. Wie er voor de kerk kan zorgen; 2. hoe Hij voor de kerk kan zorgen. Namens kerkenraad en gemeente sprak de voorzitter van de kerkenraad, broeder J. Mallie. De volgende dag was er een hartelijke afscheidsmiddag met de gemeente waar we allerlei goede wensen en cadeaus kregen.
Sindsdien prijkt aan de wand van mijn studeerkamer een getekende afbeelding van de kerk van Soest waar we zulke gezegende jaren mochten doorbrengen en waar de Heere ons in de ambtelijke loopbaan wilde vormen.

Precies een jaar nadat we in verband met het beroep een eerste ontmoeting hadden in Maassluis met de kerkenraad en de gemeente daar, werd in Soest ds. J. Slagboom bevestigd. Het werk van de Heere gaat door. Hij zorgt voor Zijn gemeente. Totdat Hij komt.

Ds. J.W. Schoonderwoerd

Hoofdstuk 10 Het Flaes & Brünjes orgel

Pieter Flaes en Georg Diederich Brünjes genoten hun opleiding bij de gerenommeerde orgelbouwfirma J. Bätz en Chr.F.G. Witte in Utrecht, de bouwers van o.a. het monumentale orgel in de Domkerk in Utrecht en de Nieuwe Kerk in Delft. In 1842 sloten zij een compagnonschap en richtten zij een nieuwe, zelfstandige orgelmakerij op onder de naam Flaes & Brünjes. Op grond van hun opleiding is het niet verwonderlijk dat hun werk grote overeenkomsten vertoont met dat van het huis Bätz-Witte. De grotere instrumenten werden meestal door hun vroegere werkgever, met wie zij overigens een goede verstandhouding onderhielden, gebouwd; waarschijnlijk heeft dit te maken met de prijzen van Flaes & Brünjes. Zij garandeerden uitstekende, oerdegelijke kwaliteit voor prijzen die verhoudingsgewijs hoog lagen.(Orgels in Noord-Holland, Pirola, Schoorl, pag. 119, 120).
Vrijwel alle orgels die zij leverden, zijn kleinere tweeklaviers instrumenten, echte gemeentezang-orgels. Vooral in de Noordhollandse dorpskerken vinden we nog vele van hun orgels, die door de ontkerkelijking helaas nog maar weinig bespeeld worden. Het orgel dat zich in onze kerk bevindt, is een instrument van het kleinste standaardtype dat zij leverden, vijf stemmen op het onderklavier en drie op het bovenmanuaal met een aangehangen pedaal. In 1861 is dit orgel gebouwd voor de Ned. Hervormde Buurtjeskerk in Andijk, een gebouw uit de zeventiende eeuw. Het orgel werd op een apart balkon geplaatst, echter zo dicht tegen het dak dat de gebruikelijke bekroningen op de orgelkas achterwege moesten blijven. Na de sluiting van de kerk in 1967 werd het orgel door de firma J.J. Elbertse & Zn. overgeplaatst naar onze kerk en grondig gerestaureerd. De oude spaanbalgen en de trapinstallatie bleven gehandhaafd alhoewel er in Andijk uiteraard een elektrische windvoorziening was aangebracht (G. Verloop in "De Mixtuur", Schagen, 1971/1972).

Het plan om voor een ander orgel te gaan sparen ontstond in 1966. De orgelcommissie die reeds dateerde uit 1949 was weliswaar nooit opgeheven, maar na de aankoop van het tweeklaviers-pedaalharmonium waren er geen grootse aktiviteiten meer ondernomen; een pijporgel leek immers onhaalbaar. Toch was er in 1966 reeds ruim fl. 3.000,-- in kas. Niet in het minst door de welhaast tomeloze energie van o.a. de gebroeders Gerrit en Wouter van Dam kwam daarin echter snel verandering. In overleg met de kerkenraad werd besloten de orgelcommissie in een nieuwe samenstelling weer te aktiveren en akties op touw te zetten. Van alles werd er aangepakt; zo werd er een oven gesloopt waarvan de opbrengst van de gesloopte materialen geheel bestemd was voor het orgelfonds en werden er twee bazars georganiseerd waaraan in de plaatselijke kranten de nodige publiciteit werd gegeven. Dat gaf natuurlijk ook wel wat problemen, maar het bracht wel ruim fl. 5.000,-- in het orgellaadje. Begin 1968 besloot de commissie daadwerkelijk op zoek te gaan naar een pijporgel en stuurde een rondschrijven naar enkele bekende orgelbouwers met een globale specifikatie waaraan, naar de mening van de commissie, het kerkorgel moest voldoen. Het liefst een gebruikt maar wel goed tweeklaviers mechanisch instrument met pedaal, dat maximaal fl. 15.000,-- zou mogen kosten. Een aantal heel mooie offertes kwamen binnen, zo werd er zelfs een orgel met origineel Witte-pijpwerk afkomstige uit de Grote Kerk in den Haag aangeboden. Het was wel heel fraai maar te groot en te duur voor onze kerk. Ook het orgelbouwbedrijf van Vulpen uit Utrecht had onze brief ontvangen; deze firma zelf bracht geen aanbieding uit (de orderportefeuille was meer dan vol) maar de bedrijfsleider, de heer H. van Dijk was op de hoogte van de plannen van de Hervormde Kerkvoogdij te Andijk, waar men vanwege de kerksluiting het orgel ging verkopen. Zonder zijn medewerking zou het Flaes-orgel nooit in onze kerk zijn gekomen. Uitermate deskundig als hij was en goed op de hoogte van de aard en de stijl van het instrument was hij de meest belangeloze maar tegelijkertijd de meest waardevolle adviseur van de orgelcommissie. Deze man heeft ons geattendeerd op het Andijker instrument en een eerste technisch advies uitgebracht, alhoewel de firma van Vulpen op eigen verzoek geheel buiten de transaktie bleef. Nadat ook van andere zijde deskundig en positief advies was verkregen, is het orgel uit Andijk voor fl. 4.000,-- gekocht en voor fl. 11.485,-- gerestaureerd. Nog wel even dreigde de hele transaktie niet door te gaan toen bij de uiteindelijke besluitvorming bleek dat een kerkenraadslid enige voorkeur had voor "een prachtig Philips orgel dat hij onlangs had gehoord en dat veel goedkoper was". Gelukkig is het zover nooit gekomen.

In drie maanden tijd werd het orgel overgeplaatst en door de Soester orgelbouwer J.J. Elbertse gerestaureerd. "Het kan weer honderd jaar mee", verklaarde hij trots. Bij de ingebruikname op donderdagavond 28 november 1968, enkele dagen voor het 50-jarig ambtsjubileum van ds. P. de Smit die aan de voorspoedige opbouw uiteraard veel vreugde beleefde, werd het orgel opnieuw in gebruik genomen waarbij het werd bespeeld door de Eemdijker organist Karel Huygen. De heer J. Huls, voorzitter van het college van kerkvoogden van Andijk, nam er maar node afscheid van. Hij schonk er vier oude kerkenraadsbijbels bij, een kostbaar bezit; het oudste exemplaar dateert uit 1782.

Bij de overplaatsing is op verzoek van de orgelcommissie ook prijsopgave uitgebracht voor de bouw van een 16' pedaalregister; om financiële redenen is daar toen vanaf gezien, hoewel er na afsluiting van de aktie en enkele andere projekten die daarna volgend, nog ruim fl. 8.000,-- over was. Dit bedrag is lange jaren "uitgeleend" geweest aan de kerk, maar is oorspronkelijk altijd bestemd gebleven voor het orgel. Daardoor heeft het bijna dertig jaar geduurd voor de plannen konden worden uitgevoerd. Een prachtige gelegenheid om het orgel met de pedaalstem uit te breiden deed zich reeds voor in 1983 toen het pijpwerk van een origineel Flaes-register werd aangeboden; helaas was het toen niet mogelijk om de gelden vrij te maken. In 1996 besloot de kerkenraad echter, gezien de gunstige financiële ontwikkeling in de gemeente, de orgelcommissie de ruimte te geven om de lang gekoesterde wens uit te voeren. Mede door een forse gift van een belangstellende broeder van buiten de gemeente, kon de uitbreiding toen snel worden gerealiseerd. In overleg met orgelbouwer J.G.M. Elbertse jr., die het instrument in onderhoud heeft, was reeds pijpwerk voor een pedaalregister aangekocht dat afkomstig is van het oude orgel in de Chr Ger. Kerk te Nieuwe Pekela. Het register is op een zelfstandige nieuwe mechanische windlade, geheel overeenkomstig de Flaes-techniek, achter het orgel bijgebouwd. De dispositie luidt nu, manuaal 1: prestant 8', octaaf 4', octaaf 2', quint 2 2/3, cornet 4 sterk; manuaal 2: holpijp 8', salicionaal 8', roerfluit 4'; pedaal aangehangen + subbass 16'. De subbass wordt ingeschakeld d.m.v. een registertrekker; er is geen pedaalkoppel ingebouwd zodat de originaliteit van het instrument volledig is gehandhaafd. De gemeente beschikt daarmee over een fraai historisch en zeer waardevol orgel.

J.C. Westeneng

Hoofdstuk 11 Overzicht ouderlingen en diakenen

Ouderlingen

1923-1926

P.J. Floor

1923-1925

C. Plomp

1924-1927

W. Kersten

1925-1929

C. Plomp

1926-1932

P.J. Floor

1929-1929

C. Plomp

1928-1933

P.J. van der Burg

1932-1934

P.J. Floor

1931-1933

N. Legemaat

1933-1934

P.J. van der Burg

1933-1937

C. van Tricht

1933-1938

N. Legemaat

1934-1934

P.J. Derks

1935-1939

G. Nap

1936-1941

C. van Tricht

1939-1941

B.S.J. van der Post

1941-1942

G. Muts

1941-1942

C. van Tricht

1942-1946

C. van Tricht

1943-1946

G. Muts

1944-1946

B.S.J. van der Post

1946-1947

P.J. Derks

1946-1946

B.S.J. van der Post

1946-1950

H. Christiaans

1949-1951

D.J. Westeneng

1950-1960

H. Christiaans

1951-1955

D.J. Westeneng

1955-1959

D.J. Westeneng

1959-1969

G. van Kooten

1959-1962

D.J. Westeneng

1960-1963

H. Christiaans

1961-1969

Ds. P. de Smit

1962-1967

D.J. Westeneng

1964-1968

K. Ester

1967-1971

D.J. Westeneng

1968-1972

K. Ester

1969-1974

G. van Kooten

1971-1975

H. Konijn

1972-1974

K. Ester

1974-1977

G. van Kooten

1974-1977

J.C. Westeneng

1975-1980

H. Konijn

1977-1981

G. de Bruin

1979-1983

J.C. Westeneng

1980-1984

H. Leendertsen

1981-1985

H. Konijn

1982-1986

A.C. Snijders

1982-1986

J.H. Braber

1984-1988

J.C. Westeneng

1985-1989

H. Konijn

1986-1990

D. van Arkel

1988-1992

A.C. Snijders

1989-1993

J. Mallie

1990-1994

M.L. Lock

1992-1996

A.C. Snijders

1992-1994

D. van Arkel

1993-1997

J. Mallie

1994-1998

D. van Arkel

1996-heden

J.C. Westeneng

1997-heden

A.C. Snijders

Diakenen

1923-1929

B. Verburg

1924-1927

N. Legemaat

1926-1932

G. van Zijtveld

1927-1931

N. Legemaat

1931-1933

T. van Barneveld

1933-1937

H. van Schaik

1933-1937

D.J. Westeneng

1933-1937

R. Boverhoff

1937-1940

N. van Dijk

1937-1938

J. Peeters

1937-1942

F. van Schaik

1939-1942

T. van Barneveld jr.

1941-1944

G.H. Kersten

1942-1943

F. van Schaik

1943-1947

J.D. Westeneng

1943-1945

N. van Dijk

1945-1950

P.J. Drost

1944-1947

G.H. Kersten

1947-1952

J.D. Westeneng

1949-1950

J. van der Heijden

1950-1955

P.J. Drost

1950-1953

H. Garritsen

1953-1960

G. de Wilde

1955-1957

P.J. Drost

1958-1961

J.H. Drost

1960-1965

G. de Wilde

1961-1964

K. Ester

1964-1968

G. van der Kraats

1965-1971

G. de Wilde

1965-1970

E. de Jong

1968-1972

A. van Amerongen

1970-1974

E. de Jong

1971-1975

D. van Arkel

1972-1975

A. van Amerongen

1974-1978

E. de Jong

1975-1980

J.H. Braber

1978-1982

A.C. Snijders

1976-1979

C.H. Westeneng

1979-1983

W. van Grootveld

1980-1984

D. van Arkel

1983-1987

W. van Grootveld

1984-1988

H.W. de Wilde

1986-1990

M.L. Lock

1987-1991

F. Westeneng

1990-1994

K.J. Heerma

1991-1995

F. Westeneng

1994-1998

K.J. Heerma

1995-heden

J. Mannessen

Addenda

Ouderlingen

 

J. Mallie

06-12-1998

30-04-2000

Opvolger D. van Arkel, kreeg ontheffing

 

01-07-2001

18-05-2003

Opvolger J.C. Westeneng / A.C. Snijders

M.N. den Harder

01-07-2001

17-05-2009

Opvolger J.C. Westeneng / A.C. Snijders

 

10-06-2012

heden

R. Scherrenburg

01-07-2001

11-07-2006

Opvolger J.C. Westeneng / A.C. Snijders

 

13-06-2010

10-09-2012

Kreeg ontheffing

 

09-06-2019

heden

J.C. Westeneng

18-05-2003

08-06-2008

 

 

04-11-2012

24-05-2015

 

R.M. van Leeuwen

11-06-2006

13-06-2010

 

 

02-07-2017

heden

 

J.B. Gaasbeek

08-06-2008

10-06-2012

 

 

26-05-2013

02-07-2017

 

A.H. Janssen

17-05-2009

26-05-2013

 

 

24-05-2015

09-06-2019

 

Diakenen

A.C. Provoost

17-05-1998

12-05-2002

Opvolger K.J. Heerma

R.M. van Leeuwen

27-06-1999

18-05-2003

Opvolger J. Mannessen

F. Westeneng

12-05-2002

11-06-2006

 

A. Snijders

18-05-2003

04-11-2007

 

L.H. Scherrenburg

11-06-2006

13-06-2010

 

R.R.T. Hamelink

04-11-2007

24-05-2015

 

J. Meijer

13-06-2010

30-11-2014

 

 

02-07-2017

heden

 

M. Heikoop

30-11-2014

02-07-2017

 

M.J. de Jong

24-05-2015

09-06-2019

 

J.D.Th. Westeneng

09-06-2019

heden

 

Op 3 maart 2003 werd een beroep uitgebracht op kandidaat C.P. de Boer uit Zeewolde. Uit de op hem uitgebrachte beroepen nam hij dat van Werkendam aan.
Op 16 februari 2004 werd in samenwerking met de gemeente Bunschoten een beroep uitgebracht op ds. W. Kok van 's-Gravenzande. Hij mocht dit beroep aannemen.
Op 26 oktober 2011 verleende de classis Amersfoort emeritaat aan ds. W. Kok.
Op 15 april 2012 werd uit het tweetal Ds. F.W. van der Rhee en Ds. W.N. Middelkoop laatstgenoemde beroepen als predikant van Soest. Hij bedankte voor dit beroep.
Op 2 juli werd een deeltijd-beroep (50%) uitgebracht op ds. J.L. de Jong van Bunschoten. Hij mocht dit beroep aannemen.