Home
Kerkgeschiedenis
Preken
Diversen
Links
Contact

Doorzoekt uzelve nauw

Een woord vooraf

Dit werkje is uitsluitend geschreven, omdat er zoveel dwalingen in het hart van een mens kunnen zijn, doordat men te weinig Gods Woord onderzoekt en er zoveel godsdienst zich in de wereld openbaart, dat mensen haast niet meer weten waar ze zich bij aan moeten scharen.
Want de een zegt: "zie hier is de Christus" en de ander zegt: "daar is de Christus" en die zal zich noemen met de naam van Jakob.
En daarom is een nauw onderzoek des harten wel nodig op reis naar de eeuwigheid.
Nadat in 1925, op 4 januari, het de Heere mocht behagen mijn blinde ogen met het bad der wedergeboorte te openen en mij te doen uitgaan uit de duisternis en over te zetten in Zijn wonderbaar licht, waar ik nu enige jaren met liefde in werkzaam mag zijn en ook tot zulk een droevige ontdekking ben gekomen, hoe weinig mensen de vrucht des Geestes deelachtig zijn, heeft het God behaagd, een klein werkje in het licht te geven.
Daar een ieder mens, naar de mate, die God hem toedient, zijn kracht moet besteden, opdat hij woekere met zijn talenten, want wij mogen die niet in een zweetdoek dragen, maar uitdelen naar dat een ieder van node heeft. Want er is maar één Heere, één geloof, één doop en Dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leraars, tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouw van het lichaam van Christus. Totdat wij allen zullen komen tot de eenheid van het geloof en der kennis van de troon Gods, tot een volkomen man, tot de maat van de grootte der volheid van Christus.
Want alles zal vergaan, alleen de liefde zal blijven, welke is in Christus Jezus onze Heere (1 Korinthe 13).
Want God zal komen om de wereld te overtuigen van zonde en gerechtigheid en oordeel en te zoeken of er nog geloof te vinden is op deze aarde.
Want alle tong zal belijden, dat Hij de Koning der Koningen is.
Waakt dan geliefden, opdat die dag u niet als een dief in de nacht overkome, maar weest nuchter en waakt opdat de olie in de lampen en vaten niet ontbreke en gij moogt uitzien met de bede: "Uw Koninkrijk kome" en gij moogt behoren bij die kudde, waar de deur voor geopend wordt en gij in moogt gaan, met al de geheiligden vrijgekocht door Christus' bloed, en uit moogt spreken in één koor: "Gij hebt ons Gode gekocht met Uw dierbaar bloed. Ja Gij zijt waardig te ontvangen, alle lof en aanbidding en alle dankzegging, nu en tot in alle eeuwigheid. Amen".

Dit werkje is geschreven door Trijntje van Oostrum, geboren 7 maart 1880 te Marssum, Friesland.
Het is in verschillende hoofdstukjes verdeeld en ieder heeft zijn eigen kracht van inhoud en men lette goed op of er nog iets ten nutte kan zijn voor Gods eeuwig Koninkrijk, want alles is hier vergankelijk, maar de eeuwigheid zal geen einde zijn.
En daarom wat ik u toe roep, waakt en bidt opdat gij niet in verzoeking komt, want satan gaat om als een briesende leeuw, zoekende wie hij kan verslinden. "Want het is de tijd dat het oordeel begint van het huis Gods; en indien het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen die het Evangelie Gods ongehoorzaam zijn? En indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddeloze en zondaar verschijnen?" 1 Petrus 4: 17, 18.

"Doorzoekt uzelve nauw"

Nadat er enige kenmerken zijn aangewezen van ons verstand, waardoor de mens zo licht kan verloren gaan, zonder de levendmakende Geest en God niet wil dat er één verloren ga, heeft het God behaagd, het licht des Heiligen Geestes te ontsluiten, om de twee staten van verstand en het hart van een wedergeboren mens uiteen te zetten.
Misschien zijn er onder, die bij het lezen zullen denken: hoe kan ik dan zalig worden?
Wij weten, dat God ons Zijn Woord heeft gegeven, waarin wij alles kunnen vinden wat tot ons eeuwig heil kan dienen; God wil ons door dat Woord alles leren, hoe wij wandelen moeten.
Want wie de Bijbel leest, moet hem lezen als het Boek Gods. Nu heeft God Zich in Zijn algemene genade daar in geopenbaard, als de Weg, de Waarheid en het Leven.
Maar nu moeten wij ons persoonlijk daarin terug vinden, want ons aller beeld is daarin getekend, want allen zijn wij afgeweken, tezamen zijn wij onnut geworden.
Daarom zegt Jeremia: "Kent uw ongerechtigheden, waarmede gij tegen de Heere uw God hebt overtreden".
Ik, de Heere, doorgrond het hart en proef de nieren en dat om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.
Daarom moeten wij de Schriften onderzoeken, want die zijn het, die van Mij getuigen en God alleen weet of onze getuigenis waarachtig is.
In Romeinen 8 lezen we, dat er geen verdoemenis is, voor degenen die in Christus zijn, maar met deze twee voorwaarden, die niet naar het vlees wandelen maar naar de Geest.
Hier ligt al de scheiding.
Nu kunnen wij van Christus zijn in een onbewuste staat, verbonden in Hem, maar nog niet wedergeboren.
De wedergeboorte geschiedt, naar dat God over ons besloten heeft, want als het goede zaad in onze harten ligt, dan zal ook de wedergeboorte plaats moeten hebben, want Gods werk bedriegt niet.
Soms op een ogenblik, dat men het niet verwacht straalt Gods Geest in onze zielen en wij zien alsdan de Onzienlijke.
En van blijdschap overstelpt, riep Andreas: "Wij hebben gevonden de Messias, hetwelk is overgezet zijnde, de Christus".
Van die blijdschap weet ieder kind van God te spreken, wanneer God zich door Christus aan een ziel openbaart, en verzegelt door de Heilige Geest.
Na de wedergeboorte heeft men een vrucht des Geestes, waarop men goed moet letten, of zij aanwezig is, want dat wordt in het leven openbaar.
Want zodra men een overgang heeft gemaakt in de ziel, is daar een nieuw leven. Wat eerst nog verborgen was door de zonde, wordt dan door het licht des Heiligen Geestes klaar.
Het oude is voorbijgegaan, het is alles nieuw geworden.
En het licht is ook liefde, want als men blijdschap ervaart, dan is er ook mededeelzaamheid. Denk maar aan de Samaritaanse vrouw.
Daarom moeten wij goed opletten, of het de vrucht is, die God in Zijn Woord openbaart, want Johannes zegt: "Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn, en die vreest, is niet volmaakt in de liefde". 1 Johannes 4: 18.
Daarom onderzoekt de Geest ook alle dingen, zelfs de diepten Gods.
Waar God de vrucht des Heiligen Geestes in de ziel heeft geplant, daar is ook de dankbaarheid Gode tot een welriekende reuk en een toegewijd leven aan God.
De wereld gekruist om de vrucht des Geestes en ik der wereld, want iemand die wederom geboren is, heeft iets lief, wat hij vroeger haatte, en de wereld die hij diende, haat hij, met een volkomen haat, want hij is een nieuw schepsel. Daarom zegt Romeinen 8: "die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest".
"En die onderwezen wordt in het Woord, dele mede van alle goederen degene die hem onderwijst". Galaten 6: 6.
Van nature zijn wij allen uit Adam en kunnen niet anders dan door Christus tot God komen, die zich in Gods Woord openbaart als de volkomen Verzoener van al onze zonden en ons verzegelt door de Heilige Geest.
Hoe kunnen wij nu weten, dat wij door de Heilige Geest geleid worden, daar de Heilige Schrift ons toeroept, dat wij niet in een iegelijke geest moeten geloven? Daar er zeven Geesten zullen staan voor de troon Gods, die op de bruidkerk des Heeren duiden?
Wel dat is in ons leven best na te speuren. "Want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien. Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; maar die in de Geest zaait, zal uit de Geest het eeuwige leven maaien. Galaten 6: 7-8.
Nu is het maar alleen een nauw onderzoek hoe het met ons allen staat, want wij zijn hier in deze wereld en moeten er door, de ene rijk en de andere arm, de Heere heeft ze allen gemaakt.
Doch zalig zijn de armen van geest, want hunner is het koninkrijk. Zo sprak Jezus tot de schare. Zijt gij een arme van geest?
En we zullen elkander aan de overzijde van het graf weer zien.
O, mochten er velen gevonden worden die bij het lezen van deze letteren het mogen ervaren, dat de vrucht des geestes ook in hun ziel wordt gevonden.
Dan is de uitroep tot allen die van Christus zijn:
Laat alles los wat de wereld biedt en vraag steeds meer en meer om ontdekkend licht. Om de wereld die in ons aller harte leeft te kruisigen en in een nieuw Godzalig leven te wandelen.
Niet in uiterlijke schijn, maar dat onze dagelijkse bede mag zijn: Was mij en ik zal rein zijn, ontzondig mij met hysop. Want wij zullen zonder vlek of rimpel als in Christus geheiligd moeten worden en als een reine maagd moeten worden voorgesteld aan God de Vader.
En de God aller genade geve Zijn onmisbare zegen.
Doet diep onderzoek of u waardig gekeurd zijt de kroon te ontvangen, welke God heeft weggelegd voor al degenen die Hem vrezen en in oprechtheid des harten zoeken.
En die Hem zoeken, zullen Hem zeker vinden en zullen als ze Hem gevonden hebben met Jesaja uitroepen:
"Ik ben gevonden van die, die naar Mij niet vraagden".
Maar let op wat Psalm 1: 4 zegt:

De HEER' toch slaat der mensen wegen gâ,
En wendt alom het oog van Zijn genâ,
Op zulken, die, oprecht en rein van zeden,
Met vasten gang het pad der deugd betreden;
God kent hun weg, die eeuwig zal bestaan,
Maar 't heilloos spoor der bozen zal vergaan.

De verstandelijke kennis

Het is zeer moeilijk om een braaf mens, die in de weg der deugd van kindsbeen is opgevoed, aan het verstand te brengen, dat de weg der deugd niet voldoende is tot de zaligheid, daar de geest en het verstand twee organen zijn die in het geestelijk leven wel samen in werking komen, maar daar ons verstand door de zonde verduisterd wordt, moet onze bede zijn: "geef mij verstand met Godd'lijk licht bestraald", anders kunnen wij niet zien.
Jezus heeft het zelf uitgesproken: tenzij gij wederom geboren wordt, gij kunt het Koninkrijk Gods niet zien.
Het verstand kan dezelfde uitspraak hebben, maar zonder levenmakende geest. En verstaat men niet iemand die uit de Geest spreekt?
Want de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn, want ze zijn hem een dwaasheid.
Niet dat de weg der deugd af te keuren is, want hoe zullen wij in Hem geloven van wie wij niet hebben gehoord?
Maar daar is gevaar aan verbonden want luiheid is des duivels oorkussen.
Het moet werken en bidden worden.
Daarom zijn er zoveel voorbeelden in de Heilige Schrift.
Van de rijke jongeling, de rijke man en de arme Lazarus, het penningske van de arme weduwe, de Farizeeër en de tollenaar. En dan de moordenaar aan het kruis.
En dan de Farizeeërs en de Schriftgeleerden die altijd maar door een andere weg wilden zalig worden dan Jezus hun voorhield. Lees eens Mattheus 23, hoe Jezus hen vermaant.
Niemand die met het verstand werkt en rijk is in de Schrift, ja zelfs de Bijbel uit het hoofd kent, zonder de levenmakende geest, zal iets verder komen want de letter doodt.
Maar alleen de kracht des Heiligen Geestes kan het leven geven. Dat kan niemand ons geven dan God alleen.
En daarom is het altijd maar een nauw onderzoeken of de vrucht des geestes aanwezig is of dat het alleen 't verstand is.
Zie hier enige kenmerken van het verstand en de vrucht des geestes gewerkt door de Heilige Geest na de wedergeboorte.
De verstandelijke kennis roemt in zichzelf, is niet nietig in zichzelf, heeft geloof, kan bidden, kan psalmen zingen, kan bouwen, is niet afhankelijk, weet niet dat Jezus heeft uitgesproken: "zonder Mij kunt gij niets doen". Hij weet wel met het verstand, maar gevoelt niet zijn zwakheid, weet geen onderscheid tussen licht en duisternis want een iegelijk die kwaad doet haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden.
Hij heeft geen ontdekte staat van zijn zonde, leeft als een Farizeeër en ziet de splinter in het oog zijns naaste en heeft geen spiegel in de wet, is rijk in zijn armoede "en gij weet niet dat zij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt". Hij is een vriend Gods, vóórdat hij aan zijn vijandschap ontdekt is.
Als wij de vrucht des Geestes missen zijn wij vijanden van Gods Woord en kunnen wij niet buigen om des Woord wil.
Wat in het verstand zit, daar blijft het hart koud van en spreekt daarom zeer opgeblazen dingen en steunt op eigen kracht. Denk eens aan de verloochening van Petrus voor het bewust berouw.
Hij is geestelijk blind en heef dus geen oog wat naar binnen slaat.
Jezus zei tot hen (dat is tot de Farizeeërs): "indien gij blind waard, zo zoudt gij geen zonde hebben, maar nu zegt gij: "wij zien", zo blijft dan uw zonde".
Hij heeft geen ernst of ware vrees aangaande de eeuwigheid, bedenkt niet, dat wij onze dagen moeten leren tellen, opdat wij een wijs hart bekomen, bedenkt niet, dat God alles weet en bereidt zich niet alzo, dat iedere minuut van ons leven kan worden afgesneden om voor God te verschijnen.
Hij heeft geen rechte kennis van het afbreken van het aardse huis en de dode takken die afgebroken moeten worden, door te weinig zelfonderzoek naar zijn verdorven innerlijk en is nadat men soms iets in het verstand heeft opgelost nog dood in de geest.
Want het verstand kan ons zover brengen, dat men het aan de buitenkant niet kan zien, zoals bij de wijze en de dwaze maagden, maar met het ingaan door de poort daar zal het uitkomen.
Daarom durft niemand te spreken aangaande zijn staat.
Wij hebben allen één hoofdzonde, namelijk onze boezemzonde, (een ieder lette er op welke zij is) die niet zichtbaar is, maar God ziet alles.
Het verstand werkt dat zo uit, dat er niets geen strijd is, want de duivel belooft de mens veel als men hem maar aanbidt en zo gaat men tenslotte om eigen zonden verloren, daar men de hand die redden wil en redden kan, wegens hoogmoed niet tracht aan te grijpen en wordt boos als men op een zwak van hem wijst.
Hij buigt niet voor Gods Woord, die hem alles wil leren en gaat in ijdelheid en een zelf gekozen weg door.
Kan onder een vrome schijn de grootste zonden doen, die niet door de mensen worden gezien, maar wel door Gods oog.
Hierdoor heeft de mens onvrede en gaat zeer gemakkelijk met een ingebeelde hemel verloren.
Leest eens het tweeërlei Israël, verstand en geest, Psalm 78 en Psalm 115 met eerbied en aandacht.
God weet alles, ook onze kromme wegen en politiek. Het is alles een gruwel in Gods oog.
Denkt eens hoe Jozef door zijn vrome broeders verkocht werd als slaaf en hoe Jakob een zegen had gestolen die hem nog niet toekwam en God zag hem.
Hij was rijk en God had het gezien en hij moest bij de Jabbok worstelen om de ware zegen te ontvangen: een persoonlijke daad.
Ons verstand is verduisterd door de zonde, daarom moeten wij vragen: "geef mij verstand met Godd'lijk licht bestraald".
Want ik roep u toe met Zefanja 2: 1 en 2: "doorzoek uzelven nauw, ja doorzoek nauw, gij volk dat met geen lust bevangen wordt! Eer het besluit bare (gelijk kaf gaat de dag voorbij)" en het zal vreselijk zijn, na de dood te vallen in het eeuwig oordeel.
Zie hier enige dingen op het papier waardoor gij uzelf eens kunt nagaan of er iets tot nut kan strekken voor uw eeuwig welzijn, want we leven hier maar eens, en moeten weten dat, als ons aardse huis gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.
"Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad". 2 Korinthe 5: 10.
Psalm 68 vers 1 roept ons allen toe:

De HEER' zal opstaan tot de strijd;
Hij zal Zijn haters, wijd en zijd,
Verjaagd, verstrooid doen zuchten.
Hoe trots Zijn vijand wezen moog;,
Hij zal voor Zijn ontzaglijk oog,
Al sidderende vluchten,
Gij zult hen, daar G' in glans verschijnt,
Als rook en damp die ras verdwijnt,
Verdrijven en doen dolen.
't Godd'loze volk wordt haast tot as,
't Zal voor Uw oog vergaan als was,
Dat smelt voor gloênde kolen.

Zijt gij wederom geboren?

Op deze vraag moeten wij ja kunnen zeggen wil het goed zijn.
Want een mens uit een vrouw geboren is kort van dagen en zat van onrust.
Het is alles ijdelheid wat de natuurlijke mens zoekt, want wat uit het vlees geboren is, dat is vlees, en kan het Koninkrijk Gods niet beërven. Er zijn heel wat mensen die dat niet weten.
Zelfs Nicodemus, een leraar in Israël, moest nog zelfs van Jezus een vermaning ontvangen, toen hij de eerste aandrang in zich gevoelde om uit te gaan naar Jezus. Uit vrees voor de Joden ging hij 's nachts.
Hij wist niet eens, dat die drang al iets was, van Gods wege in hem gewerkt, daar de natuurlijke mens de dingen des geestes niet begrijpt.
Men gaat niet anders dan uit nood.
Jezus sprak Nicodemus heel eenvoudig aan en nam als voorbeeld de wind. "De wind blaast waarheen hij wil". Johannes 3: 8.
Er was geen verhaal aan verbonden van allerlei bevinding of dogma's van de mens, want God houdt met een ieder Zijn eigen weg, naardat het Hem behaagt.
Maar een ieder mens moet weten of hij wederom geboren is want het is in geen hoek geschied en daarom vertelt ieder zijn eigen ontmoeting en blijdschap des harten en geeft Gode de eer die zoiets groots in hem tot stand heeft gebracht, door de werking van de Heilige Geest en God alleen weet wie de zijnen zijn, en wordt van de zijnen gekend.
Wel wordt het geloof dikwijls beproefd als door vuur maar dan werkt het weer een vrucht van zich die niet uit de mens is maar uit God geboren door de werking des Heiligen Geestes.
Want genade strijdt altijd tegen vlees en bloed.
Denk maar aan de bergrede hoe Jezus daar niet alleen Zijn volk troost en vrijspreekt van alle laster en onrecht die hun dikwijls door onkunde van het innerlijk werk des geestes wordt aangedaan, maar ook, hoe het kind van God moet strijden om de vrucht des Geestes op hoop tegen hoop in Gods kracht te overwinnen met de bede; "niet mijn wil, maar Uw wil geschiede".
Want die naar het vlees zijn, kunnen God niet behagen, maar die door de geest de werkingen des vleses kruisigen, die na de wedergeboorte uitspreken: ik weet, dat in mijn vlees geen goed woont, en een jagen in zich gevoelen naar de volmaaktheid (want onze werken zullen vol bevonden moeten worden, daarom moet er een hoop in de ziel zijn) en een jagen naar datgene wat God van hem eist in de weg van gehoorzaamheid.
En daar wij zo hardleers zijn heeft God zoveel met de mens te stellen om hem op de rechte plaats te stellen waar God hem hebben wil.
Ik heb hier enige kenmerken op het papier gebracht die in het hart leven na de wedergeboorte.
Want nauw onderzoek is zeer nodig, daar het leven een damp is die even gezien wordt en dan verdwijnt en wie zal zeggen wat er na de dood wezen zal, indien de geest het aan deze zijde van het graf het hem niet heeft geopenbaard?

Een wedergeboren mens heeft van harte lust de Heere te dienen (en God zal Zelf zijn leidsman wezen), spreekt er het liefste van (want uw Maker is uw Man, Heere der heirscharen is Zijn Naam), leest graag Gods Woord (Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad), zoekt veel de eenzaamheid, om in Zijn gemeenschap te zijn, weet te spreken van de psalmen in de nacht wanneer God hem verkwikt in bange dagen, heeft in de grootste stormen vrede (het is een vrede die alle verstand te boven gaat), ziet in alles Gods hand, (mijn ogen zijn geduriglijk op de Heere), veracht niet de dag der kleine dingen, is in alles berustend. God vergist zich niet en wil in het kleinste als in het grootste de eer hebben.
Hij heeft elkanders lasten leren dragen, heeft naastenliefde zonder bijbedoeling (want dat is de wil Gods, dat doende vervult gij de wet van Christus).
Hij heeft zelfverloochening geleerd (want wie achter Mij wil komen die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij), roemt niet in eigen kracht, (want Zijn kracht wordt in onze zwakheid volbracht, want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij).
Hij is in de leerschool van oefening in de Godzaligheid.
Want het vlees en de geest zijn twee organen die na de wedergeboorte een scheiding maken en strijden tegen elkaar, en hij moet minder worden (dat is de oude mens) anders kan de vrucht des geestes niet groeien.
En daar wij met duizend banden hier aan deze aarde geklemd zijn, kost ieder stuk voor stuk in de weg van heiligmaking strijd.
Daarom zegt de Schrift; "Wwerkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven; want het is God Die in u werkt, het willen en het werken, naar Zijn welbehagen". Filippenzen 2: 13.
Hij helpt graag armen en bedrukten indien het mogelijk is want die plant en natmaakt is het niet maar Die de wasdom geeft.
Maar een kind van God krijgt voor zijn liefde haat.
Jezus heeft het Zelf uitgesproken; "zij hebben Mij gehaat, ze zullen ook u haten, want wie niet vóór Mij is, is tégen Mij".
En die scheiding is hier al op deze aarde, want indien gij niet alles verlaat, gij kunt Mijn discipel niet zijn. Hij is liever in het klaaghuis dan in het huis der maaltijden.
Hij tracht rechtvaardig voor God en de mensen te leven, daar God alles weet, zelfs de overleggingen des harten. Daarom is er vrees in het hart, en vreest geduriglijk voor Zijn aangezicht.
Hij heeft over de minste zonde berouw, soms als die onbewust zijn, want wij struikelen allen in velen waardoor het oog minder helder ziet dan voorheen.
Hij speurt de verborgen afdwalingen en zoekt opnieuw vergeving, want alleen het bloed van Christus kan hem redden en reinigen van alle zonden.
Hij leert afzien van de mens omdat niemand hem kent dan God alleen.
Zelfs de discipelen twistten en waren jaloers wie het toch waren en of het er veel zouden zijn die zalig werden.
Maar Jezus sprak: "strijdt om in te gaan".
Wij hebben allen ons eigen kruis en talenten.
De een heeft meer talenten dan de ander maar God geeft naar onze draagkracht en niet meer dan ons bescheiden deel en wij ontvangen allen hetzelfde loon.
Hij komt in strijd met alles wat niet rechtvaardig is in Gods ogen en leert hoe moeilijk de weg is, die ten leven leidt.
Velen zullen menen in te gaan en niet kunnen.
Strijdt om in te gaan, want de weg is zeer nauw die ten leven leidt.
"Maar die Mij vindt, die vindt het leven" zo sprak Jezus.
Hebt gij Hem gevonden?
God heeft geen lust in de dood des zondaars, maar daarin, dat hij zich tot God bekere en leve.
Alles zal vergaan maar de liefde zal blijven welke is te vinden in Christus Jezus onze Heere (1 Korinthe 13).
En dat onze bede zij Psalm 119: 3

Och schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest!
Mocht Die mij op mijn paân ten Leidsman strekken!
'k Hield dan Uw wet, dan leefd' ik onbevreesd;
Dan zou geen schaamt' mijn aangezicht bedekken,
Wanneer ik steeds opmerkend waar' geweest,
Hoe Uw geboôn mij tot Uw liefde wekken.

Een kleine toelichting

Nadat u enige dingen in overweging hebt kunnen nemen en er misschien nog onder u zijn die in enige dingen hun tekortkomingen hebben bespeurd, wil ik thans op grond van Gods Woord nog enige punten aanwijzen opdat de mens bezig mag zijn tot onderzoek van Gods eeuwig Koninkrijk.
En wel uit Jesaja 50: 10: "Wie is er onder ulieden die de Heere vreest, die naar de stem Zijns knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de Naam des Heeren en steune op zijn God".
Wij weten dat van het begin van de schepping de duivel met list het hart van de mensen heeft ingenomen.
De stem van ons hart, ook wel geweten genoemd, spreekt altijd in ons hart.
Wij zijn doordat men altijd geneigd is naar het kwade, het oor te luisteren te leggen en ons hart tot allerlei dingen laten overhalen omdat wij niet luisteren naar de stem van de goede Herder.
Want Jesaja zegt: "Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg".
Heel het menselijk geslacht is aan die stem in het paradijs verbonden. Men leeft van nature naar het goeddunken van zijn eigen hart. Als God Adam roept na de val, dan schrikt hij en wordt bevreesd, want hij wist dat zijn hart niet recht was voor God, omdat hij aan de verkeerde stem gehoor had gegeven tot overtreding van het gebod. Toen werd daar het doodvonnis uitgesproken van Gods wege.
De stem van de duivel, die van nature in ons aller hart leeft, geeft voor ons vlees een voedsel, maar een wrange vrucht, de dood. Dit is tot ons allen overgegaan, want van nature zijn wij dood in zonden en misdaden.
Wij kunnen hier in ons leven baden in de weelde maar het einde is de dood en daarna het eeuwig oordeel.
Daar komt niemand van af, want een ieder zal ontvangen, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. God zal de wereld overtuigen van zonden en gerechtigheid en oordeel. Wij liggen allen in ons bondshoofd Adam, daarom is de eerste mens van nature aards.
Daar God door Zijn bijzonder wijze raad een eeuwig raadsbesluit over deze wereld heeft uitgedacht, een begin en een einde, zal alles volgens volgorde op grond van Zijn Woord volbracht worden.
Wij zien het, maar doorgronden 't niet.
Daarom heeft God mensen met de Heilige Geest geinspireerd om alles op een boekrol te schrijven opdat de mens zich aangaande het einde van deze wereld niet kan vergissen.
God laat Zich altijd door middel van de mens gebruiken om het eeuwig raadbesluit te voltooien maar God zelf staat aan het roer.
Ons verstand is verduisterd door de zonde en wij onderzoeken Gods Woord te weinig om al de listen van de duivel goed na te gaan. Hij verschijnt in verschillende gedaanten en wij beluisteren de stem van de goede Herder te weinig. Heel het mensdom ligt in de duisternis. Daarom zegt Romeinen 8: 19 en 22: "Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods. Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht en te zamen als in barensnood is, tot nu toe".
God heeft het voor de wijzen en verstandigen verborgen en heeft het Zijn kinderen geopenbaard door Woord en Geest.
Daarom lezen wij in Hebreeën 3: 12-15:
"Ziet toe, broeders, dat niet te eniger tijd in iemand van u zij een boos ongelovig hart, om af te wijken van de levende God.
Maar vermaant elkander te allen dage, zolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde.
Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zo wij namelijk het beginsel van deze vaste grond tot het einde toe vast behouden; Terwijl er gezegd wordt: Heden indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet, gelijk in de verbittering geschied is". Omdat er in Johannes 10: 3 en 5 gesproken wordt: "en de schapen horen Zijn stem en Hij roept Zijn schapen bij name, en leidt ze uit. Maar een vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden, overmits zij de stem der vreemden niet kennen".
Het is nu maar de vraag, of gij de stem van de goede Herder kent. Dit wordt in onze dagen tegengesproken. Dat God de mens niet meer roept, omdat Gods Woord te weinig wordt gelezen en men daardoor de kracht en het verband kwijt raakt. Zo gaat het met alles. Als een kleedje oud wordt, dan hangt men het in een kast en dan komt de mot er in. Omdat Gods Woord voor een christen, die onder het Evangelie wordt opgevoed, niets meer is dan een geschiedenis waar men soms nog wel met een traan in het oog naar wil luisteren, maar hij weet niet dat God door middel van het geopenbaarde Woord wil trachten te redden van het eeuwig verderf.
Daarom moet men het niet lezen als een gewoon boek, maar terwijl u leest, spreekt God tot uw ziel in de hoop dat het hart bewerkt moge worden en het zaad in uw ziel een plaats mag vinden en dan vruchten mag dragen de bekering waardig.
Hebt u die stem als God tot u sprak door Woord en Geest al eens gehoord?
Hetzij op de school, in huis onder het lezen van uw ouders, bij de straatprediking, in de kerk of in de tuin, of op een plaats waar u het niet verwacht, want God is aan geen tijd noch plaats verbonden?
Gelijk wij lezen van Paulus op weg naar Damaskus en van een Lydia omdat zij acht sloeg op de prediking van Paulus en de Moorman die luisterde naar Filippus, het zijn allen middelen in Gods hand.
Het is alleen maar, Jezus van Nazareth gaat voorbij, Hij spreekt door Zijn Woord en Geest tot u allen.
Want Hij is hier niet, Hij is waarlijk opgestaan, Hij heeft Zich in Zijn Woord alzo geopenbaard en wil ons alles leren door Zijn Woord en Geest als wij maar in nederigheid des harten Hem smeken met de bede van Psalm 119: 3: "Och schonkt Gij mij de hulp van Uwe Geest".
Lezen wij niet van David hoe hij voortdurend aan God smeekte of God de Heilige Geest niet van hem weg wilde nemen als hij onrustig was in zijn ziel wegens dingen die God gezien had. Dit dreef hem voortdurend uit om vergeving van zonden te ontvangen.
Daarom zegt Jesaja 50: 10: "Wie is onder ulieden die de Heere vreest?".
Daarom moest David in Psalm 38 uitroepen: "O, Heere straf mij niet in Uw grote toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid. Want Uw pijlen zijn in mij gedaald".
Totdat hij weer in blijdschap mocht zingen van Gods goedertierenheden. Zo gaat het als wij niet naar de goede stem van ons hart luisteren. Daarom heeft God de Heilige Geest uitgestort opdat Die in ons zou wonen en werken, leiden en besturen en ons zou leren hoe wij wandelen moeten.
Gelijk geschreven is in Johannes 14: 17: "Namelijk de Geest der waarheid, welke de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij ulieden en zal in u zijn" en in vers 26 troost Jezus Zijn discipelen met deze woorden: "Maar de Trooster, de Heilige Geest, welke de Vader zenden zal in Mijn naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles wat Ik u gezegd heb".
En in Handelingen 1: 8 lezen wij daar ook van: "Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes Die over u komen zal en gij zult Mijn getuigen zijn".
Zo ging het ook met Jezus, toen Hij nog op deze aarde was. Hij reisde van stad tot stad en van de ene plaats naar de andere, goed doende en lerende en vermanende en zij hebben Hem verworpen.
En dat is nog precies als toen. Daarom ligt er een verband tussen het hart van een kind van God en Zijn Woord.
De Vader en het Woord en de Heilige Geest, deze drie zijn één. Daarom als hij wandelt in de duisternissen en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de naam des Heeren en steune op zijn God.
God houdt dikwijls zulke wondere wegen met Zijn volk.
Daar wij dikwijls te veel op de mensen vertrouwen en Gods Woord te weinig onderzoeken, zodat wij de stem van Gods Woord niet meer onderscheiden, neemt God het licht des Heiligen Geestes van ons weg.
Wel mogen wij elkaar tot een hand en een voet zijn indien God het ons persoonlijk oplegt, zoals wij lezen in Handelingen 9: 10 en 11, hoe Ananias een persoonlijke tijding ontving om naar Paulus toe te gaan en hij luisterde want hij kende de stem van de goede Herder.
Ook lezen wij van Samuël die geroepen werd toen hij de Heere nog niet kende. Hij werd geroepen om aan Eli zulk een ontzettende tijding te brengen.
Maar hoe gelukkig, dat Eli de stem van de goede Herder kende en wees hem de rechte weg en begreep, dat Samuël persoonlijk geroepen werd van God de Vader.
Zo heeft een ieder op te letten, omdat God zich op verschillende wijzen openbaart aan de mens. Lees maar eens Job 33: 14, 15 en 16: "Maar God spreekt ééns of tweemaal; doch men let niet daarop.
In de droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger. Dan openbaart Hij het voor het oor der lieden en Hij verzegelt hun kastijding".
Wij zien hier duidelijk dat wij op moeten merken en dicht bij Gods Woord moeten leven want hoe wordt een kind van God dikwijls beproefd om hem dat kruis te leren dragen om ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, hoe het ook moog tegenlopen, gestadig op Zijn goedheid te hopen want de Heere is zo getrouw als sterk.
Daarom, als hij in de duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de naam des Heeren en steune op zijn God.
Daar het licht des Geestes niet altijd even helder is en wij dikwijls door heel andere wegen moeten dan wij ons hadden voorgespiegeld, daarom lezen wij in Gods Woord van zulke bijzondere leidingen met Gods kinderen. Als het ons zo naar het vlees goed gaat, dan willen we tabernakelen bouwen want hoe kleeft onze ziel aan het stof. Dan raken we ons oog op dat hemelse zonlicht kwijt.
Daarom is het goed verdrukt te zijn geweest opdat wij dan al onze krachten mogen putten uit Hem Die is, en Die was en Die komen zal.
Als wij de geschiedenis van vader Jakob lezen, van Job, van Jozef, van David, van Paulus en van zovelen in Gods Woord dan moeten we zeggen: de Heere kastijdt degene die Hij lief heeft. Daarom hebben wij nodig het licht des Heiligen Geestes, opdat we onderscheiden kunnen wat God met ons voor heeft. Dan wordt Gods Woord ons ook een lamp voor onze voet en een licht op ons pad. Dan kunnen wij begrijpen waarom Daniël zich veel gebedsleven heeft aangewend, dat hij driemaal daags zijn hoofd naar Jeruzalem richtte om zijn verstand en geest in Gods kracht te versterken.
Hij had in die weg geleerd, wat de Psalmist uit heeft gesproken: "welzalig hij, die al zijn kracht en hulp alleen van U verwacht". Psalm 84: 3.
Hoe is het met ons allen gesteld? Bidden wij wel om het licht des Heiligen Geestes om het duister in ons op te doen klaren, opdat we kunnen zien, welke de goede en welbehaaglijke wil Gods zij. Want ach wat weegt een mens van nature geld uit voor hetgeen dat geen brood is, en hun arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan.
Hoort eens wat Jesaja 55 u toeroept: "Hoort aandachtiglijk naar Mij en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen.
Neigt uw oor en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven; want ik zal met u een eeuwig verbond maken en u geven de gewisse weldadigheden Davids".
Gods Woord roept u allen. Want Hij geeft het water des levens om niet en die tot Hem komt zal Hij geenszins uitwerpen want Hij vergeeft menigvuldiglijk.
Daarom, als er nog onder u zijn die in de duisternis wandelen en geen licht hebben, dat zij dan betrouwen op de naam des Heeren en steunen op hun God.
Dat u uit vrije genade het licht des Heiligen Geestes mag ontvangen opdat u de olie in de lampen en vaten mag hebben wanneer de Bruidegom roept.
Want Hij komt als een dief in de nacht en alle oog zal Hem zien en alle tong zal belijden, dat Hij de Koning der Koningen is.
En daarom: Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden. Niet met de stem van uw vlees, maar luister naar Psalm 95: 4:

Want Hij is onze God, en wij
Zijn 't volk van Zijne heerschappij,
De schapen die Zijn hand wil weiden;
Zo gij Zijn stem dan heden hoort,
Gelooft Zijn heil- en troostrijk Woord;
Verhardt u niet, maar laat u leiden.

Hebt u de stem gehoord?

In Jesaja 50: 10 wordt gevraagd: "Wie is er onder ulieden de de Heere vreest, die naar de stem zijns knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt en geen licht heeft; dat hij betrouwe op de Naam des Heeren en steune op zijn God".
Een ieder van ons kan zijn eigen hart hier wel bij onderzoeken.
Want als er vrees in het hart leeft, ware vrees, dan is dat het begin der wijsheid. Dit kan reeds heel jong bij ons plaats hebben. Dit is niet een slaafse vrees maar een kinderlijke vrees.
Jezus Zelf heeft dat in Zijn omwandeling hier op aarde uitgesproken: "laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze niet".
Maar als wij wat ouder zijn wordt dat meer een roepstem en gevoelen wij, dat er scheiding ligt wegens de zonde tussen God en de mens. Als er wordt geklopt aan de deur van ons hart.
Men werpt dat eerst van zich af, totdat het de Heere behaagt ons de slip van onze val in Adam even op te lichten, zodat die vrees erger wordt. Dan zien wij dat wij naakt zijn en doen dan net als in het paradijs een kleedje aan, daar wij wegens hoogmoed niet willen buigen.
Maar daar is onze schuld niet mee weggenomen want er is dan vrees voor Gods aangezicht. Deze vrees duurt voort totdat God tot ons komt: "Adam waar zijt gij?".
Daarom bidden wij u van Christus weg, laat u met God verzoenen want er is maar één Naam onder de hemel gegeven door welken wij moeten zalig worden.
God kent ons aller beeld, Hij weet wat van Zijn maaksel zij te wachten, hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten en dat wij stof van jongsaf zijn geweest. Psalm 103: 7.
En daar ligt zulk een troost in.
Daarom, als God de gevallen mens nu in de duisternissen doet wandelen is dat een bewijs, dat God met hem bemoeienis houdt, want ziet, in het duister kunnen wij niets zien en vooral als het nacht wordt ja zelfs de doodschaduw hem bedekt. Als hij met Psalm 116 uit moet roepen: "Ik was benauwd, omringd door droefenissen". Hoe naar voor de mens die in de stille duisternis wordt gebracht, ja zelfs geen licht meer heeft en geen mens hem redden kan, want God wil dat wij Hem aanroepen in de nood en dat hij dan betrouwe op de Naam des Heeren en steune op zijn God.
Daarom, gij, o mens, als God u eens door een donkere weg wil leiden, houdt moed, Hij zal Zijn volk niet begeven noch verlaten, want als de nood op het hoogst is, dan is de redding nabij.
Lees maar in Psalm 107: 10-14: "Die in duisternis en de schaduw des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer; omdat zij wederspannig waren geweest tegen Gods geboden, en de raad des Allerhoogsten onwaardiglijk verworpen hadden. Waarom Hij hun hart door zwarigheid vernederd heeft; zij zijn gestruikeld en er was geen helper.
Doch roepende tot de HEERE in de benauwdheid die zij hadden, verlost Hij hen uit hun angsten.
Hij voerde hen uit de duisternis en de schaduw des doods, en Hij brak hun banden".
Zo gaat het ook wel eens in ons leven, dat God ons roept en wij blijven toch maar wederspannig. Het gaat niet om dit leven, we staan allen voor de eeuwigheid en hoe licht zijn wij geneigd aan een mens om raad en daad te vragen en als het dan iemand is, die zelf nog duister is; dan vallen ze tezamen in de gracht.
Daarom zegt Jeremia 17: 5: "Zo zegt de HEERE: vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van de Heere afwijkt".
Maar toch gebruikt God wel eens de mens als middel in Zijn hand om het raadsbesluit te voltooien maar het moet dan ook een mens zijn, die de stem van de goede Herder kent, anders gaat het de verkeerde weg op en vooral als men dan niet vertrouwt op Gods Woord en steunt op zijn God.
Zo ging het ook ten dage toen Mozes met de kinderen Israëls in de woestijn werd geleid. Is er een volk geweest, dat de wonderen Gods heeft kunnen zien, dan is het dat volk, die door een sterke en geweldige hand is verlost van de vijand.
Maar daar was Mozes, de man Gods aan het roer, een man, die wist, dat hij een God had, als hij in de duisternissen wandelde en geen licht had, dat hij moest steunen op zijn God.
Hij wist, als God hem riep dat er een weg gebaand zou worden en als hij riep, dat God hem ook hoorde en dat er verlossing zou komen. En het is gebeurd.
Maar ziet, zo gaat het met een mens uit vlees geboren, iets zien is nog niet iets bezitten. God kan met ons zulke wondere wegen houden, die wij niet kunnen doorgronden, want onze gedachten zijn niet Gods gedachten en onze wegen niet Gods wegen. Wij zijn van heden en denken niet, dat wij naar een ander vaderland moeten dan hier.
Maar God leidde hen eerst in de woestijn en wilde ze als door vuur beproefd inleiden in dat land, vloeiende van melk en honig.
Maar het was in de woestijn niet aangenaam, want ziet, er was gebrek aan water en aan voedsel en dan komt de strijd.
En zo gaat het ook met een kind van God, na ontvangen genade. Er moet een honger en een dorst zijn naar de gerechtigheid want uit en van onszelf hebben wij dat niet. Als men dan eens nagaat, hoe wij van onszelf zijn, als de tegenheden in dit leven ons omringen, dan is het met ons net als met dat volk waar Mozes mee had te strijden, dan klaagt men: "Waren we maar bij de vleespotten van Egypte gebleven".
Daar ligt een leerstuk voor ons allen in, want wij lezen niet, dat Mozes klaagt en toch waren ze allen in de woestijn.
Let nu op uw eigen leven, dan kunt u onderzoeken of er in u de genade wordt bevonden ja of nee, want het komt in ons leven uit. Wij willen allen de hemel graag in, maar dan zonder klagen wanneer de stormen van het leven ons omringen. Van nature doen wij dit allen, als wij nog blind zijn en de stem van de goede Herder niet kennen.
Mozes, die steeds dat volk aanspoorde om voort te trekken, die geleerd had naar de stem van de goede Herder te luisteren, had een zware weg. Hoe werd Mozes beproefd, als door vuur en gelouterd, maar ziet het was een vaste grond die God bij Mozes had gelegd. Hij had geleerd, dat God op Zijn tijd alles geeft wat wij nodig hebben.
Het zijn allen geloofsdaden, die wij goed in ons geheugen op moeten nemen, opdat wij daar ons eigen leven aan kunnen toetsen. Want dat andere volk, waar Mozes over klaagt, had wel dat wonder gezien bij de zee, dat ze door een bijzondere hand uit het diensthuis waren geleid, maar het geloof had geen grond. Zulk geloof stort in, als de stormen van het leven en honger en dorst en moeiten zich in het leven voordoen.
Waar het goede zaad is gelegd, daar moeten ook de vruchten zijn, want de apostel Paulus heeft ons geleerd, dat wij moeten roemen in de verdrukking en dat is een oefening in de Godzaligheid. Want als alles naar het vlees goed gaat, och, dan zingen wij Psalmen en dat is ook wel heel goed, maar als de tegenheden komen, en de ziel wordt op de proef gesteld, dan komt het ware van de vrucht.
Want Gods werk laat zich niet bedriegen, want dan leert men wel vragen met Psalm 119: 17:

Leer mij o HEER' de weg door U bepaald;
Dan zal ik die ten einde toe bewaren;
Geef mij verstand, met Godd'lijk licht bestraald;
DAn zal mijn oog op Uwe wetten staren;
Dan houd ik die, hoe licht mijn ziel ook dwaalt;
Dan zal zich 't hart met mijne daden paren.

Lees trouw Gods Woord

Nadat ik u uiteen heb gezet, het verstand en de wedergeboren mens, waardoor het grote werk Gods openbaar wordt, om van een dood mens een levend mens te maken en van een blind mens een ziende, wilde ik, voorzover het God belieft mij door Zijn Geest te ondersteunen, opdat er niet een dwaling in uw denkvermogen zou ontstaan iets zeggen over het lezen van Gods Woord.
God heeft de mens recht geschapen, naar Zijn beeld en Zijn gelijkenis, man en vrouw, schiep Hij ze. Maar daar ligt nu onze verbondsbreuk in Adam, wij zijn stinkende geworden, geen reuk ten leven, geen zout dat smaakt, maar bittere mara. En toch moeten wij er op letten of er nog iets in ons dringt tot Gods Woord, een drang die niet uit de mens is. "Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg".
Daarom heeft God ons dat geopenbaarde Woord gegeven, opdat wij tot de zekerheid van ons geloof gebracht zouden worden. God openbaart Zich in Zijn Woord als de opgestane Heiland, die zegt tot Zijn volk: "Ik leef en gij zult leven". Want God heeft door Zijn bijzonder wijze raad, Zijn eniggeboren Zoon gegeven, om deze wereld van de eeuwige dood te verlossen. Door het lijden en sterven op Golgotha's kruis heeft Christus door Zijn dood het leven verworven voor een doemschuldig mens.
Maar ook dit moet ons door de Heilige Geest worden verzegeld en verzekerd. Maar daar wij van nature aards zijn en liever in eigen gekozen wegen willen wandelen blussen wij die Geest uit en bedroeven die Geest. De mens zoekt naar dingen die hem niet gelukkig maken en daarom verstikt hij door de zonde.
Wanneer het licht soms eens schijnt, dan begrijpt men het niet, want Johannes zegt: "het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen".
Zo was het ook al toen Jezus nog op deze aarde was. Dagelijks was hij bij hen, lerende in de tempel en goed doende en toch was het: "weg met deze".
Men had allerlei wegen en men had allerlei verontschuldigingen. Men kwam niet tot Jezus, maar die tot Hem kwamen heeft Hij niet ledig weggezonden.
Want Hij weet wat u van node hebt als u tot Hem komt zo u bent, met al uw kwalen, anders kan Hij u niet helpen en Hij die u roept is getrouw, die het ook doen zal. Hij roept ons allen toe: "Waarom weegt gij geld uit, voor hetgeen wat geen brood is!" Daar heel Gods Woord zal vervuld worden en wee degene die op zulk een grote zaligheid geen acht heeft gegeven. Daar men in deze dagen met allerlei dwalingen bezig is en de wereld vol is van alles, waar de ziel koud van blijft.
De wetenschap is de macht van alle wijsheid, waar tijd en inspanning aan worden besteed en de mens die als een machine wordt voortgedreven, gunt zich zelf geen tijd tot het overdenken van Gods Woord. Hij wordt de wereld gelijkvormig. Er gaat bijna geen reuk meer uit van het volk dat zich met de naam van Israël heeft laten noemen en de duivel gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou kunnen verslinden.
Ook de liefde tot de naaste wordt verkoeld, er is veel haat en vijandschap, twist en tweedracht, hetwelk ontstaat door te weinig onderzoek in Gods Woord, waar al de zielenlijnen zijn getekend van Gods volk. Dit moet in het hart worden doorleefd. De Heilige Geest moet het zaad in de ziel levend maken.
De Heere schouwt uit de hemel en ziet alle mensenkinderen aan en zal met een sterke en uitgebreide hand komen en Israël zal weeën krijgen gelijk een barende vrouw; dan zal een ieder die de naam des Heeren zal aanroepen, zalig worden.
Want de Heere zal Zijn volk richten in rechtmatigheid. En daar de Schrift ons leert als het vrede, vrede zonder gevaar zal schijnen, dan zal een haastig verderf ons overkomen.
En daar er ook nog in deze tijd een overblijfsel is naar de verkiezing der genade: zo zoekt de Heere, terwijl Hij te vinden is en roept Hem aan, want Hij vergeeft menigvuldiglijk en daarom: "wie is er onder ulieden die de Heere vreest, die naar de stem Zijns knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de Naam des Heeren en steune op zijn God".
Vraagt God om ontdekkend licht en om de kracht des Heiligen Geestes, om een verslagen hart en een gebroken geest. Dan wordt daar de smart gevoeld, te hebben gezondigd tegen de hemel en Gods geboden en laat God ons zien wie en wat wij van nature zijn en openbaart Hij Zich aan de mens, zoals dat in Gods Woord is opgetekend. Een ieder in zijn eigen beeld naar dat God hem laat zien wie hij is en wat hij aan zijn Schepper verschuldigd is.
In psalm 73 moet Asaf bekennen: "ik was een groot beest bij U" en een David moest in psalm 69: 2-4 klagen: "Verlos mij, o God, want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.
Ik ben gezonken in grondeloze modder waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepte der wateren, en de vloed overstroomde mij. Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God". En dan een Job die zelfs zo rechtvaardig was dat er niemand was gelijk hij. Leest eens in Job 33 hoe hij daar klaagt. "Ik ben rein zonder overtreding, ik ben zuiver en heb geen misdaad. Zie Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand, Hij legt mijn voeten in de stok, Hij neemt al mijn paden waar". En zo kunnen wij wel door gaan. Heel Gods Woord kunnen wij onderzoeken, hoe een ieder mens naar staat en rang is gebracht op een punt van ontdekking, wie en wat hij van nature is en wat hij dan God persoonlijk verschuldigd is. En wordt onze wil in Gods wil gebroken met de vraag, Heere wat wilt Gij dat ik doen zal? Want men spreekt over dood maar kent geen dood. Want dan zal het een uitspraak zijn gelijk de apostel Paulus het heeft uitgesproken, dan weet ik dat ik dood was en dat ik nu leef en dat ik leef, dat leef ik God. Hebt u u zo leren kennen in de ervaring van uw leven?
En men klaagt over zonde, maar men kent geen zonde indien God het niet zelf aan de mens openbaart. Want dan spreekt men uit met de apostel Paulus, want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont, en als u zegt: aan zoiets heb ik nog geen kennis, vraagt dan naar de Heere en Zijn sterkte, naar Hem die al uw heil bewerkte. Zoekt dagelijks Zijn aangezicht, gedenkt aan 't geen Hij heeft verricht. Want als u Hem zoekt in oprechtheid des harten, dan zult u Hem zeker vinden, maar op de plaats waar Hij te vinden is: in Gods Woord! Ik raad u, leest veel biddend Gods Woord en vraag of Hij dat Woord voor u wil ontsluiten door het ontdekkend licht. Wie zal openen als Hij sluit en wie zal sluiten als Hij opent? Leg dan uw oor te luisteren naar de stem van de goede Herder. En vraag als u zegt, ik heb geen lust, of God u die lust wil geven. Hij roept u in psalm 25: 6 toe:

Wie heeft lust den HEER' te vrezen,
't Allerhoogst en eeuwig goed?
God zal zelf zijn Leidsman wezen;
Leren, hoe hij wand'len moet.
't Goed dat nimmermeer vergaat,
Zal hij ongestoord verwerven,
En zijn Godgeheiligd zaad
Zal 't gezegend aardrijk erven.

Gelooft gij in Gods Woord?

Nadat ik u heb aangeraden trouw Gods Woord te lezen, wilde ik trachten u daarvan nog enige bijzonderheden uiteen te zetten, zo het God belieft mij door Zijn Heilige Geest te ondersteunen. Het is heel gewoon wanneer men iets leest en men gelooft niet wat men leest, dat het dan geen nut kan doen. Daar een ieder de Bijbel graag leest zoals hem dat het gemakkelijkst valt heeft men daar geen vruchten van, waarom en waartoe God ons dat Woord heeft gegeven.
Als wij ons eens bepalen bij Hebreeën 11 dan moet in ons wel een wonder van Gods genade opkomen en wij zullen moeten erkennen: dat is niet uit de mens maar uit God geboren door de strijd en oefening van het genadeleven want hier is het geloof de kracht waar het om gaat. Want zonder het geloof is het onmogelijk God te behagen, daarom vraagt ook Jesaja 53: "Wie heeft onze prediking gelooft? En aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard?". Want als men Gods Woord een ander predikt en men heeft zelf nog geen waar zaligmakend geloof zullen daar geen vruchten van kunnen komen voor onszelf, want de kracht van de prediking moet de vrucht zijn van het geloof. Daarom lezen wij ook van Johannes de Doper die een wegwijzer was om het Lam Gods aan het volk aan te wijzen en toch miste hij zelf de kracht er van. Want als hij in de kerker was geworpen zond hij boden uit om te vragen of dit nu de Christus was of dat er nog een ander komen moest.
Verstand zonder geloof kan voor God niet bestaan en daarom onderzoekt uzelf of u in de Bijbel gelooft, ja of nee, daar wij lezen dat God profeten en apostelen heeft geroepen, die God door het geloof en de werking des Heiligen Geestes heeft verordineerd. Hij had hen zelf de handen opgelegd en gezegend en zond hen weg om te prediken bekering en vergeving der zonden om zelfs gemeenten te stichten in Zijn Naam, waardoor de band der liefde in de gemeenschap des geestes werd geoefend in de gebeden.
Maar ook kwam daar al heel spoedig door toedoen van de boze de ellende en werd de eerste liefde vergeten die God aan hen bewezen had. Altijd moesten er weer mensen geïnspireerd worden om de mens op zijn plaats te brengen. Vandaar ook dat wij in de openbaring van Johannes lezen dat hij de zeven gemeenten in Azië elk naar zijn wijze moest vermanen en terecht wijzen. Hierdoor werd ook de mens als middel in Gods hand gebruikt om het doel en plan Gods ten uitvoer te brengen.
Zo lezen wij van de apostel Paulus hoe hij altijd bezig was om als instrument in Gods hand gebruikt te worden tot het grote doel van Gods Koninkrijk. Want als wij de Bijbel eens zeer nauwkeurig nagaan, dan lezen wij hoe ieder zijn afgepaste maat (kennis) en geest (wijsheid) heeft ontvangen.
Heeft de apostel Paulus het moeten getuigen in Romeinen 11: 33-34: "O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft de zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?" Men krijgt door het geloofsoog wat te zien en wil dat als een vrucht van dankbaarheid aan anderen mededelen ook de weg te volgen die God hen voorhoudt met de uitroep: "Heere wat wilt Gij dat ik doen zal?". Heel Gods Woord staat vol van profetieën en vermaningen en ook hoe God de zonden van het volk straft wanneer ze afwijken van Zijn geboden. Maar daarentegen ook hoe rijk Zijn beloften zich uitbreiden met de kroon des levens voor diegene die het geloof hebben behouden door oefening en strijd in Gods kracht. En daarom heeft de apostel Paulus aan het eind van zijn leven uitgesproken, 2 Timotheüs 4: 7-8: "Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden. Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere de rechtvaardige Rechter in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben". Zo is Gods Woord een schakel die niet van elkaar getrokken kan worden want wij kunnen niet het ene verwerpen en het andere aannemen. Het is één geheel van Adam en Eva het eerste mensenpaar en zo door tot de geboorte van Jezus. Dan gaat het door tot het lijden en sterven op Golgotha's kruis en zo tot de laatste opstanding.
Maar hoe kunnen wij aan dat geloof komen?
Dat kunnen wij elkaar niet geven en ook niet ontnemen, het is een vrije gunst van God, het is niet uit u, het is Gods gave naar Zijn vrijmachtig welbehagen. Wie het ontvangt is de rijkste van alle mensen, want wij lezen: Ezau had veel maar Jakob had alles. En daar zal het op aankomen want al worden wij zo oud als Methusalach, toch is er eens een einde aan.
Van ons natuurlijk bestaan leven wij als een beeld in een droom. Daarom sprak de prediker uit: "wat voordeel heeft mens van al zijn arbeid die hij arbeidt onder de zon?" Men zegt komt laat ons eten en drinken en vrolijk zijn. Dit is van alle eeuwen door, er is niets nieuws onder de zon. Wij kunnen in Gods Woord alles vinden zowel in het kleinste als in het grootste (maar we moeten het lezen tot lering) voor tijd en eeuwigheid. En als wij Gods Woord zo lezen dan hebben wij daar alleen de kracht van en door het oefenen in het vertrouwen dat God een Waarmaker is van Zijn Woord.
De Bijbel wordt door heel veel mensen gelezen, echter niet zoals het hoort. Daarom begrijpt men hem verkeerd want in ons verstand kunnen wij dat niet verwerken nog begrijpen. God is niet Iemand Die Zich laat begrijpen maar Hij openbaart Zich in Zijn Woord als Geest en Leven. En nu is er Eén die ons hart kent wat of wij zoeken in Gods Woord: de Weg, de Waarheid en het Leven. Een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd want als u de Bijbel gebruikt om daarmee voor uw eigen vlees winst mee te doen, ik raad u ten beste, laat hem dan ongedeerd liggen in plaats van er mee te spotten. Want dan ontsluit God dat Woord niet voor u. Het is met zeven zegels gesloten en wie kan openen als Hij het sluit en wie zal sluiten als Hij opent? Gods Woord zegt: zoekt en gij zult vinden. Gelooft u dat? Dat God dat doen wil? Anders is uw zoeken ijdel omdat Hij de uitgangen des harten kent en weet wie we zijn.
Hebt u al eens gezocht? Ik hoop van ja. Er zijn mensen die van kindsbeen onder het Woord hebben geleefd en dat het hen geen nut heeft gedaan omdat het niet met het geloof gemengd was.
Hoe komt men nu aan dat geloof omdat men heel dikwijls belijdt een gelovige te zijn? Dit is van van het begin van de schepping al in het paradijs vanaf Adam en Eva geweest. Men wordt tot gehoorzaamheid geroepen en dient liever de leugenaar dan de mond der eeuwige waarheid. Omdat wij vleselijk verkocht zijn onder de zonde en van nature niet willen dat Hij Koning over ons zij.
Daarom heeft God met Zijn volk een eeuwig verbond gemaakt dat vast ligt in de eeuwige uitverkiezing van God. Daarom heeft God redenen uit Zichzelf genomen en is er een weg gebaand om zalig te worden. Dan kan niet anders dan door die ene deur, Christus.
Nu wordt de rechtvaardige nauwelijks zalig, maar hij komt er, denk maar eens aan Job. Vandaar ook dat een ware gelovige zulk een schat in die Bijbel heeft gevonden. Opdat de ziel wordt gesterkt en opgebouwd kan worden. Gelijk de spijze is voor het lichaam dat vergaat, zo is Gods Woord het voedsel voor de ziel om opgebouwd te worden tot een levende steen, want Jeruzalem is wel gebouwd, wel saamgevoegd, wie haar beschouwd, zal haar voor 's Bouwheers kunstwerk groeten. Wel heeft de een meer gaven en talenten dan de ander. God is ook hier vrij in maar als ze u uit genade geschonken zijn dan mag u ze niet in eenzweetdoek dragen. "Want wij prediken niet onszelf maar Christus Jezus de Heere", 2 Korinthe 4: 5. Want God Die gezegd heeft dat het licht in de duisternis zou schijnen, is Degene Die in onze harten geschenen heeft om te geven verlichting van de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus.
Maar wij hebben deze schat in aarden vaten opdat de uitnemendheid der kracht Gods zij en niet uit ons. Als die in alles verdrukt worden, docht niet benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig; vervolgd, doch niet daarin verlaten; nedergeworpen, doch niet verdorven, altijd de doding des Heeren Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou openbaar worden. Daarom mogen wij elkaar wel eens tot een hand of een voet zijn als wij van Christus zijn. Als het in de band der zachtmoedige geest is en in een reine liefde, daar het tot oordeel of tot voordeel zal strekken want Gods Woord is een tweesnijdend zwaard. Daarom lezen wij in Jacobus 3: "Wie is wijs en verstandig onder u? Die bewijze uit zijn goede wandel, zijn werken in zachtmoedige wijsheid. Maar indien gij bittere nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid. Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels. Maar de wijsheid, die van boven is, die is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordelende en ongeveinsd. En de vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen die vrede maken".
Het zijn kenmerken in de ziel die door het geloof worden geoefend. Maar als u zegt, ik gevoel toch een trekking in mij die uitgaat naar dat Woord en toch mis ik nog het ware geloof. Vraag dan of het God eens belieft om ook dat Woord voor u te ontsluiten, daar de Psalmist van de oude dag u toeroept in Psalm 81: 12:

Opent uwen mond;
Eist van Mij vrijmoedig,
Op mijn trouwverbond;
Al wat u ontbreekt,
Schenk Ik, zo gij 't smeekt,
Mild en overvloedig.

Is er bij u een hoop?

Zoals ik u heb gevraagd of u gelooft in Gods Woord en er misschien nog wel mensen onder u zijn, die wel dat Woord lief hebben en toch nog niet het geloof deelachtig zijn, wilde ik u eens vragen of u nog hoop koestert?
Lezen wij niet hoe eens Hanna de hoop uitdreef, werkzaam door het geloof om in de tempel een gebed tot God te zenden om een kind. En is zij beschaamd? Daar was een hoop, werkzaam gemaakt door het geloof. Ook lezen wij in Lukas 18: 40-42 daar zulk een treffend woord van: "En Jezus, stilstaande, beval dat men dezelve tot Hem brengen zou; en als hij nabij Hem gekomen was, vroeg Hij hem, zeggende: Wat wilt gij dat Ik u doen zal? En hij zeide: Heere, dat ik ziende mag worden. En Jezus zeide tot hem: Wordt ziende; uw geloof heeft u behouden".
Men bemerkt dat hier een behoefte was om ziende te worden, gebaard door die ene weg (geloof en hoop). Het is het heilgeheim om in uw ziel te ervaren, dat er buiten de tijdelijke hoop vol idealen nog een andere hoop blijft tot in alle eeuwigheid. Heeft de apostel Paulus ons daarover zelf niet uitgedrukt: indien wij alleen in dit leven zijn hopende, dat wij dan de ellendigste zijn van alle mensen? Heeft Mozes in Psalm 90 ons er niet op gewezen: "Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen?" Het spreekt vanzelf dat het leven zonder idealen dood is. Er zou geen ontspanning en ontwikkeling zijn van denkvermogen. Maar toch is hier een grens aan verbonden. Men kan dat zover uitbreiden, dat onze geest door een verstandelijke ontwikkeling zo ver gaat, dat het ons vasthoudt en er geen tijd meer over is om aan onvergankelijke dingen te denken. De aardse moeten niet de hoofdrol zijn van ons leven want ze zijn vergankelijk, de ene jong, de ander oud. Daarom zegt de prediker: "En gedenkt aan uw Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve". Want als men jong is heeft men veel meer idealen dan dat men wat ouder wordt. Daarom wijst de Prediker er ons op, als wij nog jong zijn, daar de dingen die wij zien tijdelijk en de dingen die wij niet zien eeuwig zijn. Het is natuurlijk niet gemakkelijk om als wij gezond zijn en ons alles nog al voor de wind gaat om dan van al de afgoden af te zien en een blik te slaan in de eeuwigheid.
Ik heb wel eens mensen horen zeggen: men kan toch niet aan de dood denken, want dat is geen leven. Dat is best te plaatsen als men nog geen hoop heeft op de eeuwigheid en toch is er niets zekerder als de dood. Ook weet niemand wanneer ons leven een einde neemt. Daarom moeten wij het weten als ons aardse huis dezes tabernakels afgebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen; 2 Korinthe 5.
De apostel Paulus heeft het geloof in de weg van oefening versterkt en daaruit is een levende hoop geboren, waardoor hij af had leren zien van de vergankelijke dingen en zijn hulp alleen verwachtte van Hem, Die leven en dood en alles in Zijn handen heeft. Daarom kon hij met Psalm 104: 34 instemmen: Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in de HEERE verblijden".
Daartegenover heeft Mozes, de man Gods, in Psalm 90 uitgedrukt: "Gij doet de mens wederkeren tot verbrijzeling en zegt: Keert weder gij mensenkinderen. Want al onze dagen gaan heen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte".
Het is net zoals Mozes het hier beschrijft, het is niet meer als een gedachte. Wij mogen nog eens rondzien om ons heen hetzij op onze kinderen, hetzij op veel leed en kruisen die ons gepasseerd zijn maar het leven is en blijft een damp die even gezien wordt en dan verdwijnt. Bij een wedergeboren mens is het leven geknakt van deze aarde, hij kan niet meer zo met alles meedoen als vroeger. Door het geloof op een hemels tehuis wordt de hoop in werking gesteld met de onzienlijke dingen en wakker geschud tot diep zelfonderzoek en een jagen naar de levende hoop.
Als de apostel Paulus uitdrukt: "Ik sterf alle dagen, hetwelk ik betuig bij onze roem, die ik heb in Christus Jezus, onze Heere", dan is er toch wel iets wat hem aftrekt van deze aarde. Het leven was voor hem ook niet meer uit de natuur. Wel in de wereld, maar niet van de wereld. Want, sprak hij uit: mijn leven is Christus en dan is ons sterven gewin. Is uw leven ook geworden, Christus? Ik hoop van ja! Want dan is er ook een hoop, daar de laatste vijand die verslonden moet worden de dood is en daarom moeten wij hier af leren sterven van de vergankelijke dingen. Tot aan het einde van vader Jakob zijn leven was er een hoop en moest hij met zijn stervende lippen uitroepen: "op Uw zaligheid wacht ik HEERE". Dit was zijn hoop in stille wachten.
O, wat kan die hoop op de proef worden gesteld wanneer men ergens op wacht. Wat heeft onder het oude verbond dat volk niet gehoopt op die Verlosser Die komen zou, waarvan Jesaja had geprofeteerd: "Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen. Men leeft niet graag in de schaduw des doods want dan zijn wij niet erg op ons gemak, maar nu was er een hoop dat er verandering zou komen. En die hoop was zo groot, dat men alles op alles wilde wagen. Want er zijn er nog heel wat gestorven die in het geloof die hoop konden vasthouden door de kracht Gods en daarom ontzettende daden konden doen door het geloofsoog. De belofte gezien en omhelsd, omdat er een levende hoop in de ziel was gelegd, omdat zij naar een beter land dan dit aardse gingen. Want ook zij hebben beleden hier vreemdelingen te zijn in dit land, en hadden geleerd dat hen een eeuwig leven wachtte.
Maar hoe zullen wij dat bekomen om in dit leven een hoop te hebben op de eeuwige dingen? Gaat uw leven eens nauwkeurig na en het beste van uw leven is moeite en verdriet, waardoor u iets anders hebt leren kennen. Is het geloof en de hoop hierdoor samen in werking gesteld, daar deze twee zich altijd bij elkaar voegen? Leest heel Gods Woord en vat het ene bij het andere, dan zult u altijd die twee bij elkaar vinden. Het is nu maar alleen de vraag of er een begeerte is naar dat geloof en die hoop deelachtig te worden. Zo ja, dan zal eens die hoop levend worden door het geloof en daarom: bid of God ook u wil overplanten in die nieuwe aarde, namelijk Christus en de Psalmist zegt in Psalm 130: 4:

Hoopt op de HEER', gij vromen;
Is Israël in nood,
Er zal verlossing komen;
Zijn goedheid is zeer groot.
Hij maakt op hun gebeden,
Gans Israël eens vrij
Van ongerechtigheden;
Zo doe Hij ook aan mij.

Wat is liefde?

Het is heel treffend dat in heel Gods Woord altijd deze drie zich bij elkaar staan, Geloof, Hoop en Liefde, die de hoogste trap is in de genade. Niet alleen in de geestelijke staat is zij de hoogste, maar ook in de natuur. Wanneer een paar mensen elkaar ontmoeten die elkaar niet innerlijk kennen en toch een trekking in zich hebben om het er op te wagen een stap tot toenadering te doen, waar het geloof en hoop niet mogen ontbreken, want dat behoort bij elkaar, dan zal in het laatste, na in het huwelijk te zijn getreden, de ware vrucht aanwezig zijn.
Het is in het rijk der natuur dezelfde werking als in de geest. Alle kruisen en tegenheden zullen dan in de band der liefde moeten worden gedragen. Anderen mogen eens iets zien of bemerken dat er iets niet in orde is, maar zelf wil men daar niet aan. Wanneer in de natuurlijke staat de liefde alleen een hartstocht is, dan is zij heel spoedig verkoeld, de minste tegenwerking of men zit in de put. Het kan zijn dat er twee mensen zijn, de een een gelovige en de ander een ongelovige, het is beter dat men dan niet een huwelijk aangaat, daar de Schrift ons leert dat wij niet een huwelijk mogen aangaan met een ongelovige. Maar hoe zullen wij dat kunnen onderscheiden, daar het kan gebeuren dat wij tezamen een historisch geloof bezitten en in de natuurlijke staat elkaar verstaan, maar soms na een reeks van jaren door God de Heilige worden bekeerd en het toch wel met elkaar kunnen vinden, dan zegt de apostel Paulus in 1 Korinthe 7: 16: "Want wat weet gij, vrouw, of gij de man zult zaligmaken? Of wat weet gij, man, of bij de vrouw zult zaligmaken?"
Wanneer men samen een historisch geloof bezit, dan leeft men op één voet, men gaat ter kerk, men leest Gods Woord, men bidt en zingt, men leeft één in de geest, maar mist de kracht van de ware opvoeding voor de kinderen, als die er zijn. Men heeft niet de ware ernst van de opvoeding en kan ze wel in de godsdienst groot brengen in plaats van in de vreze Gods die het beginsel is der ware wijsheid. En daarom als er één van de beide ouders is overgeplant dan komt er strijd want een historisch geloof of een waar zaligmakend geloof, daar is een groot verschil in. Wanneer een ware gelovige zijn plichten verzuimt tegenover zijn kinderen, gelijk een Eli uit gemakzucht, dan heeft men niet veel goeds te wachten, daar wij ons altijd vrij moeten kunnen maken, hoe wij ze hebben vermaand en onderwezen. Want dat is de wil Gods dat wij planten en natmaken, en dan in het gebed om de wasdom blijven vragen. Dit kan niet anders dan wanneer de liefde ons dringt en daarom heeft dan ook de apostel Paulus in 1 Korinthe 13 ons er op gewezen, dat, indien wij alles bezitten en de liefde niet, dat wij dan gelijk zijn aan een klinkend metaal of luidende schel, daar al de arbeid in Gods Koninkrijk niet van de echte stempel is. Het kan een ijver zijn uit hartstocht door veel hoofdkennis die niets dan wind baart, kennis maakt opgeblazen. En daarom moet dat toch wel een bijzondere liefde zijn waar ons de apostel Paulus op wijst, het is ook de geestelijke staat van de wedergeboren mens.
Wanneer men zondags zulk een grote schare op ziet gaan om daar Gods Woord te gaan beluisteren, dan zou men heel wat denken van het Christendom, maar hoe jammer dat er zo weinige de liefde deelachtig zijn. Daarom zegt God in Zijn Woord, waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam daar ben Ik in het midden, want dan is daar de liefde aanwezig. God weet zelf hoe klein het getal is die in geest en in waarheid de liefde bezitten, want dan is het ook de liefde die is ingeplant van die Christus waarvan Zijn kinderen hier volgelingen zijn. Wanneer wij met ons verstand ons zouden verdiepen in de wonderlijke leidingen Gods, dan zouden wij geen gedachten meer overhouden, want zoals ik reeds meer heb uitgedrukt, wij kunnen God niet begrijpen.
Zijn naam is ook wonderlijk en God behoeft geen rekening te geven van Zijn daden. Als men aan iemand vraagt, gelooft u dat er een God is dan is het antwoord: och ja, dat kan ik haast niet ontkennen, want als ik in het rijk der natuur zie laat zich daar wel wat van ontvouwen. Maar als men dan vraagt: gelooft gij in de Zoon die hier als een mens op deze aarde is geweest en die altijd bereid was om armen en ongelukkigen te helpen, ja Zelf geen plaats had waar Hij zich rustig kon nederleggen en geen gedaante noch heerlijkheid had, en een ieder verborg zijn aangezicht. Die als Hij gescholden werd niet wederschold en als Hij leed niet dreigde maar gaf het over aan Dien Die rechtvaardiglijk oordeelt. Dan moet het toch wel een bijzondere liefde zijn geweest. Want wij willen wel allen graag naar de hemel maar om nu een volgeling te zijn, dat valt niet altijd even gemakkelijk, daar er veel moeiten en kruisen heel dikwijls ons deel moeten zijn. Toen Jezus nog op aarde was vroeg Hij eens aan de discipelen wat of de mensen toch wel van Hem zeiden wie of Hij was. De een sprak dat Hij Elia was, een ander een Profeet, maar op de vraag, wie zegt gij dat Ik ben, was er maar één namelijk Petrus die antwoordde: Gij zijt de Zoon des levenden Gods. Het was een bewijs dat hem dat door de Geest was geopenbaard, zoals ook Jezus hem zelf ten antwoord gaf: "Vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader Die in de hemelen is".
Dat kon Jezus zeggen want Hij was de Zoon van God, Die hier als mens reizende was als een pelgrim naar het Jeruzalem hier boven. En toch had Hij hier een taak te volbrengen die Zijn Vader Hem persoonlijk had opgelegd. Heeft Hij niet Zelf uitgesproken: Mijn spijze is, dat Ik doe de wil Desgene Die Mij gezonden heeft en Zijn werk te volbrengen. Jezus was van de Vader gezonden om uit liefde aan armen het leven te geven. En toch was Hij niet iemand van aanzien. Hij reisde van de ene plek naar de andere en als Hij dan weer niets dan goed gedaan had, dan baden ze of Hij weg wilde gaan, want er is geen een Profeet in zijn eigen vaderland geëerd. Daarom kunnen wij zien of wij een volgeling van Jezus hier op aarde zijn. Men mag het iets hoog achten om voor Jezus smaadheid te dragen, als het natuurlijk uit een zuivere liefde wordt doorleefd. Want al is het dan nog zoveel, dan is het nog maar een schaduw van wat Jezus voor Zijn volk heeft geleden. Heel veel mensen zijn er die denken dat Jezus alleen door de wereld was gehaat, maar nee Hij werd door Zijn eigen volk verworpen en daarom is Hij tot het heidendom gegaan. Tenslotte hebben ze Hem maar aan het kruis genageld. Ze dachten: nu zijn wij van Hem af, maar ach men wist niet wat men deed en de natuurlijke mens weet het nog niet. Want een ieder mens die voor Jezus strijd heeft vijanden. Hoe is Stefanus ter dood gebracht? Omdat hij uit liefde voor al dat volk hen wilde wijzen in de rechte weg tot de zaligheid. En dan Paulus en Silas in de gevangenis waar ze God lofzangen zongen, waar zelfs de grote daden Gods uit geboren werden daar de stokbewaarder en zijn gehele gezin tot bekering werd gebracht. Men bemerkt dat God altijd middellijk werkt. En dat die liefde daar in het bijzonder uitkwam, dat trots alle tegenheden nog Gods Naam groot werd gemaakt in de gevangenis. Het is een mysterie dat wij zelf niet kunnen ontvouwen, daar is Goddelijk licht bij nodig. Het is niet met ons verstand te doorgronden wat God voor een doemschuldig volk heeft teweeg gebracht.
Door Zijn dood verwierf Hij ons het leven voor tijd en eeuwigheid. Deze liefde is niet te doorgronden en daarom heet het ook de liefde. Deze liefde is pas aanwezig na de wedergeboorte, daarom heb ik u aangeraden er goed op te letten of er een vrucht des geestes bij u aanwezig is; het bewijst een nieuw leven.
Men denkt dan anders, men ziet anders, en hoort anders want men leert de klanken onderscheiden van Gods Woord. Ook merkt men alles anders op, omdat het geloof werkzaam wordt door de liefde. Door het geloof komt ook de vrees in het hart dat er een God is, Die ons zal vergelden naar al onze werken en dat is nu het beginsel der ware wijsheid, niet een wijsheid van deze wereld, maar één uit hogere macht gewerkt.
Wanneer ons hart opgetrokken wordt tot iets waar ons verstand niet bij kan, kost het altijd strijd, daarom zegt de apostel Paulus in Romeinen 8: 28: "En wij weten, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk degenen die naar Zijn voornemen geroepen zijn". Bij al onze levenservaringen moeten wij niet aan Gods liefde twijfelen daar wij niet weten de leidingen die God met ons wil houden. De liefde denkt geen kwaad, want God vergist Zich nooit want Hij zegt in Zijn Woord: "Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten" en daarom moeten wij leren de wonderlijke leidingen die God met Zijn kinderen heeft gehouden, opdat ons geloof daardoor tot kracht wordt gebracht en de alleen wijze Vader daardoor te verheerlijken. Jozef moest eerst als een slaaf verkocht worden en in de gevangenis geworpen, om door die weg van vernedering, als onderkoning over een groot land te heersen.
Abraham moest zijn enige zoon Izaäk ten offer brengen. Dit was een geloofsdaad en er kwam uitkomst! Wij lezen van een Job die alles kwijt moest; stel u eens in zijn plaats, als u iets hebt wat u lief is, en de beproevingen van het leven worden aan alle kanten u geprest. Hoe komt dan die ware vrucht van de liefde in uw leven tot glans, met de bede, ik dank U dat Gij toornig op mij zijt geweest, want de drukking van de melk brengt de boter. Hoe moest Asaf zien de voorspoed der goddelozen. Hij had elke morgen zijn bestraffingen. Tot aanmoediging liet God hem een kijkje in het heiligdom zien, daarom moest hij uitroepen: "nevens U, lust mij niets op aarde", Psalm 73. En van Davids liefde tegen Saul die hem zelf naar het leven stond, en hoe God aan David de gelegenheid gaf om Saul te doden, en toch kwam hij niet aan een gezalfde koning daar hij wist dat er een rechter was, die hem op Gods tijd van al zijn vijanden verlossen zou. Wel moest hij bij tijden uitroepen, mijn vijanden zijn meer als de haren op mijn hoofd.
Daar het werk Gods in de ziel als door vuur wordt gelouterd en beproefd om alles in de liefde Gods te mogen doen door de werking des Heiligen Geestes. En daarom heet het ook de liefde, die ons dringen moet naar onze naaste. Gelijk ook al zo de geboden van God luiden: gij zult uw naaste lief hebben gelijk uzelf. Het is vanzelf dat die liefde in ons pas leeft na de wedergeboorte, want van nature hebben wij wel een vleselijke liefde maar die is niet volmaakt, daar onze beste werken nog met zonden bevlekt zijn. Ik weet niet of u iets van die liefde begrijpt of verstaat, want het gaat hier om het volk Gods, die in Christus is ingelijfd door de werking des Heiligen Geestes. En als het dan goed bij u ligt, dan zal niets u meer kunnen scheiden van de liefde van Christus. Want ingeval dat God het nodig acht, moeten er wel eens afgoden uit de weg geruimd worden, want indien gij niet alles verlaat, gij kunt Mijn discipel niet zijn.
En waar nu de vrucht des Geestes aanwezig is, daar kan niets hem meer scheiden gelijk geschreven is in Romeinen 8: 35-37, waar ons de lijnen worden opgetekend door de apostel Paulus: "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid of vervolging of honger of naaktheid, of gevaar of zwaard? (Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood; wij zijn geacht als schapen der slachting) Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons lief gehad heeft". En daarom hebben wij alles aan die liefde van Christus te danken die ons in dit leven tot al die daden in staat stelde en ons ondersteunt door de kracht des Heiligen Geestes die ons in alles te hulp moet komen, ons moet leiden, regeren en besturen op de wegen die Hem welbehagelijk zijn.
Wanneer wij door vele omstandigheden worden doorgeleid, hoe wordt men somtijds gedwongen die Koning als het hoogste goed te erkennen en te eren. Hoeveel strijd kost het, wanneer men hoort dat Gods Woord niet naar geest en waarheid wordt uitgedragen. Voor hoeveel spot en hoon moet men als een eenling en vreemdeling hier doorbrengen in stille hoop eens die Koning in Zijn volle heerlijkheid te mogen aanschouwen, met al de geheiligden die in Christus zijn waar God alles en in allen wezen zal. Daarom moet er hier een afsterven plaats hebben, dan zullen wij pas kunnen sterven. De apostel Paulus heeft het zo uitgedrukt in 1 Korinthe 15: 31: "Ik sterf alle dagen". Zo moet heel dat werk des geestes aanwezig zijn door de vrucht van de wedergeboorte en anders zijn wij nog in het vlees. En daar God weet met welk een overgrote liefde wij de wereld liefhebben, daarom moeten wij door vele kruisen en moeiten leren, dat het beste van ons leven moeite en verdriet is, om daardoor te verlangen ontbonden te worden en met Christus te zijn. Maar onze tijd is bij God opgetekend en op de minuut van Gods bevel neemt Hij onze geest uit ons vlees en dan zullen wij Hem zien gelijk Hij is. Voor de een een blijdschap, voor de ander een eeuwige ellende, gelijk geschreven is in 1 Korinthe 13: 12-13: "Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen gelijk ook ik gekend ben. En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde".
Dat God de Vader u deze uit genade mocht schenken door het geloof en de hoop en de liefde, welke is in Christus Jezus onzen Heere, opdat wij eenmaal mogen zingen met Psalm 89: 1:

'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên;
Uw waarheid 't allen tijd vermelden door mijn reên.
Ik weet hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen,
Naar Uw gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen.
Zo min de hemel ooit, uit zijnen stand zal wijken,
Zo min zal Uwe trouw ooit wank'len of bezwijken.

Slangenzaad en vrouwenzaad

In een heel eenvoudig beeld, door Gods genade, is u uiteengezet de drie stukken van geloof, hoop en de liefde, die bij elkaar behoren en heel eenvoudig na de wedergeboorte in de ziel worden ervaren, daar het zonder geloof onmogelijk is Gode te behagen en door het geloof, de hoop in werking wordt gebracht en door de liefde wordt verzegeld, daar het ware leven wat God in de ziel werkt door de kracht des Heiligen Geestes haast te eenvoudig is om aan het verstand te brengen en ook alleen wordt doorleeft in de ware kerk, wat men noemt de uitverkorene Gods in Christus.
Vandaar ook dat er zoveel bedrog zich bevindt in het zogenaamde Christendom. En daar een mens naar Gods beeld geschapen was, tot ware kennis, gerechtigheid en heiligheid, maar zo dat een mens kon vallen, maar niet behoefde, heeft hij zich moedwillig aan de verleider overgegeven. Want God had gezegd: "Van alle boom dezes hofs zult gij eten, maar van één zult gij niet eten". De slang die listig was en de mens tot verleiding bracht met het: "Is het ook dat God gezegd heeft dat u daar niet van mag eten?" werd voor hun een verleider en men gaf zich over aan de onreine stem, die het proefgebod overwon. Door list is het ook, dat God gezegd heeft, gij zult niet eten van alle boom dezes hofs. Maar God had het gebod gegeven en de mens was zo geschapen, dat hij kon vallen, maar het behoefde niet.
Ook had God op het overtreden van het gebod de dood uitgesproken, indien ze niet gehoorzaam waren. Maar de slang ging door en zei: "gijlieden zult de dood niet sterven" en de slang voegde er nog iets bij, om God maar in een kwaad daglicht te stellen en sprak: "maar God weet, dat ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad", Gen. 3: 4-5. Wij bemerken hier duidelijk dat de mens door eigen schuld een prooi van de rampzaligheid is geworden en ook door overtreding van al de gunsten Gods werd uitgesloten, ja zelfs met de eeuwige dood en vloek op de zonde werd uitgesproken. Maar hoe wist nu de mens dat hij iets gedaan had wat niet goed was? Dat blijkt hier uit dat hun ogen door de begeerlijkheid der zonde waren toegevallen en niet alleen de vrouw, maar ook de man was hier schuldig. Toen liet de slang hun zien, wat ze gedaan hadden, want ze zagen dat ze naakt waren. De zonde had het doel bereikt en de onvrede werd geboren. Want toen men God in de wind hoorde met een stem: "Adam waar zijt gij?" toen vluchtten ze beiden en verborgen zich in de hof en vlochtten schorten om hun zonden te bedekken. Maar daar was hun schuld niet mee weggenomen want God ging door totdat ze moesten bekennen: "Ik hoorde Uw stem in de hof en ik vreesde". God had reeds ontdekt dat de mens de slang was toegevallen maar wilde eens zien of er nog een schuldbekentenis plaats zou vinden. Maar integendeel, men gaf God de schuld want in Genesis 3: 12-15 lezen wij dat Adam zei: "De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van die boom gegeven en ik heb gegeten. En de HEERE God zei tot de vrouw: Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En de vrouw zei: De slang heeft mij bedrogen en ik heb gegeten.
Toen zei de Heere God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee en boven al het gedierte des velds. Op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, al de dagen uws levens. En ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw en tussen uw zaad en tussen haar Zaad; Datzelve zal u de kop vermorzelen en gij zult Het de verzenen vermorzelen" en in vers 17-19 sprak God tot Adam en zei Hij: "Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten, zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten, al de dagen uws levens. Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten. In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, todat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeren".
Wij moeten hier bekennen dat er een scheiding kwam door de zonde tussen God en de mens, want de mens werd uitgedreven om toch nog verder op de aarde te bouwen en het land te gaan bewerken in het zweet zijns aanschijns.
Had God als een wijs bouwmeester niet alles in de staat van rechte volmaking geschapen en zelfs het land vruchtbaar willen stellen tot onderhoud en voedsel voor mens en beest?
Alles wat van Gods kant gewrocht wordt daar ontbreekt niets aan want het wordt beproefd en gekeurd en dan het stempel van het beeld des Konings er op: "en God zag al wat Hij gemaakt had en zie het was zeer goed".
Het is dus duidelijk dat de smet van de zondeval uit het eerste mensenpaar zich tot ons allen heeft doorgedrongen en men als een droom in de blindheid van zonde en schuld had moeten sterven, indien niet God Zelf een weg had uitgedacht in de verborgen raad, waar wij als nietig mens niet in mogen treden.
Ons verstand is te kort om dat te kunnen begrijpen en zoals ik meer dan eens heb uitgedrukt dat wij God niet kunnen begrijpen, daarom heeft God mensen geïnspireerd met het vrouwenzaad, wat men ook wel noemt, Goddelijke openbaring zoals wij dit lezen in Genesis 9: 12, waardoor men weer in verbinding met Goddelijk wezen werd gebracht. Het waren natuurlijk de mensen die God daarvoor had uitgekozen om het volk te leiden en zo weer naar God terug te brengen. Want God had uitgesproken dat Hij vijandschap zou zetten tussen de vrouw en de slang.
Zo gaf God aan Noach het bevel om een ark te bouwen en daar van alles twee in te doen en Noach luisterde naar Gods bevel en ging bouwen trots alles spotte. Toen alles klaar was sloot God Zelf de ark, want de tijd der genade was voorbij en de overige mensen verdwenen in de zondvloed. En zo lezen wij van Mozes en van Abram en van Jesaja en van nog zo veel waar God door middel van Goddelijke openbaring Zich weer aan de mens verbond daar er naar het eeuwig raadsbesluit nog een weg zou gebaand worden, dat de mens weer in herstel van het paradijsrecht terug kon gebracht worden. Zo had God aan Abram gezegd in Genesis 15: 5-6: "Zie nu op naar de hemel en tel de sterren indien gij ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn.
En Hij geloofde in de HEERE, en Hij rekende het hem tot gerechtigheid". Al was het eerste mensenpaar door de zondeval van God afgevallen, daarom heeft God Zich niet van ons afgemaakt. Want God had aldus gesproken: "Ik zal vijandschap zetten tussen de slang en de vrouw" en alles wat God gebied dat zal Hij doen, al zijn wij ontrouw, Hij blijft de Getrouwe, want wat gebeurde er?
Toen het beloofde zaad aan Abraham niet gauw genoeg kwam werd Saraï twijfelmoedig en bracht Abram in de verleiding. Ook was hier de slang weer in de hoofdrol, die de mens altijd in de verleiding brengt. Als wij de slang zijn toegevallen komt er de onvrede en een vluchten voor Gods aangezicht, gelijk ook Hagar deed toen zij vluchtte voor Saraï. Want Hagar werd veracht in het oog van haar vrouw. Daarom vluchtte zij in de woestijn in de gedachte daar met haar kind te moeten sterven. Maar God die ons overal ziet, riep ook Hagar terecht en sprak haar zelfs aan tot een troost dat ook haar zaad grotelijks vermenigvuldigd zou worden, zodat het vanwege de menigt niet geteld zal worden. Ook moest Hagar hier uitroepen: "Gij God des aanziens, want zij zei: Heb ik ook hier gezien naar Dien Die mij aanziet?" Wij bemerken dat een ieder mens moet erkennen dat er een God is, Die in alle omstandigheden van het leven nog naar ons omziet, al is het alleen maar voor de tijd dat God ons wil zegenen, daar alles in Zijn hand is. Ja dat zelfs alle machten in Zijn hand gesteld zijn. Ook rijkdom en armoede, ja ziekte en gezondheid. God is de Rechter van hemel en aarde en er is geen macht dan van God (Romeinen 13). Want Hij zegt tot de een gaat en hij gaat en tot de andere komt en hij komt. Zijn ze niet allen gedienstige geesten die tot de dienst uitgezonden worden om dergene wil, die de zaligheid beërven zullen?
God heeft ons leven en al wat er hier op deze aarde beweegt in Zijn macht. Zelfs de satan bidt en hij siddert en daarom dient een ieder er op te letten met welk zaad hij bevrucht is. Wij lezen in Romeinen 3: 10-18: "Er is niemand rechtvaardig, ook niet één; Er is niemand die God zoekt; allen zijn ze afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand die goed doet; er is ook niet tot één toe. Hun keel is een geopend graf, met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen; welker mond vol is van vervloeking en ellendigheid is in hun wegen; en de weg des vredes hebben zij niet gekend. Er is geen vreze Gods voor hun ogen". Daar lezen wij ook de voorbeelden van in Gods Woord, van een Judas, een Saul en een Biliam. Beware God ons voor die daden en laat ons vragen of God ons wakende wil maken voor de verleiding van de slang die van de beginne het eerste mensenpaar in de macht der duisternis tot een prooi is geworden.
Maar Gods werk gaat altijd door, want ook Sara moest een zoon hebben en dat was een groter wonder, daar zij als naar de wijze der vrouwen al opgehouden was en daarom het niet kon geloven en er om lachte toen de tijding haar gebracht werd, dat zij een zoon zou hebben.
Maar zou bij God iets te wonderlijk zijn? Had God Zelf niet gezegd, dat in Abram al de geslachten der aarde in het verbond zouden worden ingedeeld, want er staat niet zaad maar zaden, dat is meervoud. Ook werd zijn naam veranderd tot Abraham, want hij had twee zonen, de een heette Ismaël, die uit Hagar geboren was en de tweede Izaäk, het beloofde zaad waar ook de Messias uit geboren zou worden. Daar er bij de Heere niets te wonderlijk is, daar Hij spreekt en het is er, Hij gebied en het staat er. Daarom als God door bemiddeling van het vrouwenzaad een vrucht heeft gewrocht, dan is er nieuw leven en een onderscheidingsvermogen welke de goede en welbehagelijke wil Gods zij en een vragen met Psalm 119: 15:

Weer snood bedrog, o God, van mijn gemoed;
Laat Uw genâ, mij Uwe wetten leren.
Ik kies de weg der waarheid voor mijn voet,
Om mij van 't pad der zonden af te keren;
Uw rechten, die zo heilig zijn en goed,
Stel ik mij voor, die wil ik need'rig eren.

Het werkverbond

Wij moeten om geen dwaling in ons verstand te krijgen bedenken, dat in het oude verbond een geheel andere leiding was als in het genadeverbond. Zoals ik heb uitgedrukt, dat wij ons wel van God kunnen afmaken en vele vonden kunnen uitdenken om ons geweten tot zwijgen trachten te brengen met allerleid aardse bemoeienissen en zorgvuldigheden des levens of met de grootsheden des levens of met de wereldgelijkvormigheid ons kunnen indelen maar daar is geen vrede voor de ziel, daar alles in die weg koud en donker blijft voor de eeuwigheid. Want in Psalm 115 lezen wij: "Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van 's mensen handen".
Zo ging het ook na de zondeval: men leefde naar het goeddunken van eigen hart en maakte afgoden en gesneden beelden en boog zich daarvoor en aanbad de afgoden. Totdat God zelf aan al dat afhoereren een einde maakte en aan Mozes, de man Gods, de wet ter hand stelde, waardoor het volk, indien ze in de weg van gehoorzaamheid wilden volgen wat God hun gebood en zich lieten leiden door lijdelijke en direkte gehoorzaamheid, er weer een verbinding was tot God om in vrede niet alleen te leven, maar ook in vrede te sterven en het hemelse Kanään binnen geleid te worden. Ook had God door middel van enige uitgezochte mannen zoals Mozes en Aäron het ambt opgedragen om als voorbidders voor het volk in het Heilige, dat is de tempel of bedehuis, voor het volk op bepaalde tijden hun noden op te dragen en de offers die er op gezette hoogtijden werden geofferd aan God op te dragen, want van alle vrucht des lands en van al het beste vee, werd als naar gewoonte, het beste aan God geofferd.
Ook was daar een teken aan verbonden of het offer al of niet werd aangenomen. Want als de rook omhoog steeg, dan was het een bewijs dat God het offer aanvaardde. Als de rook niet omhoog steeg, dan wist men al, dat het God niet welgevallig was en dat daar dan een bepaalde straf op volgde. Zo lezen wij in Genesis 4 dat er twee broers een offer brachten, namelijk Kaïn en Abel. De Heere nam het ene aan en het ander eniet. En de Heere zeide tot Kaïn: "Waarom zijt gij ontstoken en waarom is uw aangezicht vervallen? Is er niet indien gij wel doet verhoging? En zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur". Wij zien hier weer hoe God alles ziet en ook niet ongestraft laat. Ook ontstak Kaïn zo in toorn dat hij daarna nog zijn broer dood sloeg; zo gaat het met de zonde. Wanneer wij het ene doen dan zien wij in het andere geen kwaad. Het is een zegen als wij voor zulke daden bewaard blijven. Want Kaïn kreeg een teken aan hem, dat niemand de handen aan hem mocht slaan en heeft tot zijn dood hiermee moeten ronddolen. Er zullen wel een mensen zijn, die zeggen: had God hem niet ineens van de aarde kunnen verdelgen? O zeker, maar God doet met ons naar Zijn welbehagen. Wel moeten wij er op letten hoe wij zelf leven als er van ons eens wat geëist wordt. Hoe ons hart voor God ligt, want er komen in ons leven ook wel eens ontzettende toestanden voor. Als wij eens op de proef worden gesteld en eens iets af moeten staan wat ons lief is, dan komt het voor de dag want daar is weer het geloof de kracht. Zo lezen wij van vader Abram die geroepen werd zijn enige zoon Izaäk ten offer te brengen. Het was een zware beproeving voor Abram maar hij geloofde dat God zou voorzien en hij is niet beschaamd. Ook werd Job in deze zwaar beproefd maar week niet af daar hij met al zijn ellende nog uitsprak: "De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd". Het is een grote zegen wanneer wij alles in het geloof kunnen neerleggen, want een gewillig offer valt niet zwaar.
Wij hebben dat niet van onszelf want ook Gods verkiezende gunst was in het oude verbond duidelijk aanwezig.
Daarom is het bewezen dat alles wat in Gods kracht wordt gedaan, het geloof daar aanwezig was. En daarom had een ieder zijn roeping naar Gods wegen maar te volgen in lijdelijke en direkte gehoorzaamheid, wilde men de eeuwige straf ontgaan. Want gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen, 1 Samuël 15: 22. Want God zegt in Zijn Woord dat een ieder vervloekt is die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen.
En daar het geen een mens om God te doen is, maar het was God om de mens te doen en terecht te lijden, daarom waren die wegen en middelen verordineerd met de uitspraak: "Doe dat en gij zult leven". Maar daar het ongeloof er ook toen was, net als nu, daar tweeërlei zaad op aarde na de val zich bevond, geloof en ongeloof, werd het kennelijk openbaar wie het geloof deelachtig was, door de onderhouding van Gods geboden.
Het is het grootste in ons leven het geloof te mogen bezitten, want zonder het geloof is het geen leven. "Want wat baat het een mens zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade aan zijn ziel, of wat zal hij geven tot lossing?" Maar zult u zeggen, hoe komen wij nu aan dat geloof? Ik wil u eens vragen: heeft u er behoefte aan of laat het u koud? Want bij de mensen is het onmogelijk om het aan iemand te geven maar bij God is niets te wonderlijk. En als u zegt: ik heb een geloof, dan raad ik u aan, onderzoekt eens op welk een grond dat rust. Want het oude is voorbij en het is alles nieuw geworden, daar God aan Abram de belofte had gegeven, gelijk de sterren alzo zal uw zaad zijn en daar de eerste zoon uit de dienstbare was, wat men noemt werkverbond en de tweede uit de vrije genade Gods door de werking des Heiligen Geestes, hetwelk men noemt genadeverbond, daarom zal een ieder mens overgeplant moeten worden. Want God was in Christus, de wereld met Hem verzoenende, daarom ligt er een lijn tussen het oude en het nieuwe verbond.
Met de kruisiging van Christus scheurde het voorhangsel van boven naar beneden, hetwelk een teken was dat de twee verbonden vaneen scheiden en er weer een vrije toegang werd gebaand tot de troon der genade en hielden al de voorbiddingen in het Heilige der Heilige op en Christus werd Zelf onze voorspraak bij God de Vader en mogen wij weer met vrijmoedigheid toegaan om barmhartigheid te verkrijgen ter bekwamer tijd en kwam aan alle offeranden een einde, gelijk de Psalmist dat heeft uitgesproken in Psalm 40: 4:

Brandofferen, noch offer voor de schuld,
Voldeden aan Uw eis noch eer.
Toen zeid' Ik: "Zie, Ik kom, o HEER';
De rol des boeks is met Mijn Naam vervuld.
Mijn ziel u opgedragen,
Wil u alleen behagen;
Mijn liefd' en ijver brandt;
Ik draag Uw heil'ge wet,
Die Gij de sterv'ling zet,
In 't binnenst ingewand".

Het genadeverbond

Zo was dan het werkverbond tot een einde gekomen daar de wet de tuchtmeester was tot Christus. Na de geboorte van Christus hield alles op wat in het oude verbond plaats had. Het is gebleken dat het niet voldoende was, gelijk ook door de profeten was geprofeteerd en wij ook in de Heilige Schrift lezen in de Hebreeën brief: "Ik zal over het huis Israëls en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten".
Het was onder het oude volk van Israël al bekend dat er een Messias geboren zou worden. Daar had de profeet al in Micha 5 van geprofeteerd: "En gij Bethelem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een Heerser zal zijn in Israël en wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid". Ook was er veel over gesproken zo als het gaat wanneer zich in het leven nare tijden voordoen, zoals ook in die tijden van slavernij en dienstbaarheid. Men moest zich van verschillende spijzen onthouden en met vasten God diensten bewijzen door het onderhouden en inzetten van Gods geboden. Maar het was niet volmaakt, het was tot Christus. Want indien dat eerste verbond onberispelijk geweest ware, zo zou voor het tweede geen plaats gezocht zijn geweest en daar het van eeuwigheid besloten was dat er een Drieenigheid zou bestaan, daarom sluit heel Gods Woord als één in elkaar, want wij hebben het alle drie nodig, het geloof in God, de hoop op Christus en de toepassing van de Heilige Geest.
Het geloof in de ware God was onder dat oude bondsvolk ook kennelijk aanwezig. Wel ging het door veel strijd en moeiten, maar het ware zaligmakende geloof kwam altijd in een tijd van druk op het nauwst openbaar. Hoe lezen wij niet van Gideon die met een groot leger veel moed had en daar moest hij zijn groot leger kwijt en met een deel wat God hem toedacht, daar mocht hij mee uittrekken. Het was een beproeving voor hem, want hij moest leren dat een Koning niet wordt behouden door een groot heir, maar in God zullen wij kloeke daden doen.
Heeft niet een David het uitgesproken: "Met God loop ik door een bende en spring ik over een muur"? Ja, zult u zeggen met God deed hij die daden. Het was toch een bewijs dat hij een God voor zijn leven had leren kennen, op Wie hij al zijn vertrouwen gevestigd had. Hoeveel mensen zijn er die een geloof belijden en als de stormen van het leven zich opdoen, dan is er geen kracht noch vertrouwen, daar het alleen Israëls God is, Die krachten geeft, van Wie het volk zijn sterkte heeft. Ik denk dat u zult zeggen: zijn er dan nog andere goden die de mensen aanbidden? O zeker! Het was niet alles Israël wat zich Israël noemde. Want het ongeloof was er van de beginne af na de val. Het zal er dus maar op aankomen op welk een grond of ons geloof rust, of onze hoop is in Christus en bewerkt wordt door de kracht des Heiligen Geestes, want het oude is voorbij gegaan, het is alles nieuw geworden. Want wij kunnen alleen uit genade zalig worden en niet meer uit de werken der wet, opdat niemand roeme en die uit vrije genade mag roemen, die roeme in den Heere Die de hemel en de aarde gemaakt heeft.
Zo is het ook met een wedergeboren mens, die overgeplant is uit Adam in Christus, dan licht alleen de hoop in de borggerechtigheid van Christus, want in Romeinen 3: 20 lezen wij: "Daarom zal uit de werken der wet, geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem".
Het is dan een hele gewone zaak, wie in zijn eigen vlees roemt, is niet uit de ware wijnstok. Daarom lezen wij in Johannes 15: "Ik ben de ware wijnstok, en Mijn Vader is de Landman. Alle rank die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg en alle die vrucht draagt, die reinigt Hij opdat zij meer vrucht drage". Want Hij verblijdt zich in Zijn eigen werk. Daarom zegt de Schrift: "Die in Mij blijft en Ik in hem die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen. Zo iemand in Mij niet blijft, die is buitengeworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord, en men vergadert dezelve en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand". En daarom als nu Gods Woord ons tot een wegwijzer mag zijn, dan zullen wij niet beschaamd uitkomen als wij aan het einde van ons leven zijn gekomen, want niemand is er op aarde die niet eens de dood zal ingaan. En daarom als Christus bij ons de wijnstok is, en wij daardoor de ranken, dan wordt Zijn kracht in onze zwakheid volbracht (en gij zijt zwak). Want het is alles genade als wij tegen vlees en bloed kunnen strijden. En dat is heel duidelijk bij een mens te bemerken, als Saul een Paulus geworden is, dat er een andere geest in hem is geopenbaard. Want hij heeft uit leren roepen: "Heere wat wilt Gij dat ik doen zal" en dan laat hij zich leiden door Gods Woord en Geest, en wordt de mens niets en God alles.
Mijn genade is u genoeg. Hebt u u zo laten leiden door Woord en Geest, dan zult u alleen uit genade zalig worden, daar er geen andere weg is, daar Chrisuts in ëën offerande alles op het kruis heeft volbracht. Dan zullen wij uitroepen: "Ik vermag alle singen door Christus Jezus, Die mij kracht geeft" en zingen met Psalm 105: 24:

Die gunst heeft God Zijn volk bewezen,
Opdat het altijd Hem zou vrezen,
Zijn wet betrachten en voortaan
Volstandig op Zijn wegen gaan.
Men roemt dan d' Oppermajesteit
Om zoveel gunst, in eeuwigheid.

Wat werkt de Heilige Geest?

De Heilige Geest is der derde persoon in de Drieenigheid Gods aan Wie wij veel dankbaarheid verschuldigd zijn, daar deze een mens geheel klaar maakt voor de eeuwigheid. U zult zeggen: wat doet Hij dan? Wel, Hij maakt van een slecht mens een kind Gods. Hij doet dat, nadat wij door het bad der wedergeboorte in Christus zijn ingelijfd en daardoor heeft Hij Zijn Geest in ons uitgestort, Die ons alles leert en ons leidt in het spoor der gerechtigheid om Zijns Naams wil.
Daarom lezen wij in 1 Petrus 2: "Zo legt dan af alle kwaadheid en alle bedrog en geveinsdheid en nijdigheid en alle achterklappingen; en als nieuwgeboren kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen; indien gij anders gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is. Tot Welken komende als tot een levende Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar.
Zo wordt gij ook zelven als levende stenen gebouwd, tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus".
Het afleggen van onze zonden en ongerechtigheden wordt gewerkt door Die Geest, zo ook het opklimmen in de genade. Het zien, het horen van de onderscheiding van het Woord Gods, werkt ook die Geest, alsmede opmerken in het rijk der natuur.
Het strijden voor Gods Woord in de rechte zin, werkt alles die Geest. Het neemt de vrees uit het hart, het leert hem opzien naar boven, het leert hem afzien van de mens, het leert hem afzien van de vergankelijke dingen, Hij leert hem bidden, Hij leert hem roepen, Hij leert hem zuchten, Hij leert hem de psalmen zingen in de nacht, Hij leert hem uitkomen voor de eer van Zijn Naam, Hij leert zelfverloochening, Hij leert naastenliefde, Hij leert in alles berusten, Hij leert God lief te hebben boven alles, Hij leert zijn weg alleen te wandelen.
Wij kunnen wel eens met elkaar spreken, aangaande de dingen van het Koninkrijk Gods in de gemeenschap, maar strikt genomen, staat een ieder mens alleen. Want er is geen een blad aan een boom hetzelfde, zo ook de mens.
Wel moeten wij opletten, of het de Heilige Geest is waardoor de mens geleid wordt, want anders komen wij bedrogen uit, en daarom moeten wij rekening af kunnen leggen tegen alle mensen, gelijk geschreven is in 1 Petrus 3: 15-17: "En zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk die u rekenschap afeist van de hoop die in u is, met zachtmoedigheid en vreze. En hebt een goed geweten, opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden, die uwe goede wandel in Christus lasteren. Want het is beter, dat gij weldoende (indien het de wil Gods wil) lijdt dan, kwaad doende".
Want waar de Geest is, daar is ook vrijheid, want ook wijst ons de apostel Paulus er ons op in 1 Korinthe 12, dat "niemand die door de Geest Gods spreekt, Jezus een vervloeking noemt, en niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn, dan door de Heilige Geest".
En nu is Christus het Hoofd en de geestelijke mens de leden om elkaar zo het nodig is tot een hand of een voet te zijn.
Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, dat is de onzichtbare kerk op aarde, die God van eeuwigheid heeft uitverkoren, in de verborgen raad van voor de grondlegging der wereld, opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, "die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest", Romeinen 8: 4 en 14. "Want zovelen als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods" en vers 8 en 9: "En die in het vlees zijn kunnen Gode niet behagen. Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in de Geest, zo anders de Geest Gods in u woont, maar zo iemand de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe".
Wij worden in 1 Johannes 1 en 2 vermaand, dat wij niet een iegelijke Geest moeten geloven: "Maar beproeft de geesten of zij uit God zijn. Hieraan kent gij de Geest Gods: alle geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God". En hoe werkt die Geest? Hij verbindt ons aan het Woord daar het een onderpand des Geestes is. Die Geest leert hem door het Woord en brengt hem tot de zekerheid des geloofs.
Ook is hier geen bepaalde sekte aan verbonden, gelijk hier op aarde allerlei twisten zich voordoen en men elkaar zou verbijten want er zal aan de hemelpoort niet gevraagd worden naar de naam van uw sekte maar wel of gij in de Drieenige God gedoopt zijt, want daarin zijn allen, 1 Korinthe 12: 13-14: "het zij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen in één Geest gedrenkt. Want ook het lichaam is niet in één lid maar vele leden". Wanneer wij die Geest stelen, dan doet Hij geen nut, want het licht en de duisternis hebben geen gemeenschap.
En wat doet die Geest nog meer? Hij reinigt ons van alle zonden. Hij geeft verlichte ogen, zodat Hij het duister in ons doet opklaren. Hij brandt het onkruid uit het hart en doet ons vragen: "Doorgrond en ken mijn hart o Heere". Hij laat ons zien wie en wat wij van nature zijn met de uitspraak: "Ik ellendig mens". Hij geeft ons draagkracht. Hij troost ons door Zijn Woord. Hij geeft ons moed. Hij leidt ons door de dood. Hij zal ons niet begeven of verlaten. Hij geeft ons Zijn Woord lief te hebben en te bewaren en geeft ons de kracht Zijn geboden te onderhouden en leert ons vragen met Psalm 43: 3 en 4:

Zend HEER' Uw licht en waarheid neder,
En breng mij, door dien glans geleid,
Tot Uw gewijde tente weder;
Dan klimt mijn bange ziel gereder
Ten berge van Uw heiligheid,
Daar mij Uw gunst verbeidt.

Dan ga ik op tot Gods altaren,
Tot God, mijn God, de bron van vreugd;
Dan zal ik, juichend, stem en snaren
Ten roem van Zijne goedheid paren,
Die, na kortstondig ongeneugt,
Mij eindeloos verheugt.

Het kaf en het koren

Zo zijn wij dan aan het einde gekomen aangaande enige aanwijzingen op grond van Gods eigen Woord, wat het verstand betreft en een wedergeboren mens, daar wij door de val in ons bondshoofd Adam alles zijn kwijtgeraakt met de uitspraak: in der eeuwigheid geen vrucht meer uit deze. En daar het ontzettend zal zijn menen God een dienst te hebben gedaan en niet door de ware Vader te zijn ingeplant. Betuigt de apostel Paulus het niet in Filippenzen 3: 5-7: "Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër; naar de ijver een vervolger der gemeente, naar de rechtvaardigheid die in de wet is, zijnde onberispelijk. Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus wil schade geacht". Hij was eerst een blind mens, zowel in de natuur als in de geest, daarom moesten zijn ogen geopend worden, om te kunnen zien het goed en het kwaad. Hij moest overgeplant worden zoals ons duidelijk is aangewezen in Johannes 15. Daar lezen wij: "Ik ben de ware Wijnstok en Mijn Vader is de landman. Alle rank die in mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg, en al wie vrucht draagt die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage".
Zoals het in de natuur zich bevindt is het ook in de geest. Ik wil trachten zover als het mij door de Geest is geopenbaard, het u duidelijk voor te stellen.
Als een landman die in het voorjaar zijn tuin omspit, om daar in die dorre aarde voor mens en beest het voedsel te doen uitspruiten, zo maar het zaad er in werpt, zonder de aarde eerste te hebben omgespit en er alles te hebben uit geworpen wat de groei tegen kan houden, dan zou daar niets van terecht komen. Ook ziet de landman uit naar het geschikte ogenblik om het zaad in die toebereide aarde te werpen. Want als het er te vroeg in komt en de storm en de slagregens zijn gekomen dan gaat alles verloren, want het had geen kracht omdat het geen wortel had in de aarde. Daarom besteedt een goede landman veel zorg aan zijn land, daar hij wel weet dat de vrucht er wel wordt ingezet, maar het zaad gezaaid wordt door middel van een mens. En als hij gelooft dat er een God is, en dat hij van Die alleen afhangt, weet hij ook dat er gebed nodig is en een vragen of het God belieft Zijn onmisbare zegen te geven. God heeft naar Zijn wondere wijsheid de mens geschapen en de aarde die het voedsel voor mens en beest doet uitspruiten tot onderhoud van het lichaam. Psalm 103: 14. Het heeft natuurlijk heel veel zorg nodig want als het onkruid er niet met wortel en tak wordt uitgeroeid, dan kan de vrucht niet groeien daar het onkruid de beste sappen wegsleept en daarom veel harder opschiet als het koren. Ook is de zon en de regen er van tijd tot tijd nodig tot bevordering van de groei, daar aan alles wat uit de moederschoot te voorschijn komt veel zorg en arbeid moet worden besteed. En als de oogst rijp is dan maakt de landman zich gereed om de buit in te halen en ziet alles heel nauwkeurig na en brengt het in de schuur en is dankbaar over hetgeen hem God heeft toegedacht. Daartegenover staat de wetenschap in deze dagen met al zijn broeikasten. Daar is de mens aan het roer, daar behoeft men niet te bidden, daar heeft men de zon niet nodig, dan is de Schepper van hemel en aarde de tweede persoon en de wetenschap de eerste, de mens maakt zelf de weg klaar door de wetenschap en kunde. En men heeft God met het hart niet meer nodig. De kracht is weg. Er is geen spanning, er is geen uitzien naar de regen, er is geen uitzien naar de zon. En als dan de oogst gelukt, dan heeft het geen waarde, daar het veel geld op moet brengen, anders wordt het op de mesthoop geworpen, want het is niet uit de natuur voortgekomen, daarom heeft het geen waarde.
Het is de wetenschap die het heeft voortgebracht, de moederschoot de aarde heeft het niet voortgebracht.
Daar heeft men God niet bij nodig gehad.
Zo gaat het ook met een verstandelijke christen, hij heeft niet de werking des Geestes en wordt niet aan zijn zonden ontdekt. Hij weet niet waardoor het zo duister blijft en vreest voor de eeuwigheid, men heeft niet de rechte behoefte aan Gods Woord als het voedsel voor de ziel. Men bidt als tegen een God Die niet hoort. Men gelooft niet dat er nog mensen zijn die uit overtuiging spreken, men lacht en spot er om, men wil de wonderen niet meer geloven, er is geen heilige jaloersheid meer, maar veel meer haat. Het is of alles dood is om der zonde wil. Hoe weinig ware gemeenschap is er in de band der liefde. Hoe weinig troost is er onder elkaar te vinden. Hoe weinig geestelijke kennis. Hoe groot en veel verstand, en hoe weinig geest. Hoe weinig wordt Gods Woord als richtsnoer gebruikt. Hoeveel wereldgelijkvormigheid wordt er overal gevonden. Zelfs in de christenwereld gaat alles naar het vlees.
De kracht des Heiligen Geestes wordt gemist. De troost door Woord en Geest daar heeft men geen kennis meer aan. Men bidt als tegen een onbekende god omdat men te veel naar het vlees leeft, als bij de vleespotten van Egypte. En het volk gaat verloren omdat het geen kennis heeft. En het spreekt vanzelf als wij een verstandchristen zijn, dat er ook geen ware vruchten uit geboren kunnen worden, want die niet uit een rein hart door waar schuldbesef zijn voortgekomen, kunnen voor God niet bestaan. Daarom lezen wij in Johannes 15, dat dezulke verdort en men vergadert dezelve en men werpt ze in het vuur en zij worden verbrand. Maar waar Christus de ware wijnstok is, daar is Gods Woord het voedsel voor de ziel. En de branding van de Heilige Geest, de zuiveraar, om het onkruid er uit te branden. Ook spreekt God door Woord en Geest en maakt ons indachtig alles wat Hij van ons eist, daar het Woord Vlees geworden is.
Een ware rank heeft alleen op het oog om ware vruchten te dragen, afziende van de mens en uitgaande naar de wil Gods, opdat onze werken vol bevonden mogen worden. Het is vanzelf dat de vruchten die uit de ware wijnstok geperst moeten worden met strijd gepaard gaan. Want dan wordt van ons geëist dat wij onze naaste lief hebben als onszelf en Zijn geboden onderhouden. "Want alle rank die in mij geen vrucht draagt die neemt Hij weg en alle die vrucht draagt die reinigt Hij opdat zij meer vrucht drage".
Christus is de ware wijnstok en God de Vader is de Landman. Vanuit de stille eeuwigheid uitgegaan tot het volk Israël en te trekken met koorden van eeuwige liefde, uitgaande van de Vader, daar Hij ons lief had van voor de grondlegging der wereld. Want God was in Christus de wereld met Hem verzoenende door het lijden en sterven op Golgotha's kruis. Daar heeft Hij alles volbracht voor een verloren Adamskind, door Zijn lijden en sterven heeft Hij een weg gebaand voor een volk dat voor eeuwig verloren was door ons bondshoofd Adam. En die nu weer met vrijmoedigheid mogen gaan tot de troon der genade. O, mocht u iets kennen van dat ware leven, van die Borg en Middelaar en door die Geest worden geleid, opdat u daardoor in staat werd gebracht, vruchten te dragen uit die ware wijnstok opdat u in moogt gaan door de ware deur Christus. En moogt horen: komt gij gezegende Mijns Vaders, gaat in, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal Ik u zetten. En daarom bewaart het pand, als het u is gegeven, u toevertrouwd. Want dan zingen wij met de psalmdichter Psalm 138: 4

Als ik, omringd door tegenspoed,
Bezwijken moet,
Schenkt Gij mij leven;
Is 't, dat mijns vijands gramschap brandt,
Uw rechterhand
Zal redding geven.
De HEER' is zo getrouw als sterk;
Hij zal Zijn werk
Voor mij volen-den;
Verlaat niet, wat Uw hand begon,
O Levensbron,
Wil bijstand zenden.