1 Kron. 17 :11 zaad enkele zoon Matth. 13 :20 zaad fig. voor woord èn hoorder 1Jo 3 :9 zaad Gods - in ons Marcus 4 :26 zaad Gods woord Matth. 13 :38 zaad goede - : zonen van het Koninkrijk Ruth 4 :12 zaad nakomelingen Marcus 4 :18 zaad ontvangers van het Woord Lev. 19 :19 zaad tegen bezaaiing met tweerlei zaad Deut. 22 :9 zaad twee soorten - zaaien niet goed Lev. 12 :2 zaad van de vrouw 1 Pe 1 :23 zaad vergankelijk en onvergankelijk - Marcus 4 :14 zaad woord Matth. 13 :38 zaad woord van God én mensen zaad zie ook Bezaaien Deut. 23 :10 zaadlozing 2 Cor. 9 :6 zaaien en maaien Gen. 4 :14 zaaien en oogsten Spr. 11 :18 zaaien en oogsten Spr. 12 :14 zaaien en oogsten Spr. 13 :2 zaaien en oogsten Spr. 12 :6 zaaien en oogsten: door spreken Spr. 11 :27 zaaien en oogsten: het goede / het kwade Spr. 11 :18 zaaien gerechtigheid - Spr. 11 :18 zaaien gerechtigheid - Deut. 28 :38 zaaien veel zaad en weinig inzamelen Jac. 3 :18 zaaien vrucht - Hos. 8 :7 zaaien wet van - en maaien Jer 4 :3 zaaien zaait niet onder de doornen Matth. 13 :37 zaaier Christus Joh. 8 :31 zaaier gelijkenis vande - kan hier worden toegepast Spr. 18 :22 zaak goede -: een vrouw Ps. 112:5 zaak met recht zijn zaken beschikken Ezra 6 :1 Zacharia de profeet Spr. 15 :1 zacht antwoord 1 Pe 3 :4 zachtmoedig geest Nu 12 :3 zachtmoedig geval: Mozes Matth. 11 :29 zachtmoedig Jezus Matth. 21 :5 zachtmoedig Jezus 2 Tim. 2 :25 zachtmoedig terechtwijzen Spr. 16 :18 zachtmoedige begrip Ps. 147:6 zachtmoedige God houdt de -n staande Ps. 149:4 zachtmoedige God zal de -n versieren met heil Spr. 3 :34 zachtmoedige God zal hem genade geven Matth. 5 :5 zachtmoedige -n zullen de aarde beerven Spr. 3 :34 zachtmoedige versus spotter Jes. 29 :19 zachtmoedige zal vreugde op vreugde in God Col. 3 :12 zachtmoedigheid aan te doen Tit. 3 :2 zachtmoedigheid bewijzen aan alle mensen Col. 3 :12 zachtmoedigheid bron: Christus, zie vers 11 Ef. 4 :2 zachtmoedigheid in alle - 1 Tim. 6 :11 zachtmoedigheid jaag naar Jac. 1 :21 zachtmoedigheid met - Gods woord ontvangen 1 Pe 3 :16 zachtmoedigheid met - verantwoording afleggen 2 Cor. 10 :1 zachtmoedigheid van Christus Jac. 1 :21 zachtmoedigheid versus toorn en boosheid Jac. 3 :13 zachtmoedigheid wijze - Hebr. 11 :37 zagen in stukken gezaagd: lichaam Luk. 19 46 zakendoen beroven soms Luk. 19 13 zakendoen geestelijk Ex. 30 :22 v zalfolie heilige - Spr. 8 :23 zallven Christus gezalfd van eeuwigheid af Spr. 3 :10 zalven Absalom: door het volk Ps. 45 :8 zalven Christus gezalfd boven zijn medegenoten 1 Kron. 11 :3 zalven David ten koning gezalfd 2 Sam. 5 :3 zalven David: tot koning over Israel 2 Sam. 12 :7 zalven door God: tot koning: David 2 Cor. 1 :21 zalven God heeft ons gezalfd 1 Sam. 16 :3 zalven Gode -: David 1 Kon. 19 :15 v zalven iemand - ten koning 1 Kon. 19 :15 v zalven iemand - ten profeet Marcus 14 :8 zalven Jezus lichaam gezalfd voor de begrafenis Ex. 29 :5 zalven met olie: Aaron Marcus 6 :13 zalven met olie: door de discipelen 2 Sam. 1 :21 zalven met olie: Saul gezalfd met olie 2 Kon 9 :3 ,6 zalven met olie: tot koning 1 Sam. 16 :1 zalven olie ter zalving 2 Sam. 3 :39 zalven ten koning: David 1 Sam. 15 :1 zalven tot koning 1 Kon. 1 :34 zalven tot koning: Salomo 1 Kon. 1 :39 zalven tot koning: Salomo Ex. 40 :9 zalven van de tabernakel: met zalfolie Ex. 40 :9 zalven zalfolie Jac. 5 :14 zalven zieke - met olie in de naam van de Heer 1 Sam. 16 :13 zalving en de Geest Marcus 14 :3 zalving met nardus: aan Jezus verricht 1 Sam. 10 :1 zalving tot voorganger: geval: Saul Spr. 27 :3 zand wichtig 1 Kron. 6 :32 zang dienst des -s Ps. 92 :4 zang instrumentale begeleiding 1 Kron. 15 :16 v zanger aangesteld 1 Kron. 25 :7 zanger geleerde -s 2 Sam. 19 :35 zanger zangers en zangeressen 1 Kron. 9 :33 zanger zangers, onder de Levieten 1 Kron. 15 :19 v zanger zangers, onder de Levieten 2 Kron. 20 :21 zangkoor gesteld Gen. 49 :13 Zebulon woonplaats - aan haven 2 Sam. 22 :15 zee beroerd door Gods wind Marcus 4 :39 zee bestraft door Jezus Ps. 98 :7 zee bruise met haar volheid Ps. 65 :8 zee bruisen: stillen: door God Ps. 93 :4 zee Christus stilt de zee Ps. 95 :5 zee door God gemaakt Jona 1 :14 zee emotie: verbolgenheid Marcus 6 :47 zee en land Matth. 13 :47 zee fig. volkerenwereld Jes. 57 :20 zee fig. voor goddelozen Ps. 65 :8 zee fig. voor volkerenmassa Ps. 146:6 zee gemaakt door God Ps. 107:29 zee God kalmeert de - Ps. 95 :5 zee Godes Ps. 107:25 v zee golven ontstaan door wind Joz 9 :1 zee grote -: Middellandse zee Joz 15 :12 zee grote -: Middellandse zee Joz 23 :4 zee grote -: Middellandse zee Ps. 107:23 zee grote wateren Ps. 107:24 zee in de diepte zijn Gods wonderwerken te zien Marcus 3 :7 zee Jezus bij de - Marcus 4 :1 zee Jezus leerde bij de zee Marcus 6 :48 zee Jezus lopend op de zee Matth. 14 :25 zee lopen op de zee, vgl. Job 9:8 Ez. 26 :2 zee menigte Joz 4 :23 zee rode -: doortocht Jona 1 :14 zee storm Ps. 104:25 zee Spr. 8 :29 zee Deut. 30 :13 zeevaart Opb. 6 :9 zegel 5e -: vgl. Mt 24 vervolging der heiligen Gen. 12 :2 zegen - zijn Deut. 33 :13 zegen aardse - toegewenst Deut. 11 :17 zegen alle goeds komt van boven 2 Sam. 6 :11 zegen als je de ark des HEEREN bij je hebt Spr. 11 :11 zegen begrip: goede woorden Deut. 11 :27 ,29 zegen begrip: goederen, ook zegenende woorden Deut. 26 :15 zegen bidden om Spr. 11 :11 zegen bouwt op: de gemeente 2 Sam. 6 :11 zegen Christus: bron van zegen Deut. 28 :2 zegen dankzij gehoorzaamheid Gen. 39 :5 zegen des HEREN: begrip Spr. 10 :22 zegen des HEREN: maakt rijk, zonder smart Deut. 12 :15 zegen door God gegeven Deut. 24 :19 zegen door God: bevorderen door gerechtigheid Gen. 49 :28 zegen een bijzondere zegen per persoon Ps. 3 :9 zegen en heil Deut. 11 :27 v zegen en vloek Gal. 5 :2 zegen gebrek aan -: door wetticisme Deut. 33 :23 zegen geestelijke - in hemelse gewesten Deut. 15 :4 -5 zegen gehoorzaamheid, - op g. 2 Kon 5 :15 zegen geschenk Deut. 15 :14 zegen geven van uw ontvangen zegen aan arme ander Deut. 30 :9 zegen Gods zegen voor het bekeerde Israel Deut. 28 :1 v zegen Gods zegen op gehoorzaamheid 2 Cor. 9 :5 zegen hier gift Ps. 112:3 zegen materiele - Hebr. 6 :7 zegen ontvangen: van God: wie vrucht draagt Lev. 26 :4 zegen op gehoorzaamheid Ps. 65 :10 zegen op het land Ps. 112:2 zegen op het nageslacht 1 Kron. 17 :16 zegen sommige - is nog klein in Gods ogen Deut. 28 :11 v zegen stoffelijke zegeningen Ps. 129:8 zegen toegewenst Deut. 11 :29 zegen uitspreken: vs. vloek uitspreken Ps. 3 :9 zegen Uw - is over uw volk Ps. 107:38 zegen vermenigvuldiging van mensen en vee Ps. 109:17 zegen versus vloek Jac. 3 :10 zegen versus vloek Deut. 33 :23 zegen vol: wees vol van de zegen des HEREN Gen. 9 :1 v zegen voor Noach en zijn nakroost Gen. 9 :7 zegen voor Noach en zijn nakroost Deut. 14 :23 zegen voorbeeld: inkomsten van land en vee Deut. 23 :5 zegen vs vloek Gen. 12 :2 zegen wees een - ! 1 Kon. 5 :7 zegen zegenwens ten aanzien van God - door een heiden (Hiram): gezegend zij de Heer Nu 6 :23 zegenen begrip Deut. 23 :20 zegenen begrip Deut. 29 :19 zegenen begrip 2 Sam. 8 :10 zegenen begrip: zegenen kan gebeuren door een ongelovige Ri 13 :24 zegenen bijzondere gaven geven Gal. 3 :9 zegenen christen gezegend, met Abraham 1 Kron. 18 :10 zegenen David gezegend door een heidense koning Gen. 5 :2 zegenen de eerste mensen gezegend Ps. 115:15 zegenen den HEERE gezegend zijn Marcus 8 :7 zegenen door Christus 1 Sam. 25 :14 zegenen door David aan Nabal 1 Kron. 16 :2 zegenen door David: het volk 2 Sam. 6 :18 zegenen door David: in de naam des HEEREN: het volk Nu 6 :23 -27 zegenen door de priester, door God Matth. 25 :34 zegenen door de Vader: "gezegenden van Mijn vader" Marcus 11 :9 zegenen door een menigte Spr. 27 :14 zegenen door een mens 1 Sam. 2 :20 zegenen door een mens van een mens: geval: priester Eli van Elkana en zijn vrouw Deut. 7 :13 v zegenen door God Deut. 16 :10 zegenen door God: begrip: hier goede oogst Hebr. 6 :14 zegenen door God: belofte 1 Kron. 17 :27 zegenen door God: Davids huis Ps. 132:15 zegenen door God: de kost van Sion Ri 13 :24 zegenen door God: een kind 2 Sam. 6 :11 zegenen door God: geval: een gezin 1 Kron. 13 :14 zegenen door God: geval: huis Obed-Edoms en alles wat deze had Deut. 26 :15 zegenen door God: het land: erom gebeden Deut. 15 :18 zegenen door God: in al wat je doet Deut. 14 :29 zegenen door God: in jouw werk Deut. 15 :10 zegenen door God: in uw werk Deut. 15 :6 zegenen door God: Israel: gevolgen: kunnen lenen aan, heersen over Deut. 15 :10 zegenen door God: omdat je geeft aan de arme Deut. 14 :29 zegenen door God: voorwaarde: gehoorzaamheid Spr. 3 :33 zegenen door God: woning der rechtvaardigen Hebr. 11 :21 zegenen door het geloof Hebr. 7 :7 zegenen door het meerdere: het mindere 1 Kon. 8 :66 zegenen door het volk: dit zegende de koning Salomo Hebr. 11 :20 zegenen door Isaak: zijn zonen Gen. 47 :8 zegenen door Jacob: van Farao Marcus 10 :16 zegenen door Jezus Marcus 14 :22 zegenen door Jezus Matth. 14 :19 zegenen door Jezus: de broden en vissen Joz 22 :7 zegenen door Jozua: de stam van Manasse Joz 14 :13 zegenen door Jozua: van Kaleb Ex. 39 :43 zegenen door Mozes: het volk Ps. 118:26 zegenen door ons: uit het huis des HEREN 1 Kon. 8 :14 zegenen door Salomo 1 Kon. 8 :55 zegenen door Salomo: volk Israel 2 Sam. 19 :39 zegenen geval Ri 17 :2 zegenen geval: moeder zegent zoon Luk. 1 :42 zegenen gezegend was de ongeboren Jezus Luk. 1 :42 zegenen gezegend was Maria Ri 5 :24 zegenen gezegend zij … Ps. 118:26 zegenen gezegend zij Christus 1 Sam. 26 :25 zegenen gezegend zijt gij, David (gezegd door Saul) 2 Sam. 2 :5 v zegenen gezegend zijt gijlieden (gezegd door David) 2 Sam. 6 :20 zegenen gezin -: door David Ps. 5 :13 zegenen Gij zult de rechtvaardige - Luk. 24 53 zegenen God - Jac. 3 :9 zegenen God - 1 Pe 1 :3 zegenen God - Gen. 9 :26 zegenen God -: door Noach 1 Sam. 25 :32 zegenen God -: gezegend zij de HEERE de God Israels Ps. 145:10 zegenen God -: uw gunstgenoten zullen u zegenen Rom. 1 :25 zegenen God is gezegend tot in eeuwigheid Ps. 115:12 zegenen God zal zegenen Ps. 134:3 zegenen God zegene u uit Sion Ps. 107:38 zegenen God zegent hen, zodat zij zeer vermenigvuldigen Deut. 1 :7 zegenen in al het werk uwer hand: door God Ps. 129:8 zegenen in de naam des HEEREN Deut. 21 :5 zegenen in de naam van God - Ri 13 :24 zegenen kind gezegend: door God Deut. 26 :15 zegenen land Spr. 11 :25 zegenen maakt jezelf vet Ps. 62 :5 zegenen met de mond Spr. 27 :14 zegenen overdreven - 1 Sam. 23 :21 zegenen vals -: door Saul aan de Zifieten Marcus 11 :10 zegenen van het komende koninkrijk van David Marcus 11 :9 zegenen van Jezus Deut. 23 :20 zegenen verhindering Deut. 26 :15 zegenen volk Israel Gen. 9 :26 zegenen vs vervloeken Jer 11 :17 zegenen vs. kwaad over iem. uitspreken? Ps. 62 :5 zegenen vs. vloeken Ps. 129:8 zegenen zegen de goddelozen niet Deut. 29 :19 zegenen zich - Jer 4 :2 zegenen zich - in God Jes. 65 :16 zegenen zich -: in de HERE 1 Sam. 9 :13 zegenen 2 Sam. 13 :25 zegenen Spr. 10 :6 zegening ´-en zijn op het hoofd van de rechtvaardigen Spr. 28 :20 zegening door trouw Gen. 49 :25 zegening -en der baarmoeder Gen. 49 :25 zegening -en der borsten Gen. 49 :25 zegening -en des afgronds Gen. 49 :25 zegening -en des hemels Gen. 8 :21 zeggen in het hart -: door God Hebr. 13 :6 zeggen vrijmoedig Hebr. 6 :19 zeker hoop Ri 18 :27 zeker stil en - volk Spr. 3 :23 zeker wandelen Deut. 12 :10 zeker wonen Ri 18 :7 zeker wonen: geval Jes. 32 :9 zeker zijn: door God verstoord Joh. 11 :17 zekerheid aangaande dood Hebr. 6 :19 zekerheid anker van de ziel Filip. 1 :28 zekerheid behoudenis, - van de b: door bewijs van behoudenis Luk. 1 :4 zekerheid bevorderen Matth. 18 :16 zekerheid dankzij meerdere getuigen Joh. 5 :24 zekerheid des heils Gal. 5 :5 zekerheid door de Geest 2 Tim. 3 :14 zekerheid door de Heer Jezus Dan. 2 :45 zekerheid droom, uitlegging Hebr. 6 :16 zekerheid geven: door een eed Spr. 24 :28 zekerheid gewenst bij rechtspraak Hos. 5 :9 zekerheid God maakt bekend dat gewis is: het zal zeker gebeuren Spr. 22 :21 zekerheid goed Luk. 1 :4 zekerheid goed Hebr. 6 :11 zekerheid groeien in - 2 Sam. 23 :5 zekerheid heils- 1Jo 3 :14 zekerheid heils-: liefde tot de broeders 2 Cor. 2 :8 zekerheid iem. Verzekeren van liefde Luk. 1 :4 zekerheid kennen Luk. 20 7 zekerheid on-: bij oversten: over Johannes de Doper 1 Tim. 1 :7 zekerheid onterechte - Col. 2 :2 zekerheid rijkdom van de volle zekerheid vh inzicht Spr. 14 :32 zekerheid van de rechtvaardige Spr. 22 :21 zekerheid van de redenen der waarheid Dan. 3 :24 zekerheid van de waarneming betwijfeld 2 Cor. 10 :7 zekerheid van het geloof 1 Sam. 30 :8 zekerheid van toekomstige gebeurtenissen Deut. 19 :15 zekerheid verkrijgen bij beschuldiging 2 Kon 20 :9 zekerheid verlangen 1 Sam. 16 :6 zekerheid vermeende - Rom. 14 :5 zekerheid volle - Col. 2 :2 zekerheid volle - Hebr. 6 :11 zekerheid volle - 1 Thess.1 :5 zekerheid volle -: evangelie kwam in van - Hebr. 10 :22 zekerheid volle -: van het geloof Col. 2 :2 zekerheid voorwaarden: liefde en eenheid Deut. 13 :14 zekerheid zeker weten dat zekerheid zie ook Verzekeren Hebr. 6 :1 v zekerheid 1 Tim. 4 :16 zelf acht geven op jezelf Luk. 20 13 zelf beeld: Christus - -: geliefde des Vaders Jes. 65 :16 zelf beeld: goede vorm Joh. 1 :27 zelf beeld: niet waard iets te doen Gal. 6 :3 zelf beeld: onjuist Jer 8 :8 zelf beeld: onjuist positief zelfbeeld Spr. 28 :11 zelf beeld: wijs in eigen ogen 2 Cor. 13 :5 zelf beproeving Gal. 6 :4 zelf beproeving 1Jo 3 :6 zelf beproeving aangaande je belijdenis en geloof Jud :21 zelf bewaar je- 2 Sam. 22 :24 zelf bewaar jezelf tegen ongerechtigheid Joz 23 :7 zelf bewaart je ziel naarstiglijk dat je God liefhebt Jac. 1 :27 zelf bewaren: zichzelf onbesmet van de wereld bewaren Jud :21 zelf bouw je- op Pred. 8 :8 zelf controle: niet over de geest Pred. 8 :8 zelf controle: niet over je dood Jac. 1 :9 zelf eigenroem: gezonde en ongezonde Pred. 8 :8 zelf heerschappij: zie zelf controle Spr. 27 :2 zelf jezelf prijzen is niet goed Jes. 6 :5 zelf kennis: in ontmoeting met God 2Jo :8 zelf let op uzelf! Jac. 1 :22 zelf misleiden 2 Cor. 13 :5 zelf onderzoek Luk. 21 34 zelf pas op je- Matth. 6 :1 zelf passen op jezelf Joel 3 :10 zelf respect: bevorderen: voorbeeld Spr. 28 :25 zelf respect: verkeerd -: grootmoedigheid Jes. 65 :5 zelf roem Spr. 30 :20 zelf spraak: zelfrechtvaardiging Marcus 13 :9 zelf uitkijken voor zichzelf: bevolen door de Heer Pred. 10 :3 zelf verachting: zich dwaas nemen tegenover anderen: negatief geval Jes. 65 :5 zelf vergelijken met anderen Ez. 28 :2 zelf vergoding Ez. 28 :2 zelf verheffing Ez. 28 :17 zelf verheffing: vanwege schoonheid Ri 9 :17 zelf verloochening Joh. 6 :38 zelf verloochening: niet mijn wil maar Gods wil doen Amos 2 :14 zelf verlossing verhinderd Joz 7 :4 zelf -vertrouwen beschaamd Deut. 8 :14 zelf vertrouwen: en hoogmoed Jes. 10 :20 zelf vertrouwen: en steunen op God Jes. 65 :16 zelf vertrouwen: goede vorm van Jes. 10 :10 zelf vertrouwen: grond voor Jes. 10 :10 zelf vertrouwen: hoogmoedig - Spr. 28 :25 zelf vertrouwen: verkeerd -: grootmoedigheid Jer 48 :7 zelf vertrouwen: verkeerd zelfvertrouwen Jer 21 :13 zelf verzekerdheid: valse Ez. 6 :9 zelf walging aan jezelf hebben 1Jo 5 :18 zelf zich- bewaren: die uit God geboren is Spr. 12 :9 zelf zich- eren Spr. 12 :9 zelf zich gering achten Jes. 3 :9 zelf zich- kwaad doen Pred. 1 :16 zelf zich vergelijken met anderen Deut. 29 :19 zelf zichzelf zegenen Jac. 1 :26 zelf zijn eigen hart bedriegen Joz 23 :11 zelf zorg voor je eigen ziel noodzaak Spr. 21 :23 zelf zorg voor jezelf Spr. 11 :17 zelf zorg voor jezelf: door de goedertieren mens Hebr. 12 :25 zelf zorg voor jezelf: kijk uit dat je God niet afwijst Ex. 23 :21 zelf zorg: hoedt u voor Zijn aangezicht Spr. 15 :32 zelf zorg: nalaten Spr. 12 :11 zelf zorg: voorzien in eigen behoeften Spr. 16 :17 zelf zorg: zijn ziel behoeden Deut. 4 :9 zelf zorgen voor jezelf Jud :12 zelf zucht Jes. 5 :21 zelfbeeld als eigendunk, hoogmoed Spr. 28 :25 zelfbeeld grootmoedigheid verwekt gekijf Luk. 18 9 zelfbeeld gunstig en onjuist - Luk. 7 :7 v zelfbeeld hoofdman Jes. 10 :8 zelfbeeld hoogmoedig - Ez. 28 :2 zelfbeeld hoogmoedig - Jac. 1 :1 zelfbeeld Jacobus' - Spr. 30 :2 zelfbeeld negatief - 1 Sam. 18 :23 zelfbeeld negatief -, schijnbaar 2 Cor. 10 :11 zelfbeeld niets zijn, veel zijn 1Jo 1 :8 zelfbeeld onwaar - Jac. 1 :9 zelfbeeld positief - Ez. 27 :3 zelfbeeld positief - en hoogmoed Rom. 1 :22 zelfbeeld positief, maar vals Rom. 1 :1 zelfbeeld slaaf Obadja :3 zelfbeeld vals - Jes. 6 :6 zelfbeeld verandert in ontmoeding met God Spr. 12 :9 zelfbeeld verschillende -en Dan. 4 :35 zelfbeeld wij als niets 2 Sam. 13 :2 zelfbeheersing Ammons seksuele - Hos. 11 :9 zelfbeheersing bij God Spr. 16 :32 zelfbeheersing deugd Spr. 25 :28 zelfbeheersing gebrek aan - Ruth 3 :13 zelfbeheersing geval: Boaz Spr. 13 :3 zelfbeheersing in het spreken 1 Pe 3 :10 zelfbeheersing in het spreken Spr. 17 :27 zelfbeheersing in spreken Spr. 13 :12 zelfbeheersing lastig Jer 6 :11 zelfbeheersing overspannen - Spr. 12 :16 zelfbeheersing Jac. 3 :3 zelfbeheersing zelfbeschadiging zie Beschadiging Jac. 3 :3 zelfbestuur persoonlijk - Pred. 4 :2 zelfdoding (associatie) 1 Kron. 10 :4 zelfdoding geval: Saul 1 Kron. 10 :5 zelfdoding geval: wapendrager zelfdoding zie Suicidaal, Zelfmoord Marcus 14 :29 zelfdunk Marcus 14 :31 zelfkennis gebrek aan - 1 Sam. 18 :1 ,3 zelfliefde geval: Jonathan 2 Sam. 17 :23 zelfmoord Achitofels - Marcus 5 :13 zelfmoord collectieve (toepassing) Matth. 27 :5 zelfmoord geval: Judas 1 Kon. 16 :18 zelfmoord Zimri Ri 16 :30 zelfmoordaanslag geval: Simsons dood Obadja :3 zelfrespect bedrieglijk - Matth. 6 :26 zelfrespect bijbelse basis voor - Jac. 1 :9 zelfrespect positief geval, zie ook 2:5 Spr. 15 :32 zelfrespect respect: zie Zelf: zorg Deut. 25 :3 zelfrespect zie ook Verachten Luk. 12 :19 zelfspraak geval van - Ps. 62 :6 zelfspraak 1 Thess.4 :11 zelfstandgheid aanbevolen 2 Kon 18 :7 zelfstandig worden: Hizkia viel af van de vreemde koning 2 Thess.3 :8 zelfstandigheid wenselijk 2 Kron. 24 :17 zelfstandigheid zie ook Afhankelijkheid Filip. 2 :4 zelfverloochening t.b.v. nederigheid Lev. 19 :28 zelfverninking tegen - Matth. 26 :33 zelfvertrouwen misplaatst -: Petrus Spr. 27 :1 zelfvertrouwen verkeerd - Marcus 14 :29 zelfvetrouwen misplaatst -: geval Marcus 13 :9 zelfzorg bevolen 1 Thess.4 :11 zelfzorg een goede zaak Marcus 13 :23 zelfzorg ten tijde der verdrukking in de toekomst Spr. 19 :16 zelfzorg 2 Tim. 4 :3 zelfzucht in de leer Spr. 10 :26 zendeling luie Joh. 17 :18 zendeling Joh. 15 :16 zenden dat u zou heengaan en vruchtdragen Col. 4 :8 zenden doel Matth 23 :37 zenden door Christus Joh. 20 :21 zenden door Christus 1 Sam. 25 :32 zenden door God: iem. anders jou tegemoet 1 Sam. 9 :15 zenden door God: zonder dat de gezondene het weet Ri 6 :14 zenden gezonden door God Joh. 4 :38 zenden gezonden om te maaien Ps. 105:17 zenden God zond Jozef Matth. 15 :24 zenden Jezus alleen gezonden tot Israel Joh. 1 :6 zenden ook wij door Christus in de wereld gezonden 1 Pe 2 :14 zenden stadhouder Filip. 2 :19 zenden Timotheus - door Paulus Matth. 28 :19 zending opdracht 1 Kon. 19 :15 zendingsopdracht geval Col. 1 :16 zichtbaar -e en onzichtbare dingen Ri 17 :4 zichtbaars behoefte aan - 1 Kon. 15 :23 ziek aan de voeten: Asa 2 Kon 20 :3 ziek en bidden om genezing: Hizkia Matth. 13 :15 ziek geestelijk Nu 5 :22 ziek maken: als straf hier van Godswege ingesteld 2 Kon 20 :1 ziek tot stervens toe 2 Tim. 4 :20 ziek Trofimus: - achtergelaten door Paulus Marcus 2 :17 ziek zedelijk-geestelijk Luk. 5 :31 ziek zedelijk-geestelijk Marcus 2 :17 zieke behoeft een arts Jac. 5 :15 zieke behouden: door het gebed van het geloof Marcus 16 :18 zieke beter worden Matth. 25 :36 zieke bezoeken 2 Kon 1 :2 zieke genezing: zoeken bij een afgod Matth. 9 :12 zieke heeft arts nodig Marcus 6 :13 zieke zalven met olie Marcus 16 :18 zieke zieken de handen opleggen 2 Kon 9 :16 ziekenbezoek geval Jes. 33 :24 ziekte als gevolg van zonde 2 Kon 5 :27 ziekte als straf gezonden: melaatsheid van Gehazi 2 Sam. 24 :10 ziekte als strafmiddel aangewend: David Lev. 13 :45 ziekte besmetting voorkomen door bovenlip te bedekken Jes. 39 :1 ziekte brengt zwakheid Joh. 11 :4 ziekte dodelijk of niet Jes. 38 :1 ziekte dodelijke - 2 Sam. 12 :15 ziekte door God beschikt Luk. 1 :20 ziekte door God gezonden: stomheid 1 Sam. 5 :9 ziekte door God toegebracht 1 Sam. 25 :38 ziekte door God toegebracht: Nabal stierf 2 Kon 13 :14 ziekte Elisa's dodelijke - Luk. 4 :41 ziekte en demonie Ps. 91 :15 ziekte en genezing (associatie) Joh. 5 :14 ziekte en zonde Jac. 5 :15 ziekte en zonde Jer 8 :22 ziekte geen genezing Jes. 1 :6 ziekte geestelijke -: genezen Jes. 1 :5 ziekte geestelijke -: hart Jes. 1 :5 ziekte geestelijke -: hoofd Pred. 5 :12 v ziekte geestelijke oorzaak: zorgen Deut. 28 :28 ziekte geestes-: als straf 2 Kon 5 :27 ziekte gelegd op gezin Jes. 38 :22 ziekte geneeswijze Ps. 103:3 ziekte genezing: al uw ziekten geneest God Deut. 7 :15 ziekte genezing: door God Jes. 38 :16 ziekte genezing: door God Jes. 33 :24 ziekte genezing: door vergeving Joh. 4 :50 v ziekte genezing: en geloof 2 Kon 20 :5 ziekte genezing: God maakt gezond 2 Kon 20 :7 ziekte genezing: middel: klomp vijgen: Hizkia Jes. 39 :1 ziekte genezing: sterk worden 2 Kon 8 :29 ziekte geval: Joram van Israel 2 Kron. 16 :12 ziekte God niet zoeken, maar de medicijnmeesters Matth. 8 :17 ziekte Jezus heeft onze -n gedragen Deut. 28 :60 ziekte kan ons aanhangen 2 Kon 8 :9 ziekte kennis omtrent herstel zoeken Deut. 28 :60 ziekte kwalen van Egypte Ex. 15 :26 ziekte -n als straf van God Deut. 28 :27 ziekte ongeneeslijke ziekte als straf Deut. 28 :35 ziekte ongeneeslijke ziekte als straf Opb. 2 :22 ziekte oorzaak kan zonde zijn Joh. 9 :2 ziekte oorzaak: zonde, maar niet altijd 2 Kon 15 :5 ziekte plaag vanwege de HERE: Azaria Deut. 28 :61 ziekte straf hier 1 Tim. 5 :23 ziekte Timotheus: veelvuldige zwakheden Joh. 11 :4 ziekte tot heerlijkheid Gods Opb. 2 :22 ziekte tucht vn Christus kan het zijn Deut. 29 :21 ziekte van Godswege Ps. 6 :1 v ziekte vanwege de tegenpartijders Matth. 13 :15 ziekte volksziekte: geestelijke v Ex. 23 :25 ziekte voorkomen: door God te dienen Jac. 5 :14 ziekte wat te doen bij - ziekte zie ook Lijden 2 Kron. 6 :28 ziekte Ps. 143:6 ziel als een dorstig land Hebr. 6 :19 ziel anker van de ziel Ps. 143:12 ziel beangstigen Spr. 19 :15 ziel bedrieglijke - Matth. 26 :38 ziel bedroefd 1 Sam. 2 :30 ziel bedroeven Jes. 58 :10 ziel bedrukte 1 Kron. 22 :19 ziel begeeft uw - om ... te doen Spr. 21 :10 ziel begeert Pred. 6 :2 ziel begeert Jes. 26 :9 ziel begeert 1 Sam. 23 :20 ziel begeerte der - Opb. 18 :14 ziel begeerte van de - 2 Sam. 3 :21 ziel begeren Deut. 24 :6 ziel begrip: iemands leven Lev. 24 :18 ziel begrip: individueel levend wezen Marcus 14 :34 ziel begrip: inwendige mens Spr. 27 :7 ziel begrip: kan zijn hongerig, verzadigd Lev. 23 :30 ziel begrip: persoon Hebr. 13 :17 ziel begrip: persoon Deut. 24 :7 ziel begrip: persoon, mens Spr. 24 :12 ziel begrip: verborgen mens van het hart 1 Sam. 19 :11 ziel behoeden van de eigen - Spr. 13 :3 ziel behouden: door zijn mond te bewaren Jac. 1 :21 ziel behouden: zielen behouden: door het woord van God 1 Pe 1 :9 ziel behoudenis van de - Jud :15 ziel bestraffen Gen. 46 :26 ziel betekenis: personen, mensen Spr. 11 :30 ziel betekenis: persoon Ps. 116:4 ziel bevrijd mijjn - 2 Sam. 19 :5 ziel bevrijden: uit doodsgevaar Ps. 86 :2 ziel bewaar mijn - Spr. 21 :23 ziel bewaren van benauwdheden Ps. 97 :10 ziel bewaren: God bewaart de zielen van Zijn gunstgenoten Spr. 19 :16 ziel bewaren: zijn - bewaren door bewaring van Gods en ouderlijk gebod Hebr. 12 :3 ziel bezwijken in uw zielen Ps. 119:81 ziel bezwijken: van verlangen Deut. 12 :23 ziel bloed: het bloed is de - 2 Kron. 1 :11 ziel de ziel van haters begeren Joz 20 :3 ziel doodslaan Joz 20 :9 ziel doodslaan Jes. 57 :16 ziel door God gemaakt Filip. 1 :27 ziel één van ziel iets doen Micha 7 :3 ziel eigen - verderven Spr. 11 :17 ziel eigen - weldoen: door de goedertieren mens Gen. 9 :4 ziel en bloed Ps. 103:1 ziel en dingen binnen in mij Ps. 143:3 v ziel en geest Jes. 26 :9 ziel en geest Marcus 14 :34 ,38 ziel en geest Luk. 1 :47 ziel en geest 1 Thess.5 :23 ziel en geest Hebr. 4 :12 ziel en geest Joz 22 :5 ziel en hart 1 Kron. 22 :19 ziel en hart Marcus 12 :30 ziel en hart 1 Pe 1 :22 -23 ziel en hart Joz 22 :5 ziel en hart: met beiden God dienen Opb. 8 :9 ziel -en hebben: dierlijk leven? Ps. 143:3 ziel en leven Spr. 11 :17 ziel en lichaam Matth. 10 :28 ziel en lichaam 1 Pe 2 :12 ziel en lichaam 3Jo :2 ziel en lichaam Opb. 6 :9 ziel -en van de martelaren Spr. 11 :17 ziel en vlees Jes. 10 :18 ziel en vlees Deut. 12 :23 ziel eten Joz 22 :5 ziel ganse - Joz 23 :14 ziel ganse - Deut. 13 :3 ziel ganse -: daarmee liefhebben Filip. 1 :27 ziel geest, - en g Deut. 30 :2 ziel gehoorzamen met je ganse - Deut. 14 :26 ziel gelust, begeert Lev. 26 :11 ziel Gods - Jes. 42 :1 ziel Gods - Jer 6 :8 ziel Gods - Jer 9 :9 ziel Gods - Jer 32 :41 ziel Gods - Ri 10 :16 ziel Gods -: werd verdrietig 1 Sam. 26 :24 ziel groot achten Ps. 107:18 ziel gruwen van spijs Deut. 30 :2 ziel hart en - Deut. 30 :10 ziel hart: met ganse het en ganse zijn zich bekeren tot God 2 Sam. 5 :8 ziel haten door de ziel Hgl 1 :7 ziel heeft lief 1 Thess.5 :23 ziel heiliging van de - door God 3Jo :2 ziel het gaat goed met een - 1 Pe 4 :19 ziel hun zielen aan God toevertrouwen Ps. 63 :10 ziel iem. - zoeken: tot verwoesting 1 Sam. 18 :1 ziel iem. beminnen als zijn eigen - 1 Kon. 19 :10 ziel iemands - zoeken om die weg te nemen Deut. 11 :18 ziel in de ziel woorden leggen 2 Kon 4 :25 ziel in iemand: bitter bedroefd 1 Sam. 2 :35 ziel in je - is iets Ps. 131:2 ziel in mij Ps. 119:109 ziel in mijn hand Joz 23 :14 ziel in zijn - weten 1 Sam. 19 :5 ziel in zijn hand zetten 1 Sam. 25 :29 ziel inbinden, slingeren Matth. 16 :26 ziel inboeten, erbij i 1 Sam. 24 :12 ziel jagen Joz 23 :11 ziel je - bewaren: geboden Jes. 58 :3 ziel je - kwellen Lev. 23 :27 ziel je - verootmoedigen, vers 32 Matth. 26 :38 ziel Jezus' - Joh. 12 :27 ziel Jezus'- ontroerd Pred. 4 :8 ziel kan gebrek hebben Lev. 26 :11 ziel kan walgen Deut. 12 :20 ziel kent lust Ps. 131:2 ziel kind in mij Spr. 6 :26 ziel kostbaar Ps. 138:3 ziel kracht in mijn -: Gij hebt mij versterkt met 1 Kon. 17 :22 ziel kwam weder in iem., dat hij levend werd Ps. 119:175 ziel laat mijn - leven Spr. 3 :22 ziel leven voor uw - 1 Sam. 25 :26 ziel levende - Deut. 13 :3 ziel liefhebben met uw ganse ziel Deut. 12 :15 ziel lust Deut. 26 :16 ziel met je ganse - iets doen Jes. 61 :10 ziel mijn - Marcus 14 :34 ziel mijn - is zeer bedroefd Ps. 63 :9 ziel mijn - kleeft U achteraan Luk. 1 :46 ziel mijn - maakt God groot Ps. 119:165 ziel mijn - onderhoudt Uw getuigenissen Ps. 143:3 ziel mijn - wordt vervolgd Ps. 119:129 ziel mijn -: bewaart Uw getuigenissen Ps. 59 :4 ziel mijn -: lagen voor Jes. 42 :1 ziel mijn ziel: een welbehagen hebben Ps. 54 :6 ziel ondersteunen Ps. 141:8 ziel ontbloot mijn ziel niet Jes. 58 :10 ziel openen voor de hongerige Ps. 143:8 ziel opheffen tot God Ps. 143:8 ziel opheffen: zijn - opheffen tot God Jes. 57 :16 ziel overstelpt: door Gods toorn en twisting Lev. 20 :6 ziel persoon Lev. 22 :11 ziel persoon Nu 5 :6 ziel persoon Ps. 106:15 ziel persoon Ps. 107:9 ziel persoon Spr. 16 :26 ziel persoon 2 Kon 10 :24 ziel persoon qua levend wezen 1 Kon. 19 :10 ziel persoon, leven 1 Kon. 19 :14 ziel persoon, leven Joz 20 :3 ziel persoon, vgl. vers 5 1 Pe 2 :25 ziel persoon, zelf Ps. 146:1 ziel prijs de HEERE, o mijn ziel Spr. 27 :9 ziel raad der - Spr. 13 :8 ziel rantsoen van ieders - is zijn rijkdom Ps. 120:2 ziel red mijn ziel Spr. 14 :25 ziel redden Jac. 5 :20 ziel redden van de dood Spr. 22 :23 ziel roven Jer 6 :16 ziel rust voor de ziel Joz 2 :14 ziel sterven Ps. 62 :2 ziel stil Spr. 22 :25 ziel strik over je - halen Spr. 20 :2 ziel tegen zijn - zondigen Jer 45 :5 ziel tot een buit gegeven Ps. 143:11 ziel uit de benauwdheid voeren 1 Sam. 1 :15 ziel uitgieten voor Gods aangezicht Ps. 142:8 ziel uitvoeren uit de gevangenis 1 Pe 2 :12 ziel uw ziel 1 Sam. 1 :10 ziel van - bitter bedroefd Spr. 13 :4 ziel van de luiaard is begerig Spr. 13 :4 ziel van de vlijtige: zal vet gemaakt worden Lev. 24 :18 ziel van een beest Rom. 2 :9 ziel van een mens Spr. 11 :30 ziel vangen: zielen vangen 1 Sam. 18 :1 ziel verbonden aan een andere ziel Ps. 119:20 ziel verbroken: vanwege het verlangen Spr. 6 :32 ziel verderven: door overspel Rom. 2 :9 ziel verdrukking en benauwdheid over elke - ziel van een mens Jes. 65 :6 ziel vergelden in de boezem Ps. 86 :4 ziel verheug de - van uw knecht Jes. 61 :10 ziel verheugt zich Ruth 4 :15 ziel verkwikken Ps. 94 :19 ziel verkwikken: door vetroosting Deut. 24 :15 ziel verlangt 1 Kon. 1 :29 ziel verlossen uit alle nood: door God Spr. 25 :25 ziel vermoeide - Ps. 107:26 ziel versmelten van angst Pred. 6 :3 ziel verzadigen Jes. 58 :11 ziel verzadigen: door God Spr. 13 :25 ziel verzadiging van zijn -: door eten Lev. 17 :11 ziel vh vlees is ih bloed, vs 14 Matth. 10 :39 ziel vinden vs. verliezen Spr. 2 :10 ziel voor uw ziel: liefelijk 1 Pe 2 :12 ziel vs. vleselijke begeerte Spr. 6 :30 ziel vullen: honger stillen Matth. 16 :26 ziel waarde Marcus 8 :37 ziel waarde Deut. 4 :15 ziel wacht u voor uw zielen: hier: zich inhouden Hebr. 13 :17 ziel waken over -en Jes. 3 :9 ziel wee hun ziel 1 Kon. 19 :14 ziel wegnemen: doden 1 Sam. 24 :12 ziel wegnemen: iemand doden 2 Sam. 13 :2 ziel werkt op lichaam Ps. 139:14 ziel weten door mijn - 1 Kron. 28 :9 ziel willige -: met een willige - God dienen Luk. 21 19 ziel winnen: je eigen - winnen door te volharden Ps. 120:6 ziel wonen door de ziel Spr. 11 :25 ziel zegenende - ziel zie ook Binnenste 1 Kron. 5 :21 ziel zielen der mensen Jac. 3 :15 ziel ziellijk: twistzucht, jaloersheid 1 Kron. 22 :12 ziel zijn - begeven om God te zoeken Spr. 16 :17 ziel zijn - behoeden Deut. 4 :9 ziel zijn - bewaren Spr. 29 :24 ziel zijn - haten = schaden Pred. 2 :24 ziel zijn - het goede doen genieten Spr. 19 :8 ziel zijn - liefhebben 1 Kon. 1 :12 ziel zijn - redden 1 Pe 1 :22 ziel zijn - reinigen Spr. 15 :32 ziel zijn - versmaden: door de tucht te verwerpen Ps. 86 :4 ziel zijn ziel verheffen tot God 1 Sam. 20 :1 ziel zoeken Deut. 4 :29 ziel zoeken met je ganse - 1 Sam. 25 :29 ziel zoeken van iemand 2 Sam. 16 :11 ziel zoeken: Davids ziel gezocht door zijn zoon Spr. 16 :24 ziel zoet voor de - Spr. 13 :19 ziel zoet voor de -: vervulde begeerte Spr. 19 :2 ziel zonder wetenschap: niet goed Ps. 142:5 ziel zorgen voor mijn - Ps. 62 :6 ziel zwijg Gode 1 Kon. 20 :37 ziel Opb. 20 :4 zielen van overledenen Matth. 13 :17 zien begeren te - 2 Kon 6 :17 zien bovennatuurlijk - Joh. 16 :22 zien Christus -: en blijdschap Joh. 16 :10 zien Christus niet aanschouwen Gen. 6 :12 zien door God: dat de aarde verdorven was Gen. 1 :31 zien door God: schepping: alles goed Hebr. 11 :27 zien door het geloof: de Onzichtbare Pred. 1 :16 zien door het hart: wijsheid en wetenschap Matth. 14 :19 zien door Jezus: naar de hemel Luk. 20 17 zien door Jezus: omstanders aanzien Jes. 6 :9 zien en niet kennen Jac. 2 :24 zien fig.: u ziet dat een mens gerechtvaardigd wordt etc. Luk. 7 :25 v zien gaan -: Christus over Deut. 29 :4 zien geestelijk - Jer 5 :21 zien geestelijk - Matth. 6 :22 v zien geestelijk - Marcus 8 :18 zien geestelijk - Luk. 8 :10 zien geestelijk - Marcus 4 :12 zien geestelijk - : niet zien Opb. 3 :18 zien geestelijk -: herstellen Matth. 7 :5 zien geestelijk-zedelijk -: als balk uit het oog is Filip. 4 :9 zien geziene doen 1Jo 4 :20 zien God - Ex. 33 :23 zien God -: alleen achterste delen na voorbijgaan 3Jo :11 zien God -: gelovige heeft God gezien Ex. 33 :18 zien God -: niemand kan zien en leven Joh. 14 :7 zien God de Vader -: door Jezus te zien 2 Sam. 22 :11 zien God gezien Luk. 24 16 zien God leidt zien of niet zien Deut. 9 :27 zien God, zie niet op zijn hardigheid Ps. 95 :9 zien Gods werk zien Ps. 95 :9 zien Gods werk zien: en niet vertrouwen Spr. 20 :12 zien in dienst van God Hebr. 11 :13 zien in het geloven Joh. 20 :15 zien interpretatie 1 Pe 1 :8 zien Jezus niet - nu Luk. 24 16 zien kijken en niet - dat 1 Pe 1 :8 zien natuurlijk -: Christus zien we nu niet Rom. 8 :24 zien niet -: voorwerp van de hoop 1 Sam. 15 :35 zien niet meer zien: Saul door Samuel Ps. 40 :5 zien niet om- naar de hovaardigen Matth. 13 :15 zien niet willen zien: geestelijk Ps. 14 :2 zien of Jer 5 :21 zien ogen hebben en niet - Luk. 5 :26 zien ongelooflijke dingen zien Ps. 141:8 zien op God Ps. 16 :8 zien op God: Ik stel den HERE geduriglijk voor mij Luk. 10 :23 zien op Jezus Hebr. 12 :2 v zien op Jezus 1 Pe 1 :8 zien versus geloven zien zie ook Aankijken, Kijken Hebr. 3 :1 zien zie ook Beschouwen Ex. 4 :11 ziende door God gemaakt 2 Kron. 29 :30 ziener Asaf 1 Kron. 25 :5 ziener Heman 1 Sam. 9 :9 ,11 ziener later profeet genoemd 1 Kron. 9 :22 ziener Samuel de - Micha 3 :7 ziener valse -s beschaamd Jes. 30 :10 ziener versmaden Spr. 4 :21 zienswijze baseer ze op en toets ze aan Gods woord Spr. 3 :21 zienswijze laat de wijsheid niet afwijken van uw ogen Gal. 2 :6 zijn iets -: geacht woorden iets te zijn 1 Thess.4 :17 zijn met de Heer zijn Gal. 3 :29 zijn van Christus - Spr. 8 :10 zilver minder waard dan de tucht der wijsheid Jac. 5 :3 zilver verroest Deut. 14 :26 zin eigen - doen in eten: toegestaan hier Gal. 2 :6 zin mijn bestaan Hebr. 2 :10 zin schepping is er om Hem Luk. 1 :29 zin zoeken te verstaan 1 Kron. 6 :31 v zingen ambt des gezangs Ps. 108:1 zingen bereid om te - Ps. 66 :2 zingen de eer van Gods naam - Ex. 15 :1 zingen den HERE - Ps. 95 :1 zingen den HERE: laat ons den HERE vrolijk - Pred. 7 :5 zingen gezang der dwazen: moeite van horen niet waard Ps. 118:14 zingen God is mijn psalm Ps. 135:3 zingen Gode - Ps. 147:7 zingen Gode - bij beurte met dankzegging Ps. 149:1 zingen Gode -: een nieuw lied Ps. 105:1 zingen Gode -: zingt Hem, psalmzingt Hem Ps. 98 :1 zingen Gode zingen: zingt den Heer een nieuw lied Col. 3 :16 zingen in genade Gode zingende Col. 3 :16 zingen in je hart Spr. 25 :20 zingen niet te pas bij eens anders droefheid Ps. 101:1 zingen onderwerpen Ps. 96 :1 v zingen opwekking om Gode te zingen Ps. 59 :17 zingen over Gods sterke, vs. 18 Ps. 138:1 zingen psalm-: Gode p Ps. 144:9 zingen psalmzingen Ps. 101:1 zingen psalmzingen den HEERE Ps. 118:14 zingen reden: heil Ps. 138:5 zingen van Gods wegen: de koningen der aarde zullen zingen van Gods wegen Ps. 104:33 zingen voor God Col. 3 :16 zingen voor God Ps. 47 :7 zingen voor God - Ps. 100:2 zingen vrolijk -: komt voor Gods aanschijn met vrolijk gezang Ps. 63 :8 zingen waar: bij God zingen zie ook Gezang, Lied, Lofzang, Psalmzingen Ps. 95 :1 zingen zie ook Jeruzalem 1 Kron. 16 :23 zingen zingt den HERE, gij ganse aarde 1 Kron. 16 :9 zingen Zingt Hem, psalmzingt Hem! Matth. 12 :36 zinloos woord 2 Kon 17 :15 zinloosheid (toepassing) Hebr. 8 :5 zinnebeeld en schaduw Hebr. 8 :5 zinnebeeld van de hemelse dingen 1 Tim. 5 :11 zinnelijkheid Ps. 2 :6 Zion de berg Mijner heiligheid Joel 3 :17 Zion de berg van Gods heiligheid 2 Kron. 5 :2 Zion de stad Davids Ps. 2 :6 Zion Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over - Filip. 4 :17 zoeken bij anderen: gave, of vrucht Joh. 5 :44 zoeken Christus' - Matth. 13 :45 zoeken Christus: - door C Spr. 21 :6 zoeken de dood - 1 Kron. 10 :13 zoeken de HEERE niet - Pred. 3 :15 zoeken door God: van het weggedrevene Matth. 3 :17 zoeken door God: welbehagen in een mens: bij Jezus gevonden Ps. 119:176 zoeken door God: zoek uw knecht Rom. 2 :7 zoeken eer - Joh. 5 :44 zoeken eer die van God komt Joh. 5 :44 zoeken eer van mensen Joh. 5 :44 zoeken eer van mensen: en de liefde vgl. 42 Filip. 2 :21 zoeken eigen belang - Joh. 5 :30 zoeken eigen wil Spr. 2 :3 v zoeken en vinden Spr. 21 :21 zoeken en vinden 2 Tim. 1 :17 zoeken en vinden: geval Ps. 105:4 zoeken en vragen 1 Kron. 28 :8 zoeken geboden van God: zoekt al de geboden des HEREN Ezra 9 :12 zoeken Gij zult hun vrede en best niet zoeken Deut. 4 :29 zoeken God - 2 Kron. 19 :3 zoeken God - Ps. 53 :3 zoeken God - 2 Kron. 15 :15 zoeken God - : met je ganse wil 1 Kron. 28 :9 zoeken God - en vinden 2 Kron. 15 :1 zoeken God - en vinden Jes. 65 :1 zoeken God - en vinden Opb. 5 :9 v zoeken God -: door Christus Jes. 64 :7 zoeken God -: door niemand Hos. 5 :6 zoeken God -: en niet vinden 1 Kron. 28 :9 zoeken God -: en vinden Jona 1 :14 zoeken God -: in benauwdheid 2 Kron. 15 :12 zoeken God -: met ganse hart en ziel Ps. 119:10 zoeken God -: met mijn gehele hart Hos. 3 :5 zoeken God -: na bekering Jer 10 :21 zoeken God -: nalaten Ps. 119:2 zoeken God -: van ganser harte 2 Kron. 16 :12 zoeken God niet - maar anderen Ps. 105:3 zoeken God: en blijdschap Ps. 105:4 zoeken Gods aangezicht: zoekt dat geduriglijk Ps. 119:94 zoeken Gods bevelen Joh. 7 :18 zoeken Gods heerlijkheid - Joh. 5 :30 zoeken Gods wil Jer 45 :5 zoeken grote dingen Rom. 2 :7 zoeken heerlijkheid - 1 Thess.2 :6 zoeken heerlijkheid: van mensen Gal. 2 :20 zoeken iem. anders belang zoeken: Christus deed dat Marcus 14 :55 zoeken iets verkeerds - Luk. 24 :5 v zoeken Medebepaald door je (on)geloof Joh. 16 :19 zoeken naar een antwoord Rom. 2 :7 zoeken onvergankelijkheid - Matth. 11 :29 zoeken rust 1 Sam. 19 :2 zoeken te doden iem. Joh. 2 :18 zoeken tekenen Col. 3 :1 zoeken vermaning tot - Jer 5 :1 zoeken waarheid - Hebr. 13 :14 zoeken wij - het toekomstige nieuwe Jeruzalem Spr. 8 :17 zoeken wijsheid - Spr. 14 :6 zoeken wijsheid -: tevergeefs: door de spotter 2 Kron. 26 :5 zoeken zich begeven om God te - Joh. 7 :18 zoeken zichzelf -: en zonde Joh. 7 :18 zoeken zijn eigen heerlijkheid - Col. 3 :1 zoeken zoekt de dingen die boven zijn 1 Kron. 22 :19 zoeken zoekt den HEERE Amos 5 :14 zoeken zoekt het goede, zoekt niet het boze Luk. 12 :29 zoeken zoekt niet ... maar zoekt ... 1 Kron. 16 :11 zoeken zoekt Zijn aangezicht geduriglijk Spr. 27 :9 zoetheid fig. aangenaamheid Ez. 8 :16 zon aanbidding van de zon 2 Kon. 23 :11 zon afgoderij met de - Jes. 60 :1 zon Christus Luk. 23 44 zon Christus de -: hield op te schijnen Ps. 89 :37 zon Davids troon gelijk de - Micha 3 :6 zon fig. - zal ondergaan Pred. 11 :7 zon het is den ogen goed de - te aanschouwen Marcus 4 :6 zon hitte Jac. 1 :11 zon hitte van de - Deut. 33 :14 zon inkomsten der - Matth. 5 :45 zon is van God: 'Zijn zon' Matth. 17 :2 zon Jezus' - gezicht straalde als de - Opb. 16 :7 zon kwelling door brandende zon Ps. 148:3 zon looft God 2 Sam. 12 :11 zon ogen der - Ps. 104:19 zon ondergang Jac. 1 :11 zon opgaan: met haar hitte Ps. 113:3 zon opgang en ondergang Matth. 13 :43 zon rechtvaardigen als de zon stralend Lev. 22 :7 zon rein na ondergaan zon Jes. 24 :23 zon schaamrood Joz 10 :12 zon stil staan Joh. 8 :12 zon type van Christus Matth. 24 :29 zon verduisterd Marcus 13 :24 zon verduisterd Matth. 13 :6 zon verschroeiende -: verdrukking of vervolging Marcus 4 :6 zon verschroeit Joel 2 :31 zon wordt veranderd in duisternis Joel 2 :10 zon zwart geworden Ps. 136:7 zon Jes. 49 :10 zon zal niet steken Ps. 109:14 zondaar allen hebben gezondigd Spr. 20 :9 zondaar allen zijn -s 1 Kon. 1 :21 zondaar als - beschouwd en behandeld worden Matth. 12 :33 zondaar bedorven boom Jes. 1 :28 zondaar begrip Gal. 2 :15 zondaar begrip Pred. 9 :2 zondaar begrip: beperkt toegepast Gal. 2 :17 zondaar begrip: dienaar van de zonde Spr. 13 :21 zondaar begrip: kwaaddoener Marcus 2 :15 v zondaar begrip: praktisch slecht mens Marcus 2 :17 zondaar begrip: versus rechtvaardige Pred. 8 :12 zondaar begrip: vreest God niet Pred. 9 :2 zondaar begrip: vs de goede Luk. 15 :7 zondaar begrip: vs. rechtvaardigen Joh. 8 :40 zondaar doet de werken van de satan Joh. 8 :38 zondaar doet wat hij van de satan heeft gehoord 1 Kron. 2 :3 zondaar dood: gedood door God: geval 1 Pe 4 :18 zondaar einde van de - Spr. 28 :24 zondaar en gezelschap Spr. 11 :31 zondaar en goddeloze Jes. 26 :10 zondaar en vergeefse genade 2 Sam. 23 :6 zondaar fig. doorn Joh. 5 :24 zondaar geestelijk dood Lev. 17 :15 zondaar gemeenschap met - Spr. 17 :4 zondaar gerichtheid: op zonde, zondaars Hebr. 7 :26 zondaar gescheiden van de -s: Jezus Jud :15 zondaar goddeloze -s Jud :15 zondaar goddeloze -s: spreken harde woorden tegen God Opb. 22 :15 zondaar groepen van -s 2 Kon 3 :2 zondaar grootte: minder groot dan 2 Kon 21 :6 zondaar grote -: Manasse deed 'zeer veel kwaad in de ogen van de Heer' Marcus 3 :27 zondaar huisraad van de duivel 1 Pe 2 :9 zondaar in de duisternis Joh. 8 :44 zondaar is uit de duivel Marcus 2 :17 zondaar is ziek mens Matth. 5 :46 zondaar kan liefhebben 2 Kon 2 :24 zondaar kind als - 1 Kron. 17 :9 zondaar kind der verkeerdheid Filip. 2 :15 zondaar krom en verdraaid geslacht vormen de zondaars Jac. 5 :19 zondaar leeft in onwaarheid Rom. 1 :29 zondaar lijst van benamingen voor zondaars Hos. 12 :9 zondaar meent soms rechtvaardig te zijn Spr. 13 :6 zondaar omgekeerd: door goddeloosheid Joh. 3 :36 zondaar onder de toorn van God Spr. 29 :27 zondaar ongerechtig man: den rechtvaardige een gruwel 1 Pe 2 :15 zondaar onwetend 1 Pe 1 :14 zondaar onwetende Luk. 7 :37 zondaar onze houding tot -: trekken wij aan of stoten wij af Marcus 14 :41 zondaar overgeleverd worden in de handen van de -s: Jezus Ps. 5 :5 v zondaar -s Luk. 6 :32 zondaar -s doen goed Luk. 6 :32 zondaar -s hebben lief Jes. 33 :14 zondaar -s kunnen niet bij God wonen Luk. 6 :34 zondaar -s lenen Luk. 6 :35 zondaar -s ondankbaren, bozen Ri 11 :3 zondaar -s voegen zich bij Jezus Ps. 1 :1 zondaar staat niet in de weg der -en 1 Tim. 1 :9 zondaar terechtwijzen door de wet Col. 1 :21 zondaar toestand Ps. 5 :10 zondaar trekken des -s 1 Tim. 1 :16 zondaar trekken: door een voorbeeld Joh. 8 :38 zondaar vader: satan 1 Sam. 15 :18 zondaar verbannen der zondaars, i.c. de Amalekieten Spr. 11 :31 zondaar vergelding op de aarde ontvangt hij Ez. 7 :24 zondaar verschil in -s Luk. 5 :32 zondaar versus rechtvaardige 1 Pe 4 :18 zondaar versus rechtvaardige Spr. 13 :21 zondaar vervolging: door het kwaad 1 Tim. 1 :15 zondaar voornaamste - Pred. 8 :12 zondaar voorspoed: schijnbaar Ps. 139:19 v zondaar wat een - is tegenover God (toepassing) Rom. 5 :8 zondaar wij waren -s Luk. 7 :37 zondaar wordt door Jezus aangetrokken; niet afgestoten Luk. 5 :31 v zondaar ziek Matth. 9 :12 zondaar zieke Matth. 26 :45 zondaar Matth. 22 :9 zondaars goeden en bozen Luk. 7 :37 zondares begrip: levend in duidelijke zonde Joh. 8 :34 zonde - doen 2 Kon 3 :3 zonde aanhangen: iem. - aanhangen 1 Pe 4 :1 zonde afdoen met -: door lijden Hebr. 12 :1 zonde afleggen 1 Pe 2 :1 zonde afleggen: krachtens wedergeboorte Jer 5 :24 zonde afleren: God voorziet immers 2 Kon 15 :9 zonde afwijken van -n: niet afwijken 2 Kon 15 :18 zonde afwijken van -n: niet afwijken Spr. 16 :6 zonde afwijken van: door de vreze des HEEREN Joh. 8 :7 zonde allen zijn met - Gal. 3 :22 zonde alles onder de zonde 1 Sam. 19 :9 zonde als afgunst en haat opent de deur voor demonische invloeden: Saul Hos. 10 :13 zonde als vrucht, oogst 1 Kon. 15 :26 zonde anderen met een - doen zondigen Jac. 5 :20 zonde bedekken: -n bedekken Micha 2 :1 zonde bedenken en daarna uitvoeren Hebr. 3 :13 zonde bedrieglijke van de zonde Jes. 57 :20 zonde beeld: slijk, modder Gen. 4 :7 zonde begeerte der - is tot ons Jac. 4 :17 zonde begrip Deut. 9 :21 zonde begrip: zonde als product van kwaad doen, bijv. afgodsbeeld Matth. 1 :21 zonde behouden van -n 1 Sam. 26 :21 zonde belijden Spr. 28 :13 zonde belijden Spr. 28 :13 zonde belijden en nalaten Matth. 3 :6 zonde belijden van -n Nu 5 :7 zonde belijden: nodig 2 Sam. 24 :17 zonde belijden: door David Matth. 27 :4 zonde belijden: geval Ex. 9 :27 zonde belijden: oppervlakkig 2 Kon 18 :14 zonde belijden: zonde tegen een andere koning: door Hizkia Ps. 113:6 zonde belijdenis 1 Kron. 21 :8 zonde belijdenis: David over de volkstelling Ri 10 :10 ,15 zonde belijdenis: door Israel: geval 2 Sam. 19 :19 zonde belijdenis: geval 2 Sam. 24 :10 zonde belijdenis: geval 2 Kon 17 :9 zonde bemantelen Jes. 6 :6 zonde besef: door ontmoeting met God 1Jo 5 :16 zonde betekenis: zondigen Jes. 5 :18 zonde bevorderen Joh. 8 :36 zonde bevrijding van de -: door de Zoon Joh. 8 :34 zonde bevrijding van de -: door waarheid Ex. 32 :34 zonde bezoeken Amos 3 :2 zonde bezoeken over iem. Ex. 20 :5 zonde bezoeken: aan de kinderen Rom. 7 :13 zonde blijken zonde te - Ps. 55 :16 zonde breidt zich vanuit het hart uit Joh. 8 :24 zonde Christus over -, vs 24 1Jo 1 :9 zonde daad: bekennen 1 Pe 4 :8 zonde daad: liefde bedekt een menigte van -n 1Jo 1 :7 zonde daad: reiniging: door Christus' bloed Lev. 20 :14 zonde daad: schandelijke - in het midden des volks 1Jo 2 :2 zonde daad: verzoening voor 1 Kon. 14 :22 zonde daad: zonden zondigen Jac. 5 :16 zonde daden: belijden Spr. 10 :12 zonde de liefde dekt alle overtredingen toe Deut. 22 :26 zonde des doods: dader te doden Ps. 59 :13 zonde des monds: vloek, leugen 2 Kon 15 :9 zonde die anderen doet zondigen Nu 5 :6 zonde doen Jac. 2 :9 zonde doen: de persoon aanzien, arme achterstellen 1 Pe 2 :22 zonde doen: geen - gedaan: Jezus 1Jo 3 :8 zonde doen: uit de duivel zijn Jer 6 :8 zonde doet God van ons weggaan Opb. 2 :23 zonde dood- Rom. 7 :8 zonde dood: de - is de zonder wet Deut. 21 :22 zonde dood: zonde tot de dood Deut. 15 :9 zonde door nalatigheid Lev. 20 :20 zonde dragen Lev. 22 :9 zonde dragen Ez. 4 :5 zonde dragen Lev. 24 :15 zonde dragen: zijn eigen - dragen Nu 9 :13 zonde dragen: zijn eigen - dragen 2 Sam. 24 :10 zonde dwaasheid Joz 7 :15 zonde dwaasheid genoemd 1 Pe 4 :2 zonde en begeerte 1 Pe 4 :1 -2 zonde en begeerten van mensen Jac. 1 :15 zonde en dood Spr. 24 :9 zonde en dwaasheid : de gedachte der dwaasheid is - Spr. 14 :22 zonde en dwaling Ez. 33 :10 zonde -en en ongerechtigheden op je zijnde Spr. 14 :2 zonde en houding tot God Hebr. 12 :1 zonde en last 1 Pe 4 :8 zonde en liefde: liefde bedekt een menigte van zonden Gen. 4 :7 zonde en niet weldoen Ex. 34 :7 zonde en ongerechtigheid en overtreding Ri 2 :10 v zonde en onwetendheid Nu 5 :6 zonde en overtreding 1 Kron. 2 :7 zonde en volk: kan volk beroeren: Achan 1Jo 3 :4 zonde en wetteloosheid Jac. 5 :15 zonde en ziekte 1 Tim. 5 :8 zonde erger dan een ongelovige doen Hos. 4 :8 zonde eten, zich ermee voeden Hebr. 8 :12 zonde gedenken van zonden: door God: geenszins meer Hebr. 10 :17 zonde gedenken van zonden: door God: geenszins meer Ez. 33 :16 zonde gedenken: door God 1 Tim. 5 :22 zonde gemeenschap hebben met -n van anderen Opb. 18 :4 zonde gemeenschap met -(n) hebben Ex. 20 :5 zonde 'generational' - Hebr. 11 :25 zonde genieting van de -: tijdelijk Luk. 10 :39 zonde genoemd door Jezus: roof, boosheid Hebr. 11 :25 zonde genot verschaffend, tijdelijk Deut. 23 :21 zonde geval van -: belofte niet nakomen Jes. 58 :10 zonde geval: juk Jes. 58 :10 zonde geval: spreken der ongerechtigheid Jes. 58 :10 zonde geval: uitsteken des vingers 2 Sam. 12 :13 zonde gevolg: dood Jac. 5 :20 zonde gevolg: dood Jer 4 :18 zonde gevolg: ellende Ps. 107:17 zonde gevolg: plaag 1 Kon. 16 :2 zonde gevolg: toorn Gods Deut. 11 :17 zonde gevolg: toorn Gods, straf 2 Kon 17 :11 zonde gevolg: toorn van God Hos. 5 :5 zonde gevolg: vallen 1 Kon. 14 :22 zonde gevolg: verwekt Gods toorn Jer 5 :6 zonde gevolg: vijanden rondom Jes. 64 :7 zonde gevolg: wij smelten Jes. 64 :6 zonde gevolg: ze voeren ons henen weg als een wind 2 Kron. 6 :24 zonde gevolg: zwakte 1 Kon. 8 :35 v zonde gevolgen Gen. 4 :11 v zonde gevolgen van de zonde 1 Sam. 2 :17 zonde groot zijn van - 2 Tim. 2 :16 zonde grootte, vgl goddeloosheid: toenemende Ex. 32 :21 zonde grote - Ex. 32 :30 zonde grote - 2 Kon 17 :21 zonde grote - Ez. 8 :15 zonde grote en grotere -n Pred. 10 :4 zonde grote -n 2 Sam. 13 :16 zonde groter - Joh. 19 :11 zonde groter - Joh. 19 :11 zonde hebben van een - Ps. 65 :4 zonde heerschappij Spr. 4 :27 zonde houding t.o.: wend uw voet af van het kwade Ps. 101:3 v zonde houding tegenover -: afkerig van de - zich houden 2 Thess.2 :12 zonde houding tegenover -: welgevallen Lev. 4 :23 zonde iem. zijn - bekend maken: overste Joz 22 :20 zonde in de gemeente: gevolg voor hele vergadering Joh. 8 :21 zonde in de zin van totaal van je -n, vgl. vs 24 2 Cor. 2 :5 zonde in gemeente: bedroeft Jer 17 :1 zonde in het hart gegrift 1 Kon. 8 :38 zonde in het hart: plage des harten 1Jo 3 :5 zonde in iem.: in Christus is geen zonde Deut. 21 :22 zonde in iemand zijnde 2 Sam. 14 :32 zonde in iemand zijnde, na jaren van de daad Lev. 22 :9 zonde in je - sterven Deut. 24 :15 zonde in u Deut. 23 :21 zonde in u: gelofte niet vervullen Spr. 21 :4 zonde inwendige -: hoogmoed, trotsheid Rom. 7 :7 zonde kennen van de -: door de wet Jac. 1 :15 zonde kind gelijk Rom. 7 :9 zonde leeft op door de wet Rom. 1 :29 zonde lijst van -n 2 Kon 14 :6 zonde loon van de - is de dood Marcus 14 :11 zonde loon: korte en lange termijn: geld en dood 1 Sam. 25 :28 zonde -loosheid: Davids - Jer 5 :25 ,21 zonde maakt doof en blind Spr. 20 :9 zonde maakt onrein Jes. 59 :2 zonde maakt scheiding God - ons Marcus 3 :29 zonde maakt schuld Nu 5 :6 zonde maakt schuldig 1 Kon. 14 :22 zonde maat 1 Thess.2 :16 zonde maat van -n vol maken Micha 2 :1 zonde macht + zondig hart = ellende 2 Thess.2 :3 zonde mens van de zonde Nu 5 :6 zonde menselijke - Jona 1 :2 zonde merkbaar voor God 2 Sam. 24 :10 zonde misdaad Dan. 4 :27 zonde -n afbreken: door gerechtigheid Jer 14 :10 zonde -n bezoeken door God Hos. 9 :9 zonde -n bezoeken: door God Pred. 10 :4 zonde -n stillen Jes. 58 :1 zonde -n verkondigen Ef. 4 :31 zonde -n wegdoen 1Jo 3 :5 zonde -n wegnemen: door Christus Gal. 1 :4 zonde -n: Christus heeft zichzelf gegeven voor onze -n Joh. 8 :24 zonde -n: in je - sterven 1Jo 4 :10 zonde -n: oplossing: zoenoffer Opb. 1 :6 zonde -n: verlossen van -n Jes. 59 :3 zonde -n: voorbeelden 2 Kron. 18 :24 v zonde -n:gevolgen voor een volk (oordelen) Spr. 28 :13 zonde nalaten 1Jo 3 :9 zonde nalaten: die uit God geboren is: omdat Diens zaad in hem blijft Spr. 14 :34 zonde nationale -: schandvlek 2 Kon 10 :29 zonde navolgen van zonden: door Jehu 2 Kon 13 :2 zonde nawandelen Matth. 18 :8 zonde neiging tot -: afhakken, doden, vgl. doodt uw leden Opb. 3 :18 zonde niet meteen openbaar maken 1Jo 5 :17 zonde niet tot de dood Joh. 7 :7 zonde noemen: door Jezus Hebr. 10 :17 zonde offerande voor de - Hebr. 5 :3 zonde offeren voor de -n Hebr. 12 :1 zonde omstrikt ons licht Jes. 3 :8 zonde onbeschaamd spreken over zijn -n 2 Kon 17 :2 zonde onderscheid in zwaarte Ef. 4 :31 zonde ondeugden: opsomming Ef. 5 :3 zonde ondeugden: opsomming Jes. 6 :7 zonde ongerechtigheid doen wijken Jer 14 :10 zonde ongerechtigheid gedenken door God Lev. 16 :16 zonde onreinigheden van een volk Matth. 9 :2 zonde ons grootste probleem Spr. 28 :24 zonde ontkennen 1 Tim. 6 :11 zonde ontvlucht - Hebr. 10 :26 zonde onvergeefbare - Nu 30 :23 zonde onze - zal ons vinden (zedelijke natuurwet) 1 Pe 2 :24 zonde onze -n gedragen door Jezus in zijn lichaam 1 Tim. 5 :24 zonde openbare en verborgen - Gen. 4 :7 zonde over de - heersen Spr. 28 :13 zonde overtreding: bedekken Spr. 28 :13 zonde overtreding: bekennen Ez. 16 :2 zonde overtuigen van -: gruwelen bekend maken 1 Sam. 2 :17 zonde praktijk Jac. 1 :14 zonde proces Hebr. 1 :3 zonde reiniging der -n: door de Zoon tot stand gebracht Lev. 16 :30 zonde reiniging van alle -n 1 Sam. 14 :32 zonde risico hoger door gebrek 2 Cor. 7 :11 zonde seksuele: rein zijn bij Hebr. 5 :1 zonde slachtoffers voor de -en Hebr. 7 :27 zonde slachtoffers voor de -en Joh. 8 :34 zonde slavernij van de - Ez. 18 :18 zonde sterven in je - 1 Kon. 16 :3 zonde straf: nakomelingen wegdoen Hebr. 12 :4 zonde strijd tegen de - 1 Tim. 6 :11 zonde strik, te ontvluchten, vgl. vers 9 Spr. 29 :16 zonde toename als de goddelozen velen worden 1Jo 5 :16 zonde tot de dood Jer 18 :23 zonde uitdelgen: door God Lev. 4 :14 zonde v.e. vergadering: bekend worden Lev. 19 :17 zonde van de ander: hem berispen Lev. 19 :17 zonde van de ander: niet te verdragen 2 Kon. 23 :32 zonde van generaties Jac. 4 :17 zonde van nalatigheid Ps. 103:10 zonde vergelden: God doet ons niet naar onze zonden Luk. 1 :77 zonde vergeven en behoudenis Joh. 20 :23 zonde vergeven vs houden Matth. 12 :31 zonde vergeven, niet vergeven Col. 1 :14 zonde vergeving van de -n Luk. 7 :48 zonde vergeving van zonden: verklaard Rom. 7 :14 zonde verkocht onder de - Micha 3 :8 zonde verkondigen Spr. 9 :6 zonde verlaten en leven Marcus 9 :43 v zonde verleiding tot -: afkappen Rom. 7 :11 zonde verleidt Jer 3 :21 zonde veroorzaakt moeite Lev. 24 :21 zonde verschil in zwaarte 2 Kon 21 :9 zonde verschil in zwaarte Jer 7 :26 zonde verschil: erger maken dan je vader Spr. 22 :25 zonde verstrikt 1 Tim. 5 :25 zonde versus goed werk Jer 25 :6 v zonde vertoornt God en maakt dat hij ons kwaad aanbrengt Ex. 32 :30 zonde verzoening doen over - Deut. 23 :14 zonde verzwakt ons doordat God afkeert Col. 1 :21 zonde vijandschap tegen God Gen. 39 :12 zonde vluchten voor de - Spr. 5 :22 zonde voert tot gebondenheid 1 Tim. 5 :24 zonde voert tot gericht Spr. 14 :34 zonde volk: de - is een schandvlek der natiën Lev. 19 :29 zonde volkszonde 1 Tim. 5 :20 zonde voorkomen door openbare tuchtoefening Hos. 7 :2 zonde voorkomen: aan God denken Deut. 17 :13 zonde voorkomen: zien op gevolgen: door het volk Hos. 7 :3 zonde vreugde voor andere zondaars Gen. 4 :6 zonde waarschuwing tegen -: door God 2 Kon 17 :22 zonde wandelen in alle -n van Jerobeam: kinderen Israels 1Jo 5 :17 zonde wat is -: alle ongerechtigheid is - Lev. 16 :22 zonde wegdoen verre 2 Sam. 12 :13 zonde wegnemen: door God Jer 5 :24 zonde wendt het goede van ons af Joh. 15 :22 zonde wereldprobleem nr. 1 Rom. 7 :8 zonde werking: opgewekt door de wet Micha 7 :19 zonde werpen door God in diepte van de zee Jes. 3 :9 zonde wet van zaaien en oogsten 2 Thess.2 :4 zonde wezen: God willen zijn 2 Thess.2 :7 zonde wezen: wetteloosheid Jes. 59 :15 zonde wijken van -: dwaas geacht (Rotherham transl.) 2 Kon 14 :24 zonde wijken van -n: dat nalaten 1 Tim. 6 :10 zonde wortel van - Spr. 3 :7 zonde zie ook Kwaad zonde zie ook Kwaad zonde zie ook Werk: dode werken Deut. 15 :9 zonde zondedaad: in ons Gen. 39 :14 zonde zonden gaan samen: voorbeeld: Potifars vrouw overspel en leugen 1 Sam. 2 :23 zonde zondige daad: "boos stuk" Ez. 9 :4 zonde zuchten over de - gewaardeerd door God 2 Sam. 12 :9 zonde 2 Kon 21 :11 zonde erger - Jes. 1 :18 zonde verandering van -: van rood naar wit Col. 3 :5 zonde zondige dingen te doden Joh. 14 :30 zondeloos Jezus Deut. 9 :7 zonden gedenken: ter voorkoming hoogmoed Jes. 59 :12 zonden getuigen tegen ons Col. 3 :8 zonden onze houding t.o. onze -: afleggen Col. 3 :5 zonden opsomming Col. 3 :8 zonden opsomming Hos. 4 :1 zonden v.e. volk Jes. 59 :12 zonden zijn bij ons Gen. 5 :29 zondeval gevolg Filip. 3 :21 zondeval lichaam vernederd Micha 7 :17 zondeval verwijzing naar - Jes. 1 :4 zondig begrip Amos 9 :8 zondig koninkrijk Gen. 42 :22 zondigen aan iem. Gen. 39 :9 zondigen afhouden van -:door de kennis van God 1 Kon. 8 :46 zondigen alle mensen - 2 Cor. 2 :5 zondigen bedroeft medegelovigen Ps. 141:4 zondigen begint met hartsneiging tot kwaad Joh. 3 :20 zondigen begrip: kwade dingen bedrijven 1Jo 1 :10 zondigen beweren niet gezondigd te hebben 1 Pe 4 :15 zondigen christen kan - 1Jo 5 :18 zondigen die uit God geboren is doet het niet 1 Kon. 16 :2 zondigen doen -: een volk 1 Kon. 21 :22 zondigen doen -: een volk 2 Kon 15 :18 zondigen doen -: een volk doen - 2 Kon 21 :11 zondigen doen -: een volk doen - 1 Kon. 22 :53 zondigen doen -: Israel Pred. 7 :20 zondigen doen we allen 1 Sam. 19 :5 zondigen door de ander: trachten te beletten 1Jo 5 :16 zondigen door een ander: wij bidden Matth. 18 :15 zondigen door een broeder: wat te doen 1 Tim. 5 :20 zondigen door een christen Gal. 2 :17 zondigen door een christen: oorzaak: wetticisme 1 Tim. 5 :8 zondigen door een gelovige Deut. 24 :4 zondigen door een land (grond) doordat de inwoners zondigen Spr. 30 :9 zondigen door een rechtvaardige: tast Gods naam aan Tit. 3 :11 zondigen door een sektarisch mens 1 Sam. 25 :26 v zondigen door God verhinderd: Abigail Spr. 19 :2 zondigen door haast Nu 30 :5 zondigen door overmacht: vergeving 1Jo 3 :8 zondigen duivel zondigt van het begin af 2 Kon 3 :3 zondigen een volk doen - Jer 9 :3 zondigen en God niet kennen Ri 3 :7 zondigen en God vergeten 1 Kon. 8 :46 zondigen en goddeloos handelen Deut. 5 :9 zondigen en haat tot God Joh. 3 :21 zondigen en leven met leugens Jer 3 :25 zondigen en ongehoorzaamheid 1 Kon. 8 :50 zondigen en overtreden 1 Kon. 8 :46 zondigen en verkeerd doen Spr. 8 :36 zondigen en zijn eigen ziel geweld aandoen 1 Kon. 16 :25 zondigen erger - 1 Kon. 16 :30 zondigen erger - 2 Kron. 33 :9 zondigen erger doen dan de verdreven heidenen Pred. 5 :5 zondigen geprikkeld door eigen spreken 1 Kon. 21 :26 zondigen gruwelijjk - 1Jo 2 :1 zondigen hulp na: Christus onze voorspraak Rom. 2 :12 zondigen in de zonde leven hier 1Jo 3 :6 zondigen in de zonde leven: dan heb je Hem niet gezien of gekend Jes. 59 :3 zondigen in het spreken Ez. 2 :3 zondigen is overtreden tegen God Joh. 5 :14 zondigen Jezus over - Hos. 4 :7 zondigen meer - Hebr. 10 :26 zondigen moedwillig 1 Sam. 2 :24 zondigen n.a.v. een slecht voorbeeld 1Jo 3 :9 zondigen niet kunnen - : omdat je uit God geboren bent 2 Kon 16 :3 zondigen oorzaak: invloed slechte voorbeelden Deut. 30 :17 zondigen proces van - 2 Kon 13 :3 zondigen straf: verdrukking Ps. 106:6 zondigen synoniem: goddeloos handelen Ps. 106:6 zondigen synoniem: verkeerd doen 1 Thess.5 :15 zondigen tegen een broeder - 2 Kon 18 :14 zondigen tegen een koning: door Hem af te vallen: geval 1 Sam. 2 :25 zondigen tegen een mens - Micha 7 :9 zondigen tegen God: door profeet Micha 2 Sam. 12 :13 zondigen tegen God: geval: overspel en moord 2 Kron. 6 :24 zondigen tegen God: gevolg: nederlaag Ps. 119:11 zondigen tegen God: voorkomen: door Gods woord in te prenten 1 Sam. 19 :5 zondigen tegen iem. 1 Sam. 24 :12 zondigen tegen iem. Matth. 18 :21 zondigen tegen iemand 2 Kron. 6 :22 zondigen tegen je naaste 1 Thess.5 :15 zondigen tegen ons : onze houding Spr. 20 :2 zondigen tegen: zijn ziel Amos 4 :4 zondigen tot - overgegeven 1Jo 5 :16 zondigen tot de dood Spr. 25 :26 zondigen voor het aangezicht van de wereld Spr. 5 :7 v zondigen voorkomen 1Jo 2 :1 zondigen voorkomen 2 Cor. 13 :7 zondigen voorkomen bij anderen: door gebed Spr. 5 :21 zondigen voorkomen: bedenken dat God je weg ziet en weegt Ex. 20 :20 zondigen voorkomen: door God 1Jo 3 :6 zondigen voorkomen: door in Christus te blijven Ps. 119:11 zondigen voorkomen: door memorisatie van Schrift Jer 11 :15 zondigen vreugde in - Matth. 13 :41 zondigen wetteloosheid doen 3Jo :11 zondigen wie kwaad doet heeft God niet gezien Nu 8 :21 zondigen zich ont- zondigen zie ook Aanstoot Rom. 2 :12 zondigen zonder wet - (de heidenen die zondigen) Joh. 5 :14 zondigen zondig niet meer! Joh. 8 :11 zondigen zondig voortaan niet meer! 1 Tim. 5 :8 zondigen zwaarder dan een ongelovige Hebr. 13 :12 zondoffer Jezus als - Ex. 29 :14 zondoffer waar verbrand Gen. 6 :17 zondvloed doel: verderven al wat leeft Gen. 7 :19 v zondvloed wereldwijd Matth. 24 :38 zondvloed Spr. 8 :36 zonigen tegen de wijsheid Hebr. 12 :6 zoon aannemen tot -: door God 1 Sam. 25 :8 zoon betekenis: uitdrukking van onderdanigheid en jonkheid 1 Kron. 17 :13 zoon Davids - zou God t een - z Luk. 18 31 zoon des mensen Spr. 17 :2 zoon die beschaamd maakt Spr. 10 :5 zoon die beschaamt maakt 2 Kon 16 :3 zoon door vuur doen gaan 2 Kon 3 :27 zoon eerstgeboren - Joh. 12 :36 zoon -en vh licht Joh. 3 :16 Zoon eniggeboren - 1 Sam. 1 :24 zoon gewijd en geofferd aan God: Samuel (3 of 4 jaar oud) Matth. 17 :26 zoon Gods zoon en hun vrijheid Matth. 14 :33 zoon Gods Zoon: Jezus Hebr. 12 :8 zoon Gods: wordt getuchtigd 1Jo 5 :12 Zoon hebben: door de heilige Matth. 11 :27 Zoon kennen, de - k door openbaring door de Vader, vgl. vs 25 Matth. 11 :27 Zoon kennen: alleen de Vader 1 Kron. 7 :21 zoon leed dragen om de moord op enkele zonen 1 Sam. 3 :16 zoon mijn - Samuel: gezegd door Eli 1 Kron. 28 :6 zoon Salomo als een - van God 2 Kon 3 :27 zoon type van Zoon geofferd door de Vader Gal. 3 :7 zoon van Abraham: op grond van geloof Luk. 6 :35 zoon van de Allerhoogste zijn: gedragskenmerken Matth. 13 :38 zoon van de boze Matth. 23 :15 zoon van de hel Luk. 10 :6 zoon van de vrede Hebr. 6 :6 Zoon van God: kruisigen 1 Kron. 22 :10 zoon van God: Salomo een - van God 1 Kron. 28 :6 zoon van God: uitverkoren t een -: Salomo Matth. 5 :9 zoon van God: vredestichters Marcus 13 :32 Zoon van God: weet niet alles Luk. 20 36 zoon van God: wij Matth. 5 :43 zoon van God: worden: door vijanden lief te hebben en goed te doen Matth. 13 :38 zoon van het Koninkrijk Joh. 17 :12 zoon van het verderf: Judas Ps. 144:12 zoon vergelijking met plant Spr. 28 :7 zoon verstandig - Matth. 17 :25 zoon vs. vreemde Spr. 5 :1 zoon wij een - van de Vader, vs 7 Ef. 1 :5 zoon wij zijn bestemd tot het -schap voor God Spr. 15 :20 zoon wijs - verblijdt de vader Spr. 10 :5 zoon wijs - verzamelt in de zomer Spr. 10 :1 zoon wijs -: verblijdt de vader Spr. 13 :1 zoon wijze -: hoort de tucht van de vader 2 Kon 8 :9 zoon woord gebruikt om onderdanigheid uit te drukken Zoon zie ook Jezus, Christus 2 Kon 1 :17 zoon zonder -: Ahazia Marcus 3 :28 zoon zonen der mensen: mensenkinderen Luk. 20 36 zoon zonen van de opstanding Hebr. 2 :10 zoon zonen van God Gal. 3 :26 zoon zonen van God: zijn wij Spr. 10 :1 zoon zot -: bedroeft Spr. 19 :13 zoon zotte -: grote ellende voor zijn vader Spr. 17 :25 zoon zotte -: verdriet voor zijn vader en moeder Rom. 9 :4 zoonschap van de Israelieten Rom. 8 :23 zoonschap verwachting van het - Luk. 8 :14 zorg Christus over -en Luk. 21 34 zorg -en vh leven Luk. 8 :14 zorg gevaar van -en Deut. 29 :5 zorg Gods - tijdens woestijnreis Matth. 13 :22 zorg leven: - vh l: verstikkend 2 Tim. 2 :4 zorg van het leven 1 Tim. 5 :4 zorg verantwoordelijkheid voor Hebr. 12 :15 zorg voor elkaar, in de gemeente Ps. 55 :23 zorg werp uw zorg op de Heer Marcus 4 :19 zorg zorgen van het leven Spr. 14 :16 zorgeloos zot is - 1 Pe 5 :7 zorgen door God: voor ons 1 Tim. 5 :8 zorgen verzuimen te - Ps. 142:5 zorgen voor iemands ziel Spr. 26 :5 zot antwoord de - naar zijn dwaasheid Spr. 26 :4 zot antwoord hem niet naar zijn dwaasheid Spr. 13 :16 zot breidt dwaasheid uit Spr. 10 :23 zot doet schandelijkheid als spel Spr. 14 :33 zot dwaasheid in zijn hart wordt bekend Spr. 15 :2 zot dwaasheid: de mond der zotten stort overvloedig dwaasheid uit Spr. 15 :14 zot dwaasheid: de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden Spr. 26 :11 zot dwaasheid: herneemt zijn dwaasheid Spr. 26 :1 zot eer past hem niet Spr. 26 :8 zot eer past hem niet Spr. 13 :19 zot gruwel voor de -: van het kwade af te wijken Spr. 1 :22 zot haat wetenschap Spr. 15 :7 zot hart der -ten Pred. 7 :4 zot hart der -ten is in het huis der vreugde Spr. 12 :23 zot hart: zijn hart roept dwaasheid uit Spr. 15 :20 zot mens: veracht zijn moeder Spr. 21 :20 zot mens: verslindt goederen Spr. 3 :35 zot neemt schande op zich Spr. 26 :3 zot roede voor de rug der -ten Spr. 26 :7 zot spreuk in de mond der -ten Spr. 12 :23 zot versus kloekzinnige Spr. 26 :9 zot wijsheid past hem niet 2 Kon 2 :21 zout Christen, - der aarde Marcus 9 :50 zout geeft smaak Matth. 5 :13 zout gelovigen: zout der aarde Marcus 9 :50 zout hebt - in uzelf Marcus 9 :50 zout is goed Job 6 :6 zout verhoogt smaak Marcus 9 :49 zouten met vuur - Marcus 8 :12 zuchten door Christus Rom. 8 :26 zuchten door de Geest Marcus 7 :32 zuchten door Jezus Ez. 21 :6 zuchten geboden Ez. 9 :4 zuchten gewaardeerd door God Jac. 5 :9 zuchten tegen elkaar -: niet doen Rom. 8 :23 zuchten Jes. 35 :10 zuchting zal wegvlieden Deut. 21 :20 zuiper Filip. 1 :10 zuiver doel: - zijn Ps. 119:9 zuiver pad - houden: naar Uw woord Filip. 1 :10 zuiver tegen de dag van Chistus Hebr. 10 :22 zuiveren door besprenkeling: de harten Spr. 20 :9 zuiveren hart - Jac. 4 :8 zuiveren zuivert de harten, wankelmoedigen Marcus 8 :15 v zuiverheid in de leer is belangrijk Matth. 12 :50 zuster geestelijk Marcus 10 :30 zuster geestelijke - Marcus 3 :35 zuster geestlelijk Jac. 2 :15 zuster onderscheiden van broeder Marcus 3 :35 zuster van Christus Marcus 8 :15 zuurdeeg fig. verkeerde leer Matth. 16 :6 zuurdeeg verkeerde leer Deut. 16 :4 zuurdeeg wegdoen Matth. 13 :33 zuurdeeg Jer 47 :6 zwaard des HEEREN Ri 7 :20 zwaard des HEREN 1 Kron. 21 :12 zwaard des HEREN: is de pestilentie Deut. 33 :29 zwaard God is het zwaard van Israels hoogheid Deut. 32 :41 v zwaard Gods Ps. 7 :13 zwaard Gods - Ps. 17 :13 zwaard Gods - Jes. 31 :8 zwaard Gods - Jes. 34 :5 v zwaard Gods - 1 Sam. 18 :4 zwaard Jonathans - Ps. 57 :5 zwaard scherp -: tong als Ps. 149:6 zwaard tweesnijdend - Opb. 2 :16 zwaard van Christus mond: wapen 1 Kron. 21 :30 zwaard van de engel des HEEREN Joz 5 :13 zwaard van een hemeling Ps. 59 :8 zwaard zwaarden op hun lippen Marcus 14 :38 zwak vlees (lichaam) is - Ps. 6 :3 zwak Wees mij genadig, HERE, want ik ben verzwakt 2 Cor. 13 :9 zwak zijn Hebr. 5 :2 v zwakheid begrip Gal. 2 :2 zwakheid besef van eigen -: cognitieve - Hebr. 7 :28 zwakheid bij de hogepriester Joz 7 :4 zwakheid door zonde 2 Cor. 12 :10 zwakheid en sterkte Rom. 8 :26 zwakheid hulp voor onze -: de Geest Matth. 8 :17 zwakheid Jezus heeft onze zwakheden gedragen Hebr. 7 :28 zwakheid kunnen zondigen, struikelen Hebr. 4 :15 zwakheid meelijden met iemands -en Hebr. 5 :2 zwakheid met - omvangen 2 Cor. 12 :9 zwakheid roemen in mijn zwakheden Hebr. 7 :28 zwakheid tegenstelling: volmaaktheid Hebr. 11 :34 zwakheid uit - krachten verkrijgen door geloof Jes. 35 :3 zwakheid versterk je 2 Cor. 12 :10 zwakheid welgevallen in -en Spr. 24 :10 zwakheid Ps. 94 :6 zwakke doden van de -n: door de goddelozen Deut. 14 :29 zwakke Gods zorg voor zwakken en armen Ex. 22 :21 v zwakke houding t.o. de -n 1 Thess.5 :14 zwakke ondersteunt de -n Ez. 34 :21 zwakke verstoten: fout Ef. 6 :10 zwakte oplossing: sterk je in de Heer 2 Kon 15 :16 zwangere vrouwen in stukken gehouwen door Menahem 1 Sam. 1 :19 zwangerschap bevruchting Ruth 4 :13 zwangerschap gave Gods 1 Sam. 1 :19 zwangerschap gave Gods 1 Sam. 1 :5 zwangerschap zie ook Onvruchtbaarheid Ps. 139:13 zwangerschap Micha 3 :6 zwart fig. dag zal - worden valse profeten 2 Kon 20 :7 zweer genezen Ez. 44 :18 zweet verboden 1 Pe 4 :3 zwelgpartij wandelen in -en Jac. 5 :12 zweren bij de hemel, bij de aarde 1 Sam. 28 :10 zweren bij God: geval 1 Kon. 2 :23 zweren bij God: geval Hebr. 6 :13 zweren door God Hebr. 6 :16 zweren door mensen: bij een meerdere Matth. 26 :74 zweren door Petrus Marcus 14 :71 zweren door Petrus Joz 2 :12 zweren geval Ps. 132:2 zweren Gode -: geval Matth. 14 :7 zweren hier verkeerd Jac. 5 :12 zweren niet doen Lev. 19 :12 zweren valselijk Ps. 132:11 zweren waarheid: de w - Matth. 5 :33 v zweren Matth. 23 :16 v zweren Ps. 56 :9 zwerven om-: David Tit. 1 :10 zwetser Joh. 19 :9 zwijgen door Christus Matth. 15 :23 zwijgen door Jezus Matth. 27 :12 zwijgen door Jezus Marcus 14 :60 v zwijgen door Jezus Marcus 15 :4 v zwijgen door Jezus Luk. 23 9 zwijgen door Jezus Joh. 19 :11 zwijgen door Jezus Marcus 9 :33 zwijgen door Jezus: hij vroeg later Jes. 64 :12 zwijgen Gods - bevraagd Ps. 50 :21 zwijgen Gods -: t.o. kwaad Jes. 63 :15 zwijgen Gods: vragen over Spr. 11 :12 zwijgen mogelijk teken van groot verstand Marcus 10 :48 zwijgen opleggen aan een roepende tot Jezus Marcus 9 :34 zwijgen uit schaamte Joh. 7 :13 zwijgen uit vrees voor andersdenkenden Spr. 11 :12 zwijgen voordeel zwijgen zie ook Verzwijgen Marcus 3 :4 zwijgen