Lev. 16 :31 sabbat - der rust: grote verzoendag Ex. 16 :29 sabbat aan Israel gegeven Matth. 12 :1 sabbat aren plukken op de - Col. 2 :16 sabbat christen niet onderworpen aan Lev. 23 :32 sabbat der rust Deut. 5 :14 sabbat des HEEREN Deut. 5 :15 sabbat doel: gedenken Deut. 5 :14 sabbat doel: rusten Ex. 34 :21 Sabbat gebod Lev. 23 :3 sabbat gebod Deut. 5 :15 sabbat gebode door God: waarom Lev. 26 :2 sabbat geboden Jer 17 :21 sabbat geboden Lev. 19 :3 sabbat Gods spreekt van 'Mijn sabbatten' Lev. 19 :30 sabbat Gods -ten te houden Matth. 12 :8 sabbat Heer van de -: Christus Lev. 23 :3 sabbat heilige samenroeping Marcus 15 :42 v sabbat heiliging van de Lev. 23 :3 sabbat hoogtijdag des HEREN Jes. 56 :6 sabbat houden Lev. 19 :3 sabbat houden: geboden Ex. 35 :2 sabbat is voor God te houden Luk. 4 :31 sabbat leren op de -ten: door Jezus Joh. 5 :17 Sabbat Mijn Vader werkt, op de - ! Marcus 2 :27 sabbat om de mens gemaakt Matth. 12 :5 sabbat ontheiligen en onschuldig zijn Ex. 23 :12 sabbat reden van het gebod: rust is goed voor anderen! Hebr. 4 :9 sabbat rust Lev. 23 :3 sabbat rustdag Ex. 35 :2 sabbat rustdag, geen werkdag Jes. 58 :13 v sabbat te heiligen Ez. 20 :12 sabbat teken Ez. 20 :18 sabbat teken Lev. 25 :2 v sabbat van het land Ex. 31 :16 sabbat voor Israel Ex. 35 :3 sabbat vuur aansteken verboden Ex. 31 :13 v sabbat Lev. 23 :38 sabbat Deut. 5 :12 sabbatdag heiligen: geboden Deut. 5 :12 sabbatdag onderhouden: geboden Ex. 20 :8 -11 sabbatdag te heiligen Matth. 22 :23 Sadduceeen loochenen opstanding Marcus 12 :18 sadduceeen ontkennen de opstanding Luk. 20 27 sadduceeen ontkennen de opstanding Matth. 3 :7 saduceeen adderengebroed Jer 22 :13 salaris inhouden onterecht 2 Kon. 23 :13 Salomo afgoderij 2 Kron. 9 :22 Salomo grootste koning in rijkdom en wijsheid 1 Kon. 4 :24 Salomo koninkrijk: Israel woonde veilig 1 Kon. 4 :24 Salomo koninkrijk: vrede 1 Kron. 22 :9 Salomo man der rust 1 Kon. 4 :34 Salomo type van Christus: koning, wijsheid, roem 1 Kon. 2 :9 Salomo wijs man 1 Kon. 5 :7 Salomo wijsheid erkend door heidense koning 1 Kon. 16 :24 Samaria berg - gekocht en bebouwd Ezra 4 :2 Samaritanen afkomst, vs. 9v 1 Sam. 9 :15 samenbrengen door God: Samuel en Saul Marcus 6 :30 samenkomen bij Jezus Joh. 18 :2 samenkomen Jezus en zijn leerlingen Marcus 7 :14 samenkomen Jezus riep de menigte tot zich Ex. 30 :6 samenkomen met God: bij verzoendeksel Luk. 5 :15 samenkomen om genezen te worden Luk. 5 :15 samenkomen om Hem te horen Deut. 31 :11 samenkomen op de plaats door God verkoren Ps. 107:32 samenkomst activiteit in Marcus 1 :21 samenkomst activiteit in -: leren Marcus 1 :21 samenkomst bezoek: door Jezus Ps. 100:1 v samenkomst blijdschap en lof (toepassing) Jes. 1 :13 samenkomst boze -en Ex. 33 :7 samenkomst buiten de legerplaats Ps. 133:2 samenkomst Christocentrisch (toepassing) Ex. 20 :24 samenkomst daar komt God tot ons Ex. 20 :24 samenkomst daar zegent God Hos. 12 :9 samenkomst dagen der - Rom. 1 :11 -12 samenkomst dienst van het woord in de - Ps. 122:4 samenkomst doel: danken Hebr. 2 :12 samenkomst doel: eredienst en woorddienst Rom. 15 :6 samenkomst doel: mondelinge verheerlijking van God 1 Kron. 16 :29 samenkomst doel: offer brengen Hebr. 10 :25 samenkomst doel: onderlinge vermaning, vertroosting Hebr. 10 :25 samenkomst elkaar vermanen wanneer we bijeen zijn Deut. 12 :18 samenkomst eten Ex. 20 :24 samenkomst gedachtenisplaats Ps. 133:2 v samenkomst Geest en woord Ps. 133:2 samenkomst Geest in de - (toepassing) Ps. 107:32 samenkomst gemeente des volks Ez. 34 :5 samenkomst gemeente: nodig, anders wordt je prooi Ex. 12 :16 samenkomst heilige Lev. 23 :2 samenkomst heilige samenroeping Deut. 12 :12 samenkomst hele huis Rom. 1 :11 -12 samenkomst ieder draagt bij Joz 8 :35 samenkomst kind in de - Ps. 111:1 samenkomst loven in -; God leven in de - Ex. 29 :42 samenkomst met God: bij het altaar Ex. 29 :43 samenkomst met God: doel: heiliging Ps. 92 :14 v samenkomst nut Ps. 133:1 v samenkomst nut Deut. 26 :2 v samenkomst offeren van eerstelingen (toepassing) Deut. 12 :13 samenkomst offerplaats Luk. 9 :14 samenkomst omvang: eetgezelschap 2 Kron. 6 :3 samenkomst staan Neh. 8 :6 samenkomst staan, uit eerbied Ex. 40 :22 samenkomst tent der - Deut. 31 :14 samenkomst tent der - Ex. 40 :32 samenkomst tent der -: ingaan 2 Kron. 1 :3 samenkomst tent der -: Salomo e.a. gingen naar Hebr. 10 :26 samenkomst verzuim en zonde Hebr. 10 :25 samenkomst verzuimen: laten wij onze eigen - niet verzuimen Joz 8 :34 samenkomst voorlezing der wet Deut. 26 :11 samenkomst vrolijkheid in (toepassing) Deut. 12 :12 samenkomst vrolijkheid, v7 Joz 8 :35 samenkomst vrouwen in de - Deut. 14 :26 samenkomst weest vrolijk over Gods zegen samenkomst zie ook Samenroeping Lev. 23 :2 samenroeping heilige samenroeping Ex. 28 :41 samenvatting vgl. 29:1v voor de details Pred. 4 :9 samenwerken goed 1 Kon. 21 :11 samenzweren met de overheid: onterecht hier 1 Sam. 30 :25 Samuel boek: onstaanstijd 1 Sam. 16 :4 Samuel ontzag voor 1 Sam. 7 :6 Samuel richter 1 Sam. 7 :15 Samuel richter 1 Kron. 9 :22 Samuel ziener Marcus 15 :1 Sanhedrin Opb. 4 :3 sardius robijn, donkerrode steen Matth. 16 :23 satan aanstoot voor Christus Matth. 16 :23 satan bedenkt de dingen van de mensen Marcus 8 :33 satan bedenkt de dingen van de mensen Joh. 12 :31 satan buitengeworpen Opb. 2 :24 satan diepten van de - Luk. 22 32 satan doel: afval der gelovigen Col. 1 :13 satan duisternis 2 Cor. 12 :7 satan engel van -: sloeg Paulus 1 Sam. 17 :34 satan fig. leeuw 2 Cor. 2 :11 satan gedachten: we kennen ze Opb. 2 :9 satan godsdienst van de - 2 Sam. 19 :22 satan iem. kan een ander tot - zijn Jac. 3 :7 satan invloed van - op menselijk spreken 1 Thess.2 :18 satan kan verhinderen dat Paulus tot gelovigen komt: isoleren Matth. 16 :17 satan kan woorden inblazen zelfs bij een gelovige Matth. 12 :26 satan koninkrijk van - Marcus 3 :24 satan koninkrijk, huis Luk. 22 3 satan kwam in Judas Job 1 :13 v Satan macht Col. 1 :13 satan macht der duisternis Luk. 22 4 satan mensenmoorder Marcus 4 :15 satan neemt Gods woord weg waar mogelijk Matth. 16 :23 satan ontkent, vgl. verzoeking in Eden Jes. 27 :1 satan oordeel over - Ez. 28 :12 satan oosprong en val van de - Joh. 12 :31 satan overste van deze wereld 1 Kron. 21 :1 satan port aan t zonde: David 1 Kron. 21 :1 satan port aan tot zonde: David Opb. 3 :9 satan skerk: synagoge van de satan 1 Kron. 21 :1 satan speelt in op onze gedachten/gevoelens: David Matth. 12 :29 satan sterk Marcus 3 :27 satan sterke, tov de mensen Opb. 2 :13 satan troon van de - Marcus 3 :23 satan uitdrijven Luk. 22 31 satan verlangt ons te ziften als de tarwe Ps. 91 :13 satan vertreden van 1 Thess.3 :5 satan verzoeker Job 2 :5 Satan verzoekt iem. op zijn behofte Ps. 91 :3 satan vogelvanger (?) 1 Tim. 5 :15 satan volgen Zach. 3 :1 satan wederstaande Jozua 2 Thess.2 :9 satan werking van de - Luk. 22 32 satan wil ons van het geloof afbrengen 2 Cor. 2 :10 satan wil voordeel op ons behalen Opb. 2 :13 satan woonplaats satan zie ook Macht, Overheid 2 Kron. 11 :15 Satanskerk 1 Sam. 19 :6 Saul bekering Hos. 13 :11 Saul door God gegeven in toorn 1 Sam. 20 :13 Saul God is met - geweest 2 Sam. 7 :15 Saul Gods goedertierenheid week van - 2 Sam. 1 :23 Saul goede eigendschappen van - 1 Sam. 14 :45 Saul koninkrijk: neemt het k over Israel in 1 Sam. 15 :35 Saul Samuel droeg leed om hem 2 Sam. 7 :15 Saul weggenomen door God 1 Sam. 24 :17 Saul wenen 1 Sam. 15 :17 Saul zelfbeeld: was klein in zijn ogen Joh. 18 :38 scepticisme aangaande waarheid Spr. 13 :5 schaamte de goddeloze doet zich - aan Jes. 61 :7 schaamte dubbele - Ex. 28 :43 schaamte moet bedekt worden: bij de priesters Ex. 20 :26 schaamte niet ontdekken voor de mensen Jer 8 :12 schaamte zonder - over gruwelen Opb. 16 :15 schaamte Nu 27 :17 schaap schapen zonder herder Ps. 119:176 schaap verloren -: dwaken als een van - Ps. 95 :7 schaap wij zijn de schapen Zijner hand Micha 4 :8 schaapstoren lett 'kuddetoren' Opb. 2 :11 schade lijden 2 Cor. 7 :9 schade lijden: fig. Hebr. 8 :5 schaduw van de hemelse dingen Spr. 15 :17 schamelheid en liefde Ez. 36 :32 schamen bevolen 1 Pe 4 :16 schamen laat hij zich niet - Ps. 119:46 schamen niet - 2 Tim. 1 :8 schamen schaam je niet voor het getuigenis van onze Heer Marcus 8 :38 schamen zich - voor Jezus en zijn woorden Hebr. 2 :11 schamen zich niet - Jer 6 :15 schamen zich niet -: ten onrechte 2 Tim. 1 :7-8 schamen zich schamen: niet nodig Spr. 12 :16 schande bedekken: door de kloekzinnige Spr. 22 :10 schande doen ophouden: spotter uitdrijven Jes. 61 :7 schande dubbele - Spr. 13 :18 schande oorzaak: verwerping tucht Opb. 3 :18 schande van naaktheid Hebr. 12 :2 schande verachten: door Jezus Deut. 23 :14 schandelijk iets -s: onbedekte uitwerpselen in het leger 1 Pe 5 :2 schandelijk schandelijke winst Spr. 24 :8 schandelijk verdichtsel Spr. 10 :23 schandelijkheid doen: als spel Job 36 :14 schandjongen je leven eindigen onder de -s Deut. 23 :17 schandjongen verbod op -ens 1 Kon. 22 :47 schandjongen wegdoen der -s 1 Kon. 15 :12 schandjongen weggedaan uit het land 1 Kon. 14 :24 schandjongen 2 Kon. 23 :7 schandjongens Jes. 49 :9 schapen mensen als - Hebr. 11 :37 schapevacht rondlopen in -en Rom. 8 :21 schapping vergankelijkheid Matth. 27 :28 scharlaken mantel Joz 2 :18 scharlaken type van Christus' bloed Spr. 21 :6 schat arbeiden om -ten, met een valse tong Matth. 6 :21 schat Christus onze - Joz 6 :19 ,24 schat des HEEREN, van het huis des HEEREN Matth. 6 :21 schat en hart Col. 2 :3 schat geestelijke -ten: wijsheid, kennis Spr. 21 :20 schat gewenste -: in de woning van de wijze Matth. 12 :35 schat goede en boze - Spr. 15 :16 schat grote -: betrekkelijke waarde 2 Kon 20 :15 schat Hizkia toonde al de schatten van zijn huis Marcus 10 :21 schat in de hemel Matth. 19 :29 schat in de hemelen hebben Matth. 19 :21 schat in hemelen hebben Spr. 15 :6 schat in het huis des rechtvaadrigen is een grote - Hebr. 11 :26 schat schatten van Egypte Spr. 10 :2 schat -ten der goddeloosheid: geen nut Ex. 12 :36 schat -ten van Egypte meegenomen Amos 3 :10 schat -ten vergaderen: door geweld Luk. 12 :19 schat -ten verzamelen voor jezelf Spr. 27 :24 schat tijdelijk 2 Kon 18 :15 v schat uit Gods huis: afgeven aan vijand 1 Kon. 7 :51 schat van het huis des HEEREN Spr. 2 :4 schat verstandigheid, wijsheid Jac. 5 :3 schat verzamelen van -ten Matth. 6 :19 schat verzamelt geen -ten op de aarde: waarom niet Matth. 6 :20 schat verzamelt u schatten in de hemel schat zie ook Rijkdom Spr. 8 :21 schatkamer vervullen: door de wijsheid 2 Kon. 23 :35 schatplichtig Israel - Gen. 10 :7 Scheba achterkleinkind van Cham Filemon :15 scheiden Onesimus tijdelijk gescheiden van Filemon, opdat deze hem eeuwig zou bezitten Ps. 103:12 scheiden zonde: God doet onze ongerechtigheden ver van ons Matth. 13 :30 scheiding tarwe en dolik, in de oogst Ex. 8 :23 scheiding tussen gemeente en wereld gemaakt 2 Kon 2 :24 schelden geval 1 Pe 3 :9 schelden niet terug- 1 Sam. 20 :31 schelden terwijl jezelf beantwoordt aan de woorden Ps. 106:9 Schelfzee droogvallen Ps. 136:13 Schelfzee verdeeld Jes. 63 :12 schelfzee wateren gekliefd Ps. 148:5 scheppen door het woord Gen. 5 :1 scheppen en maken Matth. 19 :5 scheppen en maken Gen. 6 :7 scheppen en maken, vs. 8 Ruth 4 :12 scheppen kind: door God: uit een vrouw Ps. 148:5 scheppen scheppend spreken Ps. 102:19 scheppen volk - door God Jes. 57 :16 scheppen zielen door God gemaakt Pred. 12 :1 Schepper gedenk aan uw - Ps. 95 :4 v Schepper God als - Jes. 42 :5 Schepper God als - Ex. 31 :17 schepping 7e dag Ps. 102:26 schepping aarde en hemel Col. 1 :16 schepping alle dingen zijn door en tot de Heer geschapen Col. 1 :16 schepping alle dingen zijn in de Zoon van God geschapen Opb. 5 :13 schepping alle schepselen brengen God lof Hebr. 1 :10 schepping begin Opb. 3 :14 schepping begin der - Gods: Christus Marcus 13 :19 schepping begin van de - Spr. 8 :22 schepping begin: wijsheid Opb. 4 :11 schepping bestaan: door Gods wil Jes. 65 :18 schepping bron van vreugde Hebr. 9 :11 schepping deze - versus hemelse schepping Col. 1 :23 schepping die onder de hemel is Hebr. 2 :10 schepping doel, zin Marcus 13 :19 schepping door God geschapen Hebr. 1 :2 schepping door God, door Zoon Opb. 4 :11 schepping door God: door Zijn wil Col. 1 :15 schepping eerstgeborene Marcus 16 :15 schepping en wereld Marcus 16 :15 schepping evangelieprediking aan de hele - Hebr. 1 :3 schepping gedragen door het woord van Zijn (Jezus) kracht Gen. 7 :4 schepping gemaakt door God Matth. 6 :30 schepping God bekleedt het gras Ps. 104:24 schepping God heeft alle werken met wijsheid gemaakt Ps. 95 :1 v schepping God loven om zijn grootheid in de schepping Matth. 6 :25 v schepping God zorgt voor de schepselen Matth. 3 :9 schepping Gods macht Ps. 104:24 schepping Gods werken zijn groot Gen. 1 :31 schepping goed, ctr. 6:12 Marcus 16 :15 schepping hele -: alle mensen Ps. 96 :5 schepping hemelen door God gemaakt Jes. 11 :6 schepping herstel van - Ex. 31 :17 schepping in 6 dagen Hebr. 2 :10 schepping is er door God Hebr. 2 :10 schepping is er om God Hebr. 1 :3 schepping Jezus: draagt alle dingen door het woord van Zijn kracht Ps. 50 :11 schepping kennen: door God: de dieren Ps. 148:1 v schepping love God Ps. 100:3 schepping mens: door God gemaakt, niet door ons Gen. 5 :2 schepping mens: gezegend Ef. 2 :10 schepping nieuw -: wij zijn zijn maaksel Ef. 2 :10 schepping nieuwe -: geschapen in Christus Jezus Ef. 2 :10 schepping nieuwe -: geschapen in Christus Jezus tot goede werken Jac. 1 :18 schepping nieuwe -: voortgebracht door het woord van de waarheid Ps. 148:1 v schepping onderdelen van de - Ps. 95 :4 schepping onderhouden door God Ps. 145:16 schepping onderhouden door God: voedsel Ps. 111:2 schepping onderzoek Hebr. 2 :10 schepping ontstaan Opb. 4 :11 schepping ontstaan: door Gods wil Ps. 148:5 schepping op Gods bevel Luk. 19 40 schepping roept Col. 1 :16 schepping tronen, heerschappijen, overheden, machten Deut. 4 :32 schepping van de mens Rom. 8 :19 schepping verwacht reikhalzend Rom. 8 :20 schepping vrijmaking van de - Rom. 8 :20 schepping vruchteloosheid: daaraan onderworpen Jac. 1 :18 schepping wij eerstelingen van Zijn schepselen Opb. 7 :1 schepping wind door engelen beinvloed schepping zie ook Natuur Rom. 8 :22 schepping zucht Ps. 90 :2 schepping Spr. 8 :24 v schepping Ri 3 :7 schepsel afgoderij: bossen dienen Ps. 107:24 schepsel Gods werk Ps. 148:3 schepsel opgeroepen tot lof aan God Spr. 27 :17 scherpen ijzer scherpt ijzer Ri 21 :15 scheur in de stammen Israels Jud :19 scheuring makers Matth. 26 :49 schijn Judaslus 2 Cor. 10 :9 schijn kwade - voorkomen Luk. 20 47 schijn van godsvrucht Opb. 3 :1 schijn van leven Spr. 14 :12 schijn van rechte weg Jud :12 schijn waterloze wolken Filip. 2 :15 schijnen christenen kunnen als lichten - in de wereld Spr. 16 :25 schijnen recht -: een weg Luk. 20 45 v schijnheilig schriftgeleerden Ps. 3 :4 schild de HERE een - voor mij Spr. 2 :7 schild God een - 2 Sam. 22 :31 schild God een - allen die op Hem betrouwen Spr. 30 :5 schild God een - dengenen die op Hem betrouwen Deut. 33 :29 schild God het - uwer hulp 2 Sam. 22 :3 schild God mijn - Ps. 119:114 schild God mijn - Ps. 144:2 Schild God mijn - Ps. 59 :12 schild God ons - Ps. 115:9 schild God ons - Ps. 18 :3 schild God, mijn - 2 Sam. 22 :36 schild van Uw heil Spr. 15 :4 schizofrenie breuk in de geest (associatie) Marcus 6 :9 schoeisel sandalen aanbinden Spr. 10 :5 school huiswerk, studie (toepassing) 1 Kon. 1 :3 schoon bovenmate 1 Sam. 16 :18 schoon man Gen. 39 :6 schoon van aangezicht 2 Sam. 14 :27 schoon van aanzien: Tamar Gen. 39 :6 schoon van gedaante 1 Kon. 1 :6 schoon van gedaante: man Adonia 2 Sam. 11 :2 schoon zeer - van aanzien: Bathseba 1 Kon. 1 :6 schoon zeer - van gedaante Spr. 6 :25 schoonheid begeer de schoonheid van de kwade vrouw niet in uw hart Luk. 12 :27 schoonheid beleving: bij Christus Gen. 39 :6 schoonheid Christus' - Matth. 13 :45 schoonheid Christus waardeert - 1 Sam. 9 :2 schoonheid de schoonste: Saul: vgl. satan Gen. 6 :2 schoonheid door engelen gewaardeerd 2 Sam. 14 :25 schoonheid en geen gebrek: Absalom Gen. 2 :9 schoonheid gave Gods 1 Sam. 25 :3 schoonheid genoemd na verstand Ex. 2 :2 schoonheid gewaardeerd 1 Sam. 9 :2 schoonheid gezegd van een man Jes. 3 :16 v schoonheid ijdele - Spr. 31 :30 schoonheid ijdelheid, zie echter v22 voor nuancering 1 Pe 3 :3 schoonheid laat uw versiering niet de uiterlijke zijn Hgl 1 :9 schoonheid lichamelijke -: bewonderd Ps. 45 :12 schoonheid lust hebben aan - Ez. 28 :17 schoonheid maakt hoogmoedig 1 Sam. 16 :12 schoonheid man: David 1 Sam. 17 :42 schoonheid man: David 1 Sam. 9 :2 schoonheid man: Saul Spr. 31 :23 schoonheid mooie kleren niet verkeerd 1 Sam. 9 :2 schoonheid Saul: ctr Jezus vgls Jes 53 Ez. 16 :10 v schoonheid uiterlijke - Jac. 1 :11 schoonheid uiterlijke - Jes. 3 :16 v schoonheid uiterlijke - vs Christus zedelijke schoonheid Jac. 1 :11 schoonheid uiterlijke -: bloem: gaat verloren Hebr. 11 :23 schoonheid van een baby 1 Sam. 25 :3 schoonheid van een vrouw Jer 6 :1 schoonheid van een vrouw Hgl 1 :15 v schoonheid van een vrouw: bewonderd Hgl 1 :8 schoonheid van een vrouw: schoonste der vrouwen Ez. 16 :15 schoonheid vertrouwen op - Ez. 16 :14 schoonheid volkmaakt door Gods heerlijkheid 2 Sam. 11 :2 schoonheid vrouw: Bathseba Spr. 11 :22 schoonheid vrouw: een schone vrouw die van rede afwijkt Deut. 21 :11 schoonheid vrouw: en liefde tot haar 2 Sam. 13 :1 schoonheid vrouw: Tamar Job 42 :15 schoonheid vrouwelijke -: gave Gods Matth. 6 :29 schoonheid waardering van - van lelie door de Heer Jezus Spr. 31 :22 schoonheid werken aan - Spr. 4 :9 schoonheid zedelijke -: vrucht van wijsheid 1 Kon. 1 :3 schoonheid zoeken: mooi meisje Jes. 30 :10 schouwer versmaden Marcus 6 :49 schreeuwen door de discipelen Ez. 21 :12 schreeuwen geboden Marcus 5 :5 schreeuwen mogelijk teken van duivelse invloed Ef. 4 :31 schreeuwen tegen geschreeuw Matth. 14 :26 schreeuwen van bangheid 1 Pe 2 :6 Schrift beroep op de - 1 Sam. 20 :38 Schrift betekenis: soms dubbel, als hier Matth. 1 :22 Schrift betrouwbaar: zie vervulling van de Schrift Jac. 1 :25 Schrift bij de - blijven Joh. 2 :22 Schrift de - geloven Dan. 10 :21 Schrift der waarheid: in de hemel 2 Kon 14 :6 Schrift gehoorzaamheid aan de -: Amazia Matth. 11 :13 Schrift Indeling: wet en profeten Marcus 9 :13 Schrift Jezus kende de - Matth. 22 :29 Schrift kennen: niet Joh. 20 :9 Schrift kennen: niet kennen: bijv. dat Jezus uit doden moest opstaan Marcus 12 :24 Schrift kennen: op dieper niveau Matth. 13 :52 Schrift kennis van de - een schat Ez. 34 :19 Schrift kritiek: geen voedsel Joh. 2 :22 Schrift kritiek: vs. de Schrift geloven door de discipelen Spr. 16 :20 Schrift letten, verstandig, op de -: doet het goede vinden Hebr. 5 :14 Schrift lezen: als gewoonte Joh. 19 :28 Schrift opdat de - werd vervuld Matth. 4 :16 Schrift parallellisme Matth. 11 :13 Schrift profeteert Matth. 13 :52 Schrift schat Matth. 26 :56 Schrift spreekt van Jezus Jac. 4 :5 Schrift spreken: niet tevergeefs Pred. 1 :5 Schrift taal: verschijnselen Luk. 24 :27 schrift uitleg, vs .32 Hebr. 5 :11 Schrift verklaren: moeilijk vanwege gesteldheid toehoorders Matth. 13 :51 Schrift verstaan Marcus 9 :10 Schrift verstaan: vragen hebben Matth. 2 :23 Schrift vervuld Joh. 17 :12 Schrift vervuld Joh. 19 :36 Schrift vervullen Matth. 1 :22 Schrift vervullen: betekenis: uitkomen, verwerkelijken Matth. 1 :22 Schrift vervullen: door God Matth. 1 :23 Schrift vervullen: gedeelte (want 'Emmanuel' ipv 'Jezus')? Matth. 2 :15 Schrift vervulling Marcus 14 :49 Schrift vervulling Matth. 26 :54 Schrift vervulling: daaraan meewerken Jac. 2 :23 Schrift vervulling: geval Matth. 4 :14 Schrift vervulling: opdat vervuld werd ... 2 Kon. 22 :13 Schrift voor ons geschreven Joz 18 :9 schrift was bekend bij intocht Luk. 4 :21 Schrift woord: vervulling: geval Joh. 5 :39 Schriften getuigen van Jezus Christus Matth. 13 :52 schriftgeleerde bekeerde - Ex. 9 :11 schriftgeleerde -en der Egyptenaren Matth. 15 :6 schriftgeleerde fout van de toenmalige -n: maakten Gods woord krachteloos door hun overlevering Matth. 23 :34 schriftgeleerde goede -n Marcus 3 :22 schriftgeleerde Jezus prikkelde hun verstand Marcus 3 :22 schriftgeleerde Jezus riep hen bij zich Marcus 14 :43 schriftgeleerde schriftgeleerden hadden gezonden om Jezus te grijpen Ezra 7 :6 schriftgeleerde vaardig -: Ezra, vs. 11 Marcus 3 :22 schriftgeleerde verklaarden Jezus wonderen vals Matth. 26 :57 schriftgeleerde veroordeelden Jezus Marcus 9 :14 schriftgeleerden redetwistend Luk. 20 39 schriftgeleerden waarderen Jezus' woord Ex. 24 :12 schrijven door God Deut. 4 :13 schrijven door God Joz 8 :32 schrijven door Jozua Deut. 31 :22 schrijven door Mozes Deut. 31 :9 schrijven door Mozes: de wet Deut. 31 :19 schrijven God beval een lied te schrijven Spr. 22 :20 schrijven heerlijke dingen - Jer 17 :13 schrijven in de aarde - Hebr. 10 :16 schrijven in het verstand Deut. 31 :24 schrijven Mozes voltooide het schrijven van het wetboek Opb. 3 :12 schrijven op ons -: de naam van Mijn God, de naam van de tempel, Mijn nieuwe naam 2 Cor. 9 :1 schrijven overbodig hier Hebr. 8 :10 schrijven wetten in het hart schrijven schrijven zie Opschrijven 1 Kron. 27 :32 schrijver Jonathan Ps. 18 :5 schrik ver-ken: beken Belials verschrikten mij Ps. 96 :9 schrikken schrikt voor Gods aangezicht! Spr. 3 :24 schrikken voorkomen: door wijsheid Ps. 143:9 schuilen bij God Ps. 57 :2 schuilen bij God: David Ps. 119:114 schuilplaats God mijn - Ps. 91 :1 v schuilplaats Gods - (!) Nu 5 :6 v schuld begrip Hos. 5 :15 schuld besef: nodig 2 Sam. 21 :1 schuld bloed- Ps. 106:38 schuld bloed-: ontheiligt land Deut. 19 :10 schuld bloed-en voorkomen Deut. 22 :8 schuld bloedschuld: op huis leggen Deut. 22 :8 schuld bloedschuld: schuldig aan iem dood Spr. 19 :5 schuld door vals getuigenis Spr. 19 :9 schuld door vals getuigenis 2 Kron. 28 :10 schuld -en bij God Jona 1 :6 schuld en tegenspoed Luk. 6 :7 schuld iem. - zoeken 2 Kon 4 :1 schuld inlossing: gedwongen Joh. 19 :4 schuld Jezus zonder - Deut. 15 :3 v schuld kwijtschelden geldschuld: doel, aan broeders Nu 5 :7 schuld morele - betalen Joh. 18 :38 schuld Pilatus vond geen schuld in Jezus Marcus 15 :3 v schuld schijnbare - Col. 2 :14 schuld schuldbrief Spr. 14 :9 schuld verbloemen: door de dwaas Col. 2 :14 schuld vrij van schuld is de gelovige Ex. 32 :21 v schuld zelfverdediging: afschuiven schuld schuld zie ook Beschuldigen, Verontschuldigen Matth. 6 :11 schuld onze -: vergeef ons onze -en Col. 2 :14 schuldbrief onze - aan het kruis genageld Filemon :18 schuldenaar Paulus plaatsvervangend: t.o.v. Filemon Matth. 6 :11 schuldenaar vergeven Rom. 8 :12 schuldenaar wij zjn -s 1 Tim. 5 :11 schuldig - zijn v.e. gelovige Jac. 2 :10 schuldig aan alle geboden bij overtreding van een Marcus 3 :29 schuldig aan een eeuwige zonde 2 Kron. 19 :10 schuldig aan God Spr. 21 :8 schuldig mens: zijn weg is gekronkel Ps. 109:7 schuldig verklaard in een gericht Matth. 26 :66 schuldig verklaard: Jezus schuldig zie ook Beschuldigen Filemon :18 schuldig zijn 1Jo 2 :6 schuldig zijn: als christen Spr. 16 :5 schuldig Ex. 23 :1 schuldige niet helpen als misdadig getuige 1 Sam. 6 :8 schuldoffer heidens - aan God Col. 3 :11 Scyth Jes. 22 :15 v Sebna bedreiging van - door God Jes. 1 :4 secularisatie casus Ps. 107:40 secularisatie gevolg: dwalen waar geen weg is 2 Kon 17 :25 secularisatie gevolgen (toepassing) Ri 11 :37 seks bekennen Ri 21 :12 seks bekennen door een vrouw Deut. 27 :21 seks bestialiteit veroordeeld Lev. 18 :29 seks doodstraf voor seksuele zonden Ex. 21 :10 seks echtelijke gemeenschap levensbehoefte Deut. 21 :13 seks en huwelijk Spr. 7 :18 seks en liefde Ez. 23 :3 seks handelingen Deut. 22 :13 v seks huwelijk: seks voor huwelijk verkeerd Spr. 27 :8 seks huwelijkstrouw (toepassing) Ruth 4 :13 seks ingaan tot een vrouw Lev. 18 :9 seks inzettingen Gods: hier voor mannen Lev. 18 :8 seks lichaam van elkaar Spr. 23 :33 seks losbandige - door de drank Deut. 22 :13 v seks maagdom Lev. 20 :18 seks met vrouw in haar afzondering: verboden Rom. 1 :26 seks natuurlijke versus tegennatuurlijke - 2 Sam. 13 :13 seks niet voor het huwelijk: gewoonte in Israel Rom. 1 :26 seks omgang' 1 Kon. 1 :4 seks onthouding Deut. 22 :29 seks ontucht Rom. 1 :27 seks seksuele afdwaling Spr. 10 :23 seks seksuele spelletjes (toepassing) Lev. 20 :10 v seks seksuele zonden Ez. 22 :11 seks sexuele zonden Ez. 23 :18 seks verkeerde -: striptease in bar Spr. 31 :3 seks verslaving: 06-nummers/hoerery: geeft aan de vrouwen uw vermogen niet Jac. 1 :14 -17 seks verslaving: helpen tegen Deut. 25 :5 seks volgorde: schijnbare andere volgorde huwelijk Ez. 23 :3 seks voor het huwelijk: niet goed Deut. 22 :29 seks voor huwelijk: moeten trouwen Ex. 22 :16 seks voorechtelijke - Deut. 22 :21 seks voorechtelijke ontucht gestraft 1 Sam. 21 :4 seks zich onthouden van - seks zie ook Overspel, Incest, Bestialiteit, Ontucht, Verkrachting 1 Sam. 2 :22 seks zondige -: geval: slapen met meerdere (andere) vrouwen 1 Tim. 6 :11 seks zondige -: te ontvluchten (toepassing) 1 Kon. 22 :47 seks zondige seks: schandjongens Deut. 22 :25 seks 2 Sam. 11 :4 seksualiteit - niet in maandelijkse onreinheid vrouw 2 Sam. 12 :4 seksualiteit begeerte gelijk een onverwachte bezoeker Gen. 38 :26 seksualiteit bekennen: in hoererij 2 Sam. 12 :24 seksualiteit David met Bathseba Spr. 5 :19 seksualiteit frequentie Lev. 18 :6 v seksualiteit geen sexueel contact tijdens bloedvloeiing der vrouw Deut. 22 :13 v seksualiteit in het prille huwelijk Lev. 21 :14 seksualiteit klassen vrouwen Jer 3 :1 seksualiteit losbandigheid Jer 5 :8 seksualiteit massale zondige - 2 Sam. 13 :15 seksualiteit misbruik van -: en haat jegens de vrouw Jer 5 :8 seksualiteit overspelige begeerten Matth. 1 :18 seksualiteit samenkomen Lev. 18 :6 v seksualiteit sexueel contact met familie verboden Spr. 5 :19 seksualiteit van de man Spr. 9 :17 seksualiteit voorziet in een behoefte Spr. 5 :19 seksualiteit vreugde Gen. 30 :16 seksualiteit woorden: "inkomen tot mij", "liggen bij iem." Gen. 49 :25 seksualiteit zegen 2 Sam. 13 :2 seksualiteit zelfbeheersing nodig Matth. 1 :25 seksualiteit zelfbeheersing: Jozef Lev. 19 :20 seksualiteit zie ook Ontucht Lev. 18 :3 v seksualiteit zonden der volken Matth. 6 :5 v seksverslaving behandeling: situaties vermijden Matth. 6 :7 seksverslaving behandeling: weten dat God in het verborgene kijkt Matth. 6 :21 seksverslaving hart en gezochte waarde Matth. 6 :30 seksverslaving Hos. nutteloos brandende oven Jer 22 :17 seksverslaving ogen en hart Spr. 20 :12 seksverslaving tegen -: oog en oor in dienst van God stellen (toepassing) Tit. 3 :10 sektarisch mens Luk. 8 :51 selectie door Jezus: van mensen Gen. 10 :21 Sem en Heber Gen. 10 :21 Sem nakomelingen 2 Kron. 11 :2 Semaja man Gods 1 Sam. 17 :28 sensatielust toegedicht aan David Deut. 20 :13 sexe onderscheid Spr. 29 :25 siddering zie ook Vrees Hgl 1 :10 sieraad en schoonheid Jes. 61 :10 sieraad geestelijk - 1 Pe 3 :5 sieraad geestelijk -: der vroegere vrouwen Jes. 61 :3 sieraad geven Jes. 23 :9 sieraad hovaardij van - Jes. 63 :1 sieraad kleding Ex. 28 :2 sieraad kleding tot - 2 Sam. 1 :24 sieraad niet verkeerd Ez. 16 :11 sieraad niet verkeerd Jes. 62 :3 sieraad sierlijke kroon Spr. 1 :9 sieraad zedelijk-geestelijk - sieraad zie versieren 1 Pe 3 :3 sieraad Ez. 16 :12 sierraad oor-: niet verkeerd 1 Kon. 10 :29 sikkel voorbeeld van gewicht 1 Sam. 4 :4 Silo ark des verbonds was daar 1 Sam. 1 :2 Silo plaats om de HEERE te aanbidden en te offeren 1 Sam. 1 :24 Silo plaats van het huis des HEEREN 1 Pe 5 :12 Silvanus Matth. 13 :55 Simon broer van Jezus Spr. 1 :22 simpele onverstandige, verstandeloze Ri 5 :5 Sinai machtige berg Micha 4 :7 Sion berg Hebr. 12 :22 Sion berg 2 Sam. 5 :7 Sion burg Deut. 4 :48 Sion de berg -: is Hermon 1 Kron. 11 :5 Sion de burg -, welke is de stad Davids, vs. 7 2 Sam. 5 :7 v Sion de stad Davids Hebr. 12 :22 Sion geestelijk - Ps. 132:14 Sion Gods rust Ps. 132:13 v Sion Gods woonplaats 1 Kon. 8 :1 Sion stad Davids Ps. 132:13 Sion verkoren door God tot Zijn woonplaats Jes. 8 :18 Sion woonplaats Gods 2 Tim. 2 :24 slaaf - van de Heer: Timotheus Filemon :15 slaaf bezit Matth. 24 :48 slaaf boze Joh. 15 :20 slaaf christen een - Opb. 2 :20 slaaf christen is een - Filip. 2 :7 slaaf Christus als - Col. 1 :7 slaaf en dienaar Ez. 27 :13 slaaf handel in slaven Marcus 12 :2 slaaf heer van de wijngaard zond een - Ps. 105:17 slaaf Jozes Lev. 23 :45 slaaf kenmerk: bezit Joh. 15 :15 slaaf kenmerk: weet niet wat zijn heer doet Lev. 22 :11 slaaf kopen Col. 4 :7 slaaf mede- in de Heer Col. 1 :7 slaaf mede-: Epafras Tit. 2 :9 v slaaf normen en waarden voor slaven Col. 3 :22 v slaaf plicht der slaven Deut. 15 :16 slaaf tevreden - Matth. 24 :45 slaaf trouwe - Matth. 24 :45 slaaf van Christus Ef. 6 :6 slaaf van Christus Filip. 1 :1 slaaf van Christus Opb. 1 :1 slaaf van Christus Rom. 1 :1 slaaf van Christus Jezus Col. 4 :12 slaaf van Christus Jezus: Epafras Gal. 1 :10 slaaf van Christus: gaat niet samen met mensen behagen Gal. 1 :10 slaaf van Christus: Paulus Matth. 13 :25 slaaf van de Heer Jezus Jac. 1 :1 slaaf van de Heer Jezus Christus 2 Tim. 2 :24 slaaf van de Heer: geschikt om te leren moet ie zijn Tit. 1 :1 slaaf van God Jac. 1 :1 slaaf van God 1 Pe 2 :16 slaaf van God 2 Pe 1 :1 slaaf van Jezus Christus Jud :1 slaaf van Jezus Christus Col. 3 :11 slaaf versus vrije Joh. 15 :20 slaaf vs. Heer Joh. 15 :15 slaaf vs. vriend Deut. 23 :15 slaaf weggelopen -: niet overleveren Joh. 13 :16 slaaf wij zijn slaven van Christus, vgl. vs . 13 Matth. 24 :45 slaaf wijze - Marcus 10 :44 slaaf zijn: van allen Deut. 15 :12 v slaaf zorg voor slaven: vrijlatingsjaar enz. Filemon :16 slaaf 2 Cor. 6 :5 slaag in slagen Deut. 25 :2 slaan als straf 1 Kon. 20 :37 slaan bevel door een proefeet om hem te slaan Ps. 141:5 slaan door de rechtvaardige Jes. 10 :20 slaan door een ander: kan zijn slaan door God, vgl 9:13 1 Sam. 26 :10 slaan door God 1 Kon. 14 :15 slaan door God: Israel Jes. 57 :17 slaan en toorn: bij God Matth. 24 :49 slaan geval Jer 37 :15 slaan Jeremia geslagen Matth. 26 :67 slaan Jezus geslagen Luk. 22 63 slaan Jezus geslagen Joh. 19 :3 slaan Jezus geslagen in het gezicht Marcus 15 :19 slaan Jezus geslagen met een rietstok Marcus 14 :65 slaan Jezus geslagen met vuisten Jes. 58 :4 slaan met de vuist: verkeerd Matth. 27 :30 slaan op het hoofd - Spr. 4 :16 slaap der goddelozen Spr. 6 :9 slaap des luiaards 1 Sam. 26 :12 slaap diepe - 1 Sam. 26 :12 slaap door God verwekt Spr. 3 :24 slaap zoete - Matth. 26 :43 slaap Matth. 26 :56 slachtoffer Jezus geen - maar medewerker aan Gods raad Hebr. 5 :1 slachtoffer versus gaven Hebr. 5 :1 slachtoffer voor de zonden Spr. 23 :32 slang bijten als een - Gen. 49 :17 slang Dan als een - 2 Kon 18 :4 slang koperen -: gerookt werd er voor de koperen slang Matth. 8 :32 slang sprekende slang mogelijk, vgl. Petrus' satanische woorden Deut. 32 :24 slang stof: -en van het - Deut. 32 :24 slang venijn Micha 7 :17 slang verwijzing naar Genesis Spr. 24 :10 slap zich - vertonen ten dage der benauwdheid Ps. 63 :7 slapeloos dan aan God denken Pred. 5 :11 slapeloosheid vanwege zorgen om de rijkdom Ps. 3 :6 slapen dankzij Goddelijke ondersteuning Marcus 4 :38 slapen door Jezus Spr. 19 :15 slapen door luiheid Matth. 26 :45 slapen en rust Matth. 13 :25 slapen fig niet waakzaam zijn Matth. 25 :5 slapen geestelijk - Marcus 13 :36 slapen geestelijk - 1 Thess.5 :6 slapen geestelijk - Dan. 6 :19 slapen niet kunnen slapen Spr. 20 :13 slapen niet te lang - 1 Thess.5 :10 slapen ontslapen zijn hier (?) slapen zie ook Ontwaken Spr. 23 :21 slaperig Joz 18 :3 slapheid verweten Ex. 21 :2 v slavendienst wet van de - Deut. 28 :48 slavernij als straf des Heeren Jes. 26 :13 slavernij ander is god over ons Jer 34 :14 slavernij beheersing van - Lev. 25 :10 slavernij bestrijding van - Deut. 15 :6 slavernij broeder: - van een b niet goed Gal. 2 :4 slavernij christen tot - brengen: onder de wet Ps. 65 :4 slavernij der zonde Spr. 5 :22 slavernij door zonde Luk. 16 :13 slavernij geen twee heren zijn te dienen Gal. 4 :3 slavernij in - onder de elementen van de wereld Lev. 23 :44 v slavernij regels voor - 1 Kon. 9 :22 slavernij selectieve - Hebr. 2 :15 slavernij uit vrees voor de dood Rom. 8 :21 slavernij van de vergankelijkheid Deut. 28 :48 slavernij voorbeeld 1 Tim. 6 :1 slavernij Luk. 1 :38 slavin van de Heer: Maria Jes. 22 :21 sleutel van David Opb. 3 :7 sleutel van David Opb. 3 :7 sluiten door Christus Ps. 97 :8 smaad Christus droeg smaad Hebr. 13 :13 smaad dragen: wij dragen de smaad an Christus Luk. 1 :25 smaad Elizabeths smaad Hebr. 13 :13 smaad Jezus gesmaad 1 Pe 4 :14 smaad lijden 1 Sam. 20 :30 v smaad over Jonathan Joz 5 :9 smaad van Egypte 1 Thess.2 :2 smaadheid aangedaan worden Ps. 119:39 smaadheid in de weg van God Joel 2 :19 smaadheid Israel niet meer een - Ps. 119:39 smaadheid vrezen 2 Cor. 12 :10 smaadheid welgevallen in -en Ps. 119:39 smaadheid wend mijn - af 1 Sam. 20 :34 smaden David gesmaad door Saul 1 Pe 3 :16 smaden de goede wandel van gelovigen smaden Hebr. 10 :29 smaden door een afvallige: bloed, Geest van de genade Matth. 5 :11 smaden gelukkig bent u wanneer zij u - Spr. 14 :31 smaden God - door de arme te verdrukken Marcus 15 :32 smaden Jezus gesmaad 1 Tim. 1 :13 smader Opb. 4 :3 smaragd lichtgroene steen Gen. 6 :6 smart bij God: over de schepping van de mens Pred. 2 :23 smart dagelijkse - Ex. 3 :7 smart door God bekend 2 Kron. 6 :29 smart erkennen: ieder erkenne zijn - Gen. 3 :16 smart geboorte: - der g Ps. 147:3 smart God verbindt mensen in hun smarten Pred. 6 :2 smart kwade - Spr. 10 :22 smart niet bij de zegen des HEREN 1 Tim. 6 :10 smart onnodige -: door afwijking Rom. 9 :2 smart onophoudelijke - in mijn hart 2 Kon. 22 :11 smart uiting van -: kleding scheuren Pred. 1 :18 smart vermeerderen: door wetenschap te vermeerderen smart zie ook Droefheid 2 Kon 19 :19 smeken om verlossing Filip. 4 :6 smeking gebed en - 1 Tim. 5 :5 smeking volharden in de -en Ps. 112:10 smelten door de goddeloze Spr. 17 :3 smeltkroes louteren van zilver Jer 6 :29 smeltoven fig. tucht Ex. 1 :19 smoes van de Egyptische vroedvrouwen Ps. 147:16 sneeuw God geeft - als wol Ps. 148:8 sneeuw Jac. 1 :19 snel om te horen 1 Kron. 12 :8 snelheid ree een toonbeeld van - Lev. 19 :28 snijden tegen zelf- Deut. 14 :1 snijden zichzelf -: over een dode Jes. 1 :10 Sodom Israel: geworden als - Deut. 29 :23 Sodom oordeel van - Jud :7 Sodom straf Matth. 11 :23 Sodom zou zich bekeerd hebben op Jezus krachten 1 Sam. 16 :18 soldaat David Ex. 15 :3 soldaat God een - Matth. 27 :28 v soldaat misdraging van -en 2 Tim. 2 :3 v soldaat van Christus Jezus 2 Cor. 9 :6 spaarzaam 2 Kron. 12 :7 sparen door God 2 Kon 8 :19 sparen door God: om wille David 1 Tim. 6 :19 sparen geestelijk - Jes. 65 :8 sparen God spaart een volk om Zijn knechten daarin 1 Kon. 20 :32 sparen iemand ten onrechte - 1 Sam. 15 :6 sparen volk - bij aanval op ander volk Spr. 10 :23 spel schandelijkheid doen als - Jer 30 :18 spel waardevol voor God Ex. 32 :6 spelen in afgoderij 2 Sam. 6 :21 spelen voor Gods aangezicht: door David Spr. 8 :30 spelen 1 Sam. 1 :23 spenen begrip Spr. 5 :12 spijt 2 Cor. 7 :8 spijt Ps. 111:5 spijziging door God Ps. 111:5 spijziging vgl. wonderbare spijziging 2 Kon 4 :43 spijziging wonderbare - 1 Sam. 28 :12 spiritisme geval Jes. 8 :19 spiritisme tegen - 1 Sam. 28 :15 spiritisme 2 Kron. 29 :36 spoed hier goed Opb. 1 :1 spoedig betekenis Matth. 3 :10 spoedig hier "al" Hebr. 13 :23 spoedig komen 2 Tim. 4 :9 spoedig tot iemand komen Matth. 14 :26 spook Spr. 4 :11 spoor rechte -: God doet ons treden in de rechte sporen Hebr. 12 :1 sport gelijkenis met geloofswandel Luk. 22 63 spot bespotten: Jezus bespot Luk. 23 11 spot Christus bespot Luk. 23 35 spot jegens CHristus: door oversten Luk. 23 35 spot jegens Christus: door soldaten Ps. 123:4 spot lijden onder - Micha 7 :9 spotten "'Waar is uw God?" Luk. 18 32 spotten Christus bespot Matth. 27 :41 spotten Jezus bespot Spr. 1 :22 spotter begerende spotternij Spr. 9 :8 spotter bestraffen: roept haat op Spr. 9 :12 spotter draagt gevolgen alleen Spr. 3 :34 spotter God zal de -s bespotten Spr. 13 :1 spotter horen: niet horen: de bestraffing Spr. 24 :9 spotter is den mens een gruwel Spr. 9 :7 spotter niet tuchtigen Spr. 21 :11 spotter straffen van de - Spr. 22 :10 spotter uitdrijven Ps. 1 :1 spotter zit niet in het gestoelte der -s Spr. 14 :6 spotter zoekt tevergeefs wijsheid Spr. 15 :12 spotter Spr. 1 :22 spotternij begeren Gen. 11 :7 spraak verwarring Luk. 1 :64 spraakvermogen hersteld 1 Sam. 24 :14 spreekwoord Ps. 2 :5 spreken - Gods: God zal tot hen - in Zijn toorn Ps. 5 :10 spreken in hun mond is niets rechts" Spr. 22 :11 spreken aangename lippen Spr. 15 :4 spreken afbrekend - Spr. 30 :32 spreken aflaten te spreken Spr. 8 :7 spreken bedachtzaam - Col. 4 :4 spreken behoren te - Ps. 143:5 spreken bij zichzelf -: van Gods werken Joh. 12 :49 v spreken Christus' -: de woorden van de Vader Joh. 5 :34 spreken Christus' -: doel: behoudenis Luk. 24 19 spreken Christus -: krachtig Deut. 18 :18 spreken Christus' -: naar Gods wil Joh. 8 :26 spreken Christus' -: woorden van God Joh. 17 :14 spreken Christus'-: woorden van God Jer 8 :6 spreken dat niet recht is Matth. 12 :34 spreken de mond spreekt Ps. 5 :10 spreken der zondaars Joh. 5 :34 spreken doel: behoudenis Luk. 21 6 spreken door Christus: aanleiding nemen Joh. 17 :8 spreken door Christus: de woord Gods Joh. 15 :22 ,24 spreken door Christus: en doen Joh. 16 :25 spreken door Christus: in beelden Luk. 20 21 spreken door Christus: rechtuit - Joh. 14 :10 spreken door Christus: uit God 2 Sam. 23 :2 spreken door de Geest 1 Kron. 12 :18 spreken door de Geest 2 Kron. 24 :20 spreken door de Geest Luk. 1 :42 spreken door de Geest: Elizabeth Luk. 1 :42 spreken door de Geest: en luid roepen Spr. 15 :28 spreken door de goddeloze: veel kwade dingen Marcus 12 :36 spreken door de Heilige Geest: David Spr. 11 :9 spreken door de mond iemand verderven Spr. 15 :28 spreken door de rechtvaardige: na zich te bedenken Spr. 10 :20 spreken door de rechtvaardige: uitgelezen zilver Spr. 10 :21 spreken door de rechtvaardigen: voeden Joh. 8 :28 spreken door Jezus: de woorden door de Vader Hem geleerd Joh. 16 :1 spreken door Jezus: doel Joh. 6 :60 spreken door Jezus: 'harde woorden' Marcus 9 :35 spreken door Jezus: kort, spreukachtig Matth. 5 :22 spreken 'dwaas' of 'nietsnut' noemen Spr. 26 :28 spreken effect: verbrijzelen Marcus 4 :11 spreken en doelgroep Jac. 2 :12 spreken en doen Spr. 16 :23 spreken en hart Spr. 14 :23 spreken en ook doen Spr. 10 :14 spreken en verstoring vewekken Spr. 6 :12 spreken en zondaar Pred. 5 :5 spreken en zondigen met het vlees Hebr. 12 :24 spreken fig. bloed dat spreekt Matth. 10 :20 spreken geinspireerd - Ez. 33 :22 spreken genade tot - Spr. 15 :4 spreken genezend - Spr. 10 :32 spreken gevallig - Ps. 105:31 spreken gevolgd door een plaag Deut. 3 :26 spreken God kapt onderwerp af Ex. 4 :15 spreken God leert ons wat wij spreken moeten Spr. 16 :1 spreken God leidt ons - Hebr. 1 :1 spreken Gods: vele malen, op vele wijzen in de profeten Jac. 3 :10 spreken goed - 1 Sam. 19 :4 spreken goed - van iemand Matth. 12 :34 spreken goede of kwade dingen - Ps. 94 :4 spreken hard: door goddelozen Spr. 16 :24 spreken helend - Spr. 12 :18 spreken helend of pijnigend 2 Kron. 18 :13 spreken hetgeen God zeggen zal 2 Cor. 2 :17 spreken hoe Col. 4 :6 spreken hoe Ps. 5 :10 spreken hun keel is een open graf" Ef. 4 :17 spreken in de Heer 1 Sam. 1 :13 spreken in het hart Pred. 2 :15 spreken in zijn hart Marcus 8 :33 spreken inspiratie: door satan Matth. 13 :34 spreken Jezus' - tot de menigte: in gelijkenissen Spr. 10 :11 spreken Jezus' -: springader des levens Joh. 8 :37 spreken Jezus sprak wat Hij bij Zijn Vader gezien had Joh. 8 :40 spreken Jezus sprak wat Hij van God heeft gehoord Luk. 21 15 spreken leiding in het - Spr. 10 :19 spreken matigheid wenselijk Ex. 33 :11 spreken met God: aangezicht tot aangezicht Pred. 1 :16 spreken met het hart Luk. 1 :21 spreken niet kunnen - wegens ongeloof Gen. 37 :4 spreken niet vredelijk kunnen toe-: ter oorzake van haat Spr. 12 :18 spreken onbedachtzaam - Spr. 13 :3 spreken onbeheerst -: gevolg: verstoring voor hemzelf Marcus 13 :11 spreken onder leiding van de Geest Luk. 12 :12 spreken onder leiding van de Geest Ex. 4 :12 spreken ondersteuning door God 1 Kron. 16 :9 spreken onderwerp: Gods wonderwerken Hebr. 5 :11 spreken onderwerp: Jezus Jac. 2 :12 spreken ons - worden geoordeeld 1Jo 1 :10 spreken onwaarheid -: Gods woord niet in ons Ps. 139:18 spreken over God: schandelijk - Spr. 29 :20 spreken overijld -: dwaas Spr. 10 :19 spreken overtreden in het - Marcus 4 :33 spreken publiek en in besloten kring Spr. 16 :13 spreken rechte dingen - Ef. 5 :3 spreken regel Ef. 4 :29 spreken regel 1 Pe 4 :11 spreken regel: als uitspraken van God 2 Tim. 2 :14 spreken rekening houden met de hoorders Spr. 15 :1 spreken smartend - Pred. 5 :1 spreken snel -: afgeraden Matth. 10 :19 spreken spontaan - Filemon :8 - 9 spreken spraakhandelingen Pred. 5 :1 spreken spreek weinig Jac. 3 :2 spreken struikelen in leren Joh. 18 :23 spreken tot het hart, geweten Spr. 12 :6 spreken tot verderf vs. Redding Matth. 12 :34 spreken uit de overvloed van het hart Joh. 14 :24 spreken uit God - Joh. 12 :49 spreken uit zichzelf - Spr. 6 :17 spreken valse tong: gehaat door God Deut. 5 :5 spreken van aangezicht tot aangezicht: begrip Joh. 16 :13 spreken vanuit God: eerst Hem horen Joh. 16 :13 spreken vanuit zichzelf - Joh. 7 :18 spreken vanuit zichzelf - vs vanuit God - Joh. 16 :13 spreken vanuit zichzelf: begrip Pred. 5 :2 spreken veel -: doet je in dwaasheid komen Spr. 10 :19 spreken veel woorden: meer kans op overtreding Spr. 8 :8 spreken verdraaid Spr. 4 :24 spreken verdraaid -: wegdoen Deut. 16 :18 spreken verdraaien: door geschenk Spr. 8 :8 spreken verkeerd Joh. 18 :23 spreken verkeerd - Jac. 3 :10 spreken verkeerd - Spr. 15 :4 spreken verkeerd - : maakt kapot Spr. 10 :31 v spreken verkeerd -: de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden Spr. 13 :2 spreken verkeerd -: veroorzaakt geweld Spr. 2 :12 spreken verkeerdheden - Spr. 23 :33 spreken verkeerdheden - door drank Spr. 25 :18 spreken verwonden door - 2 Tim. 2 :14 spreken voor Gods aangezicht Spr. 13 :2 spreken vrucht des monds Spr. 12 :14 spreken vrucht van het - Spr. 8 :7 spreken waarheid: bedachtzaam 1 Tim. 5 :13 spreken wat niet behoort Tit. 2 :1 spreken wat te -: wat de gezonde leer past Tit. 2 :15 spreken wat te spreken Jac. 1 :19 spreken weest traag om te - Spr. 10 :19 spreken weinig woorden: raadzaam Deut. 27 :8 spreken wel uitdrukken Joh. 3 :11 spreken wij spreken wat wij weten: de Heer zei niet zomaar wat Spr. 15 :1 spreken wijs en dwaas, goed en kwaad 1 Thess.4 :15 spreken woord van de Heer spreken door Paulus Joh. 14 :10 spreken woorden - vanuit Christus in je Joh. 14 :10 spreken woorden - vanuit jezelf Jud :16 spreken woorden: gezwollen taal Matth. 13 :3 spreken zaaien: ons spreken mag een zaaien van Gods woord zijn, ook in gelijkenissen en hints Spr. 25 :15 spreken zachte tong breekt weerstand Jac. 1 :26 spreken zelfbeheersing in - Ps. 141:3 spreken zelfbeheersing: Gods hulp spreken zie ook Praten Joh. 16 :4 spreken zie ook Zwijgen spreken zie Tong Spr. 21 :23 spreken zijn eigen mond en tong bewaren Spr. 13 :3 spreken zijn mond bewaren: zijn ziel bewaren Matth. 12 :36 spreken zinloze woorden - Spr. 16 :21 spreken zoete woorden vermeerderen lering Spr. 14 :23 spreken zonder arbeid strekt tot gebrek Ps. 59 :8 spreken zwaarden op hun lippen Ef. 4 :29 spreken Hebr. 11 :28 sprenkelen bloed - Hebr. 9 :13 sprenkelen bloed en as: op de onheiligen 1 Kon. 4 :32 spreuk Salomo's sprak 3000 -en Joh. 4 :37 spreuk Spr. 1 :2 Spreuken doel Spr. 25 :26 springader verdorven - 2 Sam. 6 :16 springen door David Ex. 10 :4 sprinkhaan plaag 2 Kron. 6 :28 sprinkhaan plaag van -en Deut. 25 :9 spuwen aangezicht: - in iem aangezicht: verachting Marcus 7 :32 spuwen door Jezus Marcus 8 :23 spuwen door Jezus: op des blinde ogen Matth. 26 :67 spuwen Jezus in het gezicht - 2 Cor. 1 :23 staan door het geloof 1 Kon. 8 :11 staan niet kunnen staan om te dienen vanwege de heerlijkheid des HEEREN Deut. 18 :5 staan tot dienst - 1 Kon. 14 :4 staar Ahia Spr. 28 :2 stabiliteit vereist kennis en verstand Jona 3 :3 stad - Gods: Nineve Spr. 11 :11 stad afbraak: door de mond der goddelozen Luk. 19 44 stad als persoon aangesproken Deut. 20 :19 v stad belegering Ps. 107:36 stad collectieve woonplaats 2 Kon 8 :24 stad Davids 2 Kon 14 :19 stad Davids 2 Sam. 5 :9 stad Davids -: de burg Sion 1 Kron. 11 :7 stad Davids: de burg Sion Opb. 3 :12 stad de - van Mijn God: het nieuwe Jeruzalem Hebr. 11 :16 stad door God bereid voor de gelovigen Deut. 13 :10 stad door God gegeven 1 Kon. 9 :11 stad geschonken aan Hiram door Salomo: 20 steden Deut. 28 :3 stad gezegend in de - Ps. 107:7 stad God leidde ze naar een stad ter woning Zach. 1 :17 stad God spreekt hier van 'mijn steden' Ps. 46 :5 v stad Gods - Matth. 27 :53 stad heilige: de heilige stad: Jeruzalem Job 39 :10 stad in Gods oog Matth. 11 :1 stad Jezus ging naar de steden om daar te onderrichten Ps. 107:4 ,7 stad plaats ter woning Ps. 107:36 stad stichten ter woning Deut. 20 :10 stad strijden tegen een stad Hebr. 13 :14 stad toekomstige - Spr. 21 :22 stad van de geweldigen: overwinnen Hebr. 12 :22 stad van de levende God Matth. 12 :25 stad verdeelde - 1 Kron. 21 :15 stad verderven: door een engel Spr. 11 :11 stad verheffing: door de zegen der oprechten Micha 6 :9 v stad zonde in steden Luk. 14 :21 stad 1 Pe 2 :14 stadhouder missie Ex. 17 :9 staf Gods Ezra 2 :59 stam niet kunnen bewijzen uit welke - men komt Matth. 12 :25 standhouden Ef. 6 :13 standhouden 1 Pe 5 :9 standvastig in het geloof Deut. 32 :24 Statenvertaling moeilijk woord: karbonkel Ps. 57 :5 Statenvertaling onbegrijpelijk woord "stokebrander' Lev. 13 :28 Statenvertaling onbegrijpelijke taal hier 2 Sam. 1 :10 Statenvertaling verouderd woord: armgesmijde 1 Sam. 21 :4 Statenvertaling verouderd woord: gemeen Dan. 3 :10 Statenvertaling verouderde woorden: psalter, vedel Jes. 30 :23 Statenvertaling vreemde woorden: landouwe Jes. 30 :23 Statenvertaling vreemde woorden: smoutig 1 Pe 2 :4 steen Christus: levende - 1 Kon. 6 :7 steen fig. gelovige Luk. 20 17 steen hoek-, zie Hoeksteen Gen. 49 :24 steen Jozef, een - Israels 1 Pe 2 :5 steen levende -: wij 1 Kon. 6 :7 steen volmaakte steen Spr. 27 :3 steen zwaar Ps. 94 :22 steenrots God een - mijner toevlucht 2 Sam. 22 :2 steenrots God mijn - Ps. 18 :3 steenrots God, mijn - ! Ef. 4 :28 stelen alternatief voor - Zach. 5 :3 stelen dief onder vloek Deut. 23 :24 stelen druiven eten uit eens anders wijngaard is geen zonde Deut. 23 :24 stelen druiven in een vat verzamelen uit eens anders wijngaard Ri 17 :2 stelen geval Ex. 20 :15 stelen gij zult niet - Ex. 21 :16 stelen mens - Lev. 19 :11 stelen verboden Deut. 5 :19 stelen verboden Hebr. 1 :2 stellen door God: Jezus: tot erfgenaam 1 Tim. 1 :7 stellig spreken: hier onterecht Jer 6 :23 stem bruisend als de zee Jer 10 :13 stem Gods -: gedruis van vele wateren Joz 5 :2 stenen mes: stenen messen Deut. 13 :10 stenigen afval spreker - Hebr. 11 :37 stenigen Joz 7 :25 steniging geval: gezin van Achan 1 Kon. 21 :13 steniging geval: onrechtvaardige zaak Hebr. 12 :20 steniging van dieren Lev. 20 :2 steniging Lev. 24 :14 steniging Ps. 147:4 ster aantal Opb. 9 :1 ster fig. voor engel Ps. 147:4 ster God telt hun getal Ps. 148:3 ster licht gevend Ps. 148:3 ster looft God, alle gij lichtende sterren Ps. 147:4 ster naam: genoemd door God Matth. 24 :29 ster -ren zullen van de hemel vallen Marcus 13 :24 ster sterren in de hemel zijnd Marcus 13 :24 ster sterren uit de hemel vallend Hebr. 11 :12 ster sterren van de hemel: zoveel nazaat heeft Abraham Deut. 28 :62 ster sterren zijn er in menigte Ri 5 :20 ster strijdende tegen vijanden van Israel 1 Kron. 28 :7 sterk geestelijk-moreel - om te doen Gods geboden en rechten 2 Kron. 16 :9 sterk God bewijst Zich sterk aan hen die 1 Kron. 28 :7 sterk om Gods geboden en rechten te doen 1 Kron. 5 :24 sterk van kracht zijn Joz 1 :9 sterk wees - Deut. 31 :7 sterk wees sterk, want u zult ingaan in het land Deut. 31 :23 sterk wees sterk, want u zult slagen en God zal met u zijn 1 Kron. 22 :13 sterk weest - 2 Sam. 13 :28 sterk weest - : gezegd door Absalom tot zijn knechten Hag. 2 :4 -5 sterk weest - en werk, want Ik ben met u Deut. 31 :6 sterk weest sterk, want God gaat met ons Hebr. 11 :34 sterk worden door geloof 2 Cor. 13 :9 sterk zijn Ps. 52 :9 sterk worden: door verkeerdheden 1 Sam. 2 :4 sterke de boog der -en is gebroken Spr. 16 :32 sterke lankmoedige is beter dan de - 2 Tim. 4 :17 sterken door de Heer 2 Tim. 4 :17 sterken door de Heer: Paulus Ri 16 :28 sterken door God Ri 3 :12 sterken door God: van een vijand van ons Hebr. 13 :9 sterken hart -: door genade Deut. 1 :38 sterken iem. - Luk. 1 :80 sterken in de geest: gesterkt worden: Johannes Luk. 2 :40 sterken Jezus werd gesterkt Ef. 6 :10 sterken sterkt u: in de Heer en in de kracht van zijn sterkte Ef. 6 :10 sterken sterkt u: ivm geestelijke strijd 2 Kron. 26 :8 sterken zich - 2 Tim. 2 :1 sterken zich - in de genade die in Christus Jezus is 1 Sam. 30 :6 sterken zich - in God Spr. 21 :29 sterken zich - in zijn eigen aangezicht: door een goddeloos man 1 Kon. 20 :22 sterken zich - ook al helpt God 2 Kron. 17 :1 sterken zich - tegen iem.: Josafat tegen Israel Jer 9 :23 sterkheid beroem je niet in je - Jes. 17 :10 sterkte de rots van je - 1Jo 2 :14 sterkte geestelijke - 1Jo 2 :14 sterkte geestelijke -: en Gods woord in mij blijvend Joz 23 :6 sterkte geestelijke -: om te bewaren en te doen Gods woord Spr. 10 :29 sterkte geestelijke -; door de weg des HEEREN Dan. 2 :37 sterkte gegeven door God Ps. 147:10 sterkte gevallen van - in menselijke ogen Jes. 30 :3 sterkte gezocht bij de onjuiste persoon: schaamte Ps. 96 :7 sterkte God - geven door ons Ps. 118:14 sterkte God is mijn - 2 Sam. 22 :33 sterkte God mijn - Ps. 59 :18 sterkte God mijn - Ps. 52 :9 sterkte God onze - Ps. 18 :2 sterkte God, mijn - ! Ps. 105:4 sterkte Gods -: vraag ernaar Jes. 30 :15 sterkte in stilheid en vertrouwen Ps. 62 :12 sterkte is Godes 2 Kon. 25 :1 sterkte sterkten gebouwd tegen Jeruzalem Jes. 30 :7 sterkte stilzetten zal hun - zijn Joel 2 :10 sterren trekken haar glans in Deut. 31 :14 sterven aangekondigd door God Gen. 5 :5 sterven Adam stierf Pred. 7 :17 sterven buiten je tijd Col. 3 :3 sterven christen gestorven met Christus Gen. 49 :33 sterven de geest geven en verzameld worden tot zijn volken Matth. 16 :28 sterven dood smaken Joh. 11 :26 sterven door een gelovige Spr. 19 :16 sterven door verachting van zijn wegen Joz 23 :14 sterven gaan in de weg der ganse aarde Deut. 31 :16 sterven gaan slapen met uw vaderen 2 Kon 20 :1 sterven geef bevel aan uw huis, want Gij zult - Ps. 146:4 sterven geest gaat uit Opb. 3 :2 sterven geestelijk - Spr. 10 :21 sterven geestelijk -: door gebrek aan verstand 2 Tim. 2 :11 sterven gestorven met Christus Ps. 104:29 sterven God neemt de adem weg 2 Tim. 4 :6 sterven heengaan Filip. 1 :23 sterven heengaan en (voor de gelovige) met Christus te zijn 1 Kron. 17 :11 sterven heengaan tot je vaderen Ps. 118:17 sterven ik zal niet - maar leven Ps. 143:7 sterven in de kuil dalen Ps. 115:17 sterven in de stilte nederdalen Hebr. 11 :13 sterven in het geloof Ez. 3 :18 sterven in je ongerechtigheid Ez. 18 :18 sterven in je ongerechtigheid Ez. 33 :9 sterven in je ongerechtigheid Joh. 8 :21 sterven in je zonde - Ez. 18 :24 sterven in je zonde, overtreding Joh. 8 :24 sterven in je zonden - Joz 22 :20 sterven in zijn ongerechtigheid: Achan 1 Kron. 10 :13 sterven in zijn overtreding sterven Joh. 19 :27 sterven laatste beschikkingen: door Jezus Pred. 3 :21 sterven mens vs. dier Joh. 11 :16 sterven met Christus sterven 2 Sam. 12 :23 sterven na overledenen, ook kinderen, gaan Joh. 6 :50 v sterven niet -: als je eet van het Brood Joh. 6 :51 sterven niet -: begrip: leven tot in eeuwigheid Joh. 11 :26 sterven niet -: gelovige Spr. 10 :21 sterven oorzaak: gebrek van verstand Pred. 12 :6 sterven proces van - Ps. 104:29 sterven tot stof wederkeren Ri 2 :10 sterven tot voorouders vergaderd worden Deut. 32 :50 sterven vergaderd worden tot je volken Filip. 1 :23 sterven verlangen heen te gaan en met Christus te zijn Rom. 14 :7 sterven versus leven 2 Cor. 1 :9 sterven vertrouw op God die de doden opwekt Gen. 49 :29 sterven verzameld worden tot je volk 2 Kon. 22 :20 sterven verzameld worden tot je voorgeslacht Rom. 14 :7 sterven voor God Rom. 14 :7 sterven voor zichzelf Jes. 38 :1 sterven vs leven Ps. 146:4 sterven wederkeren tot 'zijn' aarde Filip. 1 :21 sterven winst voor Paulus 1 Kon. 2 :2 sterven Joh. 11 :14 sterven 2 Cor. 6 :9 sterven 2 Kron. 14 :11 steunen op God Jes. 10 :20 steunen op God 2 Kron. 13 :18 steunen op God -: zegen Micha 3 :11 steunen op God, terwijl je verkeerd doet 2 Kron. 16 :8 steunen op God: en verlost worden 2 Kron. 16 :9 steunen op God: en volkomen hart tot God 2 Kron. 16 :7 steunen op God: nalaten: Asa Jes. 10 :20 steunen op iemand anders dan God Ps. 18 :19 steunsel de HERE was mij tot een - 2 Sam. 22 :19 steunsel God een - voor mij Ez. 2 :4 stijf van hart Ez. 3 :7 stijf van voorhoofd Ez. 3 :8 stijf zijn: hier goed 1 Pe 3 :4 stil geest Ps. 62 :2 stil mijn ziel is - tot God, vs. 6 Ps. 65 :2 stilheid in - lofzingen Ex. 34 :2 ,4 stille tijd des morgens 1 Kon. 19 :12 stilte God was in de zachte - Marcus 4 :39 stilte grote - Spr. 13 :5 stinken de goddeloze maakt zich -de Ps. 14 :2 stinken tezamen zijn ze -de geworden 2 Sam. 10 :6 stinken zich -d maken bij iem.: bij David 1 Kron. 19 :6 stinken zich -de maken: bij David: Ammonieten 1 Kron. 17 :14 stoel de - van Davids Zoon zal vast zijn t in eeuwigheid Jes. 5 :22 stoer zijn: ijdelheid Spr. 8 :26 stof stofjes der wereld Luk. 1 :20 stomheid door God gezonden Luk. 1 :20 stomheid gevolg van ongeloof (hier) Ex. 4 :11 stomme door God gemaakt Matth. 12 :22 stomme genezen Marcus 7 :32 stomme genezing Matth. 15 :31 stomme genezing van -n Ps. 107:29 storm door Christus gestild (associatie) Ps. 107:25 storm door Gods spreken verwekt Jer 4 :12 storm fig. Gods oordeel Ps. 46 :3 storm geen vrees in stormachtige situatie Ps. 107:29 storm God doet - stilstaan 1 Pe 2 :8 stoten zich - aan: het woord Gods Spr. 29 :1 straf be-fen: toch verharden: gevolg Opb. 3 :19 straf be-fen: uit liefde Jud :15 straf be-ffen: door Christus Spr. 28 :23 straf bestraffen: die een mens - zal achterna gunst vinden Spr. 28 :23 straf bestraffen: goede zaak Lev. 21 :9 straf des doods: vuur 2 Thess.1 :9 straf eeuwig verderf Matth. 26 :46 straf eeuwige - Ps. 109:7 v straf gebed om straf voor de vijand en diens gezin Deut. 22 :19 straf geldboete 2 Cor. 2 :6 straf in de gemeente Ez. 7 :15 straf indeling van -fen Spr. 10 :13 straf lichamelijke -: met de roede Deut. 22 :18 straf lijfstraf 2 Sam. 7 :14 straf lijfstraf Spr. 21 :11 straf maakt wijs 1 Kon. 21 :22 straf om terging van God en omdat Achab Israel had doen zondigen Ez. 14 :11 straf preventief 1 Kon. 21 :29 straf uitstel: na zelfvernedering Spr. 27 :22 straf vergeefse - 2 Kon 13 :4 straf vermindering: na gebed Deut. 4 :26 v straf voor Israels ongehoorzaamheid Deut. 25 :12 straf vorm: afhakken hand der onbeschaamde vrouw Deut. 25 :9 v straf vorm: schande, slechte naam, smaad Ez. 14 :12 v straf vormen van - Lev. 26 :41 straf welgevallen aan straf hebben straf zie ook Lijfstraf Hebr. 10 :29 straf zwaarder - Joh. 3 :20 straffen be-: werken Spr. 21 :11 straffen de spotter - 2 Sam. 7 :14 straffen door God Ps. 50 :21 straffen door God Ps. 94 :10 straffen door God Hebr. 12 :5 straffen door God: aan zoon: is bestraffen Ps. 6 :2 straffen en toorn: "straf mij niet in uw toorn" Deut. 24 :9 straffen God strafte Mirjam 2 Sam. 7 :15 straffen met behoud van goedertierenheid Ps. 94 :10 straffen tuchtigen en - Matth. 13 :43 stralen door de rechtvaardigen eens 2 Sam. 5 :23 strategie Gods - verandert, ctr. vs. 19 Spr. 13 :15 streng de weg der trouwelozen is - Jac. 3 :1 streng strenger oordeel Pred. 1 :14 stress (associatie) Pred. 4 :6 stress tegen -: deeltijdwerk (associatie) Ps. 119:92 stress toepassing 2 Sam. 10 :13 strijd - aanbinden: terwijl uitslag nog onzeker is Col. 1 :29 strijd arbeiden onder - Opb. 3 :5 strijd chr. - Opb. 3 :21 strijd chr. : overwinning: loon Opb. 2 :17 strijd christelijk leven is een - 1 Tim. 1 :18 strijd de chr. - 1 Tim. 6 :12 strijd de goede - vh geloof: tegen het kwaad, voor het goede Job 7 :1 strijd de mens heeft een - op de aarde Deut. 20 :5 v strijd deelname aan -: wie niet hoeft Opb. 21 :7 strijd der christenen Nu 4 :35 strijd dienst id tent der samenkomst Jac. 4 :1 strijd door de hartstochten, in onze leden Ri 4 :6 strijd door God geboden: inschakeling van 10.000 man Deut. 20 :10 strijd eerst vrede zoeken, aanbieden Matth. 12 :29 strijd geestelijk - 2 Cor. 2 :10 strijd geestelijk - 1 Pe 5 :8 v strijd geestelijke - Filip. 1 :30 strijd geestelijke - zien, horen, hebben Ef. 6 :13 strijd geestelijke -: afwisselend twee perioden 2 Cor. 10 :4 strijd geestelijke -: bolwerken afbreken 2 Tim. 2 :3 strijd geestelijke -: soldaat van Christus Jezus Ez. 13 :5 strijd geestelijke -: verdediging Matth. 13 :25 strijd geestelijke -: vereist waakzaamheid Matth. 4 :10 strijd geestelijke -: wapen: Gods woord 2 Tim. 2 :5 strijd geestelijke -: wettig strijden Jes. 42 :13 strijd God als soldaat 1 Kron. 14 :15 strijd God behaalt de overwinning voor en met ons Jer 15 :20 strijd God behoudt 2 Sam. 22 :34 strijd God leert mijn handen ten strijde Ri 3 :2 strijd God leert ons de - Deut. 20 :5 strijd God met ons in de -: toch slachtoffers mogelijk Ri 4 :15 strijd God overwint voor ons 1 Sam. 7 :10 strijd God strijdt Deut. 20 :4 strijd God strijdt voor ons Ri 4 :14 strijd God trekt voor ons uit 1 Kon. 20 :14 strijd Gods leiding in de - 1 Kron. 19 :13 strijd Gods werk en ons werk daarin 2 Sam. 18 :8 strijd Gods: strijdmiddel: woud 2 Tim. 4 :6 strijd goede - 2 Tim. 4 :7 strijd goede - Hebr. 1 :13 strijd huidige - Jac. 4 :1 strijd in de leden 1 Pe 2 :12 strijd innerlijke - 2 Kron. 20 :15 strijd is Gods 2 Sam. 22 :40 strijd kracht ten -e: door God Pred. 8 :8 strijd machteloos in Deut. 2 :24 ,26 strijd mengt u met hen in de -! Joz 24 :12 strijd middel Gods: horzelen Col. 2 :2 strijd om vertroosting Luk. 22 24 strijd onder de heiligen: vleselijke kwestie hier 1 Thess.2 :2 strijd onder veel - over het evangelie spreken Ps. 144:1 strijd onderwijs: God Opb. 3 :21 strijd onze geestelijke - 1 Tim. 1 :19 strijd ook om geloof e.d. te behouden Jac. 4 :2 strijd oorzaak: onvervulde begeerte Opb. 3 :12 strijd overwinnen 2 Kon 13 :23 v strijd overwinning: Gods werk Spr. 24 :6 strijd overwinning: vele raadgevers Deut. 20 :4 strijd parallel: strijd tegen vlees: door de Geest Nu 10 :9 strijd redding van de vijanden 1 Sam. 17 :24 strijd slagorden van Israel waren de slagorden van God Deut. 20 :2 strijd taak priester: volk bemoedigen Ef. 6 :11 v strijd tegen de duivel Spr. 28 :4 strijd tegen de goddelozen: door de bewaarders van de wet 1 Pe 2 :12 strijd tegen uw ziel Jac. 1 :14 strijd tegen verlokkende begeerten Deut. 20 :1 strijd tegen vijanden Ri 1 :19 strijd terughouden: vanwege ijzeren wagens 2 Kon 16 :5 strijd tuchtmiddel Gods 1 Kron. 5 :22 strijd van God: de strijd was van God 2 Cor. 10 :3 strijd voeren: naar het vlees Col. 2 :20 strijd voor anderen Deut. 20 :1 ,3 strijd vrees niet Ps. 7 :14 strijd wapen: God heeft dodelijke wapenen voor de goddelozen gereedgemaakt Ps. 7 :13 strijd wapen: zie Boog Ps. 7 :13 strijd wapen: zie Zwaard Ps. 7 :11 strijd wapen:schild: mijn schild is b God Nu 4 :3 strijd werk voor God is een - 2 Tim. 2 :14 strijd woordenstrijd: pas ervoor op 1 Sam. 17 :47 strijd zie ook Krijg 1 Sam. 16 :18 strijd zie ook Krijgsman 1 Sam. 15 :29 strijd zie ook Overwinning strijd zie ook Overwinning, Wapens 1 Kron. 5 :20 strijd zij riepen tot de HERE in de krijg Ri 3 :10 strijden door de kracht van Gods Geest Deut. 20 :4 strijden door God Joz 23 :3 strijden door God zelf, voor ons, vs 10 Jes. 63 :10 strijden door God: tegen Zijn volk Joz 10 :14 strijden door God: voor Israel Joz 10 :42 strijden door God: voor Israel Joz 23 :10 strijden door God: voor Israel Col. 4 :12 strijden geval: Epafras Deut. 3 :22 strijden God strijdt voor u Col. 4 :12 strijden in de gebeden Filip. 4 :3 strijden in het evangelie 1 Sam. 14 :15 strijden meestrijden door God: door een aardbeving Filip. 1 :27 strijden meestrijden mh geloof vh evangelie 2 Kon 13 :12 strijden met macht tegen een andere staat Jud :3 strijden voor het geloof 2 Tim. 2 :5 strijden wettig 1 Tim. 4 :10 strijden Filemon :2 strijder medestrijder Ri 2 :3 strik afgod een - Ps. 141:9 strik bewaar mij voor - Spr. 12 :13 strik der bozen: is in de overtreding der lippem Ps. 57 :7 strik gelegd 1 Tim. 6 :9 strik in een - vallen Spr. 22 :25 strik over je ziel een - halen 2 Sam. 22 :6 strik strikken des doods Ps. 119:110 strik toch gehoorzaam 1 Tim. 6 :11 strik zonde als te ontvluchten -, vgl. vers 9 Ps. 141:10 strikken straft zichzelf Luk. 11 :53 strikvraag voor de Heer Jezus Tit. 2 :15 structuur wat te spreken Luk. 20 18 struikelblok Christus als - Matth. 11 :6 struikelblok Jezus als mogelijk - Matth. 13 :41 struikelblok -ken in het Koninkrijk der hemelen Lev. 19 :14 struikelblok voorbeeld, letterlijk Matth. 18 :7 struikelblok Ps. 105:37 struikelen behoeden voor - Jud :24 struikelen bewaren voor -: door God 1 Sam. 2 :4 struikelen die struikelden zijn met sterkte omgord Spr. 24 :16 struikelen door de goddeloze: in het kwaad Spr. 24 :16 struikelen door de rechtvaardige: 7 maal en opstaan Ps. 107:12 struikelen en geen helper die je overeind helpt Spr. 4 :16 struikelen iemand doen - Jac. 2 :10 struikelen in een gebod: overtreden Jes. 63 :13 struikelen niet -: dankzij Gods leiding Spr. 4 :12 struikelen voorkomen Spr. 3 :23 struikelen voorkomen: door wijsheid Marcus 1 :26 stuiptrekken door een onreine geest Jac. 3 :4 sturen Jac. 3 :4 stuurman Ez. 13 :3 subjectivisme je geest nawandelen 1 Kon. 22 :22 succes door God verzekerd: geval Joz 1 :7 v succes en gehoorzaamheid aan Bijbel Jer 5 :27 succes vals -: door bedrog 2 Cor. 7 :10 suicidaal 2 Kon 13 :19 symbolisch handeling: ongeweten Marcus 12 :39 synagoge eerste zetels in de -n Joh. 18 :20 synagoge onderwijs 2 Kon 17 :32 v syncretisme geval 2 Kon 17 :41 syncretisme geval 2 Kon 15 :35 Syrie door God gebruikt om Juda te tuchtigen 2 Kon 16 :5 Syrie Gods tuchtroede 2 Sam. 8 :6 Syrie onderworpen Amos 1 :3 v Syrie oordeel over 2 Kron. 18 :30 Syrie strijd tegen - Amos 9 :7 Syriers oorsprong: door God opgevoerd