Jac. 5 :3 laatst laatste dagen 1 Pe 1 :5 laatst tijd: -e tijd Opb. 2 :8 laatste Christus de - Matth. 20 :1 v laatste eerste Ez. 38 :16 laatste in het - der dagen Ez. 38 :8 laatste in het - der jaren Marcus 10 :31 laatste vele -n zullen eersten zijn Marcus 9 :35 laatste zijn Marcus 9 :35 laatste zijn en dienen Ps. 2 :4 lachen Die in de hemel woont, zal lachen Spr. 14 :13 lachen en tegelijkertijd smart hebben in het hart Pred. 2 :2 lachen onzinnig Ps. 52 :8 lachen over een goddeloze Pred. 7 :3 lachen treuren is beter dan - Pred. 7 :6 lachen van een zot: ijdelheid lachen zie ook Uitlachen Opb. 4 :6 Lam Christus: 7 horens en 7 ogen Opb. 4 :6 Lam Christus: staan als geslacht 1 Pe 1 :19 lam Christus: vlekkeloos en onbesmet - Spr. 27 :26 lam lammeren tot kleding 1 Pe 1 :19 lam vlekkeloos en onbesmet -: Christus Spr. 13 :9 lamp en licht Matth. 25 :7 lamp fig. leven Joh. 5 :35 lamp fig. mens: Johannes de Doper 2 Kon 8 :19 lamp fig. troon Ps. 132:17 lamp fig.: heerschappij en heerlijkheid 2 Sam. 21 :17 lamp fig.: lamp van Israel uitblussen Spr. 6 :23 lamp gebod is een - Spr. 13 :9 lamp geestelijke - 1 Sam. 3 :3 lamp Gods - 1 Kon. 15 :3 lamp in Jeruzalem Spr. 13 :9 lamp uitblussen: de - der goddelozen zal uitgeblust worden Marcus 4 :21 lamp zinnebeeld van de gemeente Luk. 15 :8 lamp 2 Sam. 22 :29 lamp God is onze - Lev. 20 :24 land belofte van het Joz 1 :2 land beloofde land intrekken na de dood van Mozes 1 Kron. 28 :8 land bezitten: blijvend, erfelijk: voorwaarde: gehoorzaamheid aan God 1 Kron. 28 :8 land doen erven: mits in gehoorzaamheid aan God Ps. 143:6 land geestelijk: van de ziel Ps. 65 :10 land God bereid het koren Deut. 32 :43 land Gods - Ez. 14 :13 land Gods tucht jegens een verkeerd - Hos. 5 :10 land inpikken Deut. 19 :14 land inpikken verboden Obadja :19 land Israel: voor Israel Deut. 27 :3 v land komen in het beloofde -: voorwaarde: stenen oprichten en daarop de woorden Gods schrijven 2 Kron. 6 :31 land leven op het - Jer 4 :3 land ontgin u een nieuw - Spr. 28 :2 land overtreding van het - Lev. 20 :22 land spuwt inwoners uit Lev. 18 :25 land spuwt inwoners uit, vs 28 Jac. 5 :7 land vrucht van het - Ex. 23 :11 landbouw wet voor de -: 7-jaarlijkse rust Joh. 15 :1 landman de Vader is de - Lev. 21 :18 lang van leden Ps. 103:8 lankmoedig God is - Ps. 145:8 lankmoedig God is - 1 Thess.5 :15 lankmoedig weest - jegens allen Spr. 16 :32 lankmoedige beter dan een held, sterke Pred. 7 :8 lankmoedige is beter dan de hoogmoedige Spr. 14 :29 lankmoedige is groot van verstand Col. 3 :12 lankmoedigheid aan te doen Col. 3 :12 lankmoedigheid bron: Christus, zie vers 11 1 Tim. 1 :16 lankmoedigheid Jezus' -: geval Col. 1 :11 lankmoedigheid kracht tot - Col. 1 :11 lankmoedigheid kracht tot - 2 Tim. 3 :10 lankmoedigheid navolgen Rom. 2 :4 lankmoedigheid rijkdom van -: bij God 2 Tim. 4 :2 lankmoedigheid vermaan: in alle lankmoedigheid en lering 2 Cor. 6 :6 lankmoedigheid Col. 2 :1 Laodicea gemeente in - Hebr. 12 :1 last afleggen Matth. 11 :28 last be-? Kom tot Christus Gal. 6 :2 last draagt elkaars -en Hebr. 12 :1 last en zonde Matth. 11 :30 last Jezus' - last is licht 2 Thess.3 :8 last niemand tot - zijn Opb. 2 :24 last opgave Opb. 2 :24 last opleggen: door Christus 1 Thess.2 :9 last opleggen: nalaten Ps. 119:134 last over-: van mensen: verlos mij ervan Jes. 10 :27 last van Assur Jes. 1 :14 last voor God Opb. 2 :9 laster - jegens ons, gekend door Chrisus Col. 3 :8 laster af te leggen Ex. 23 :1 laster geen vals gerucht opnemen Opb. 2 :9 laster hulp bij -: ware aard van de lasteraar zien Deut. 22 :13 v laster man over zijn vrouw 2 Sam. 16 :3 laster Ziba t.o.v. Mefiboseth Ps. 101:5 laster 1 Tim. 1 :13 lasteraar 1 Tim. 5 :15 lasteren aanleiding tot - geven Jud :9 lasteren behandeling van - 1 Pe 4 :4 lasteren door de wereld 1 Pe 4 :4 lasteren door ongelovigen 2 Sam. 12 :14 lasteren door vijanden van God: nav zonde gelovige Jes. 1 :4 lasteren God - 2 Kon 19 :6 lasteren God -: geval Lev. 24 :16 lasteren Gods naam - Marcus 15 :29 lasteren Jezus - Matth. 27 :39 lasteren Jezus gelasterd 1 Pe 4 :4 lasteren kwaadspreken, vgl. 3:16 Tit. 3 :2 lasteren niemand te - Jud :10 lasteren uit onwetendheid 1 Tim. 6 :1 lasteren van God: voorkomen: door goed gedrag Marcus 2 :7 lasteren verdenking van laster 1 Tim. 6 :1 lasteren voorkomen: door goed gedrag Tit. 2 :5 lasteren woord van God: opdat dit niet gelasterd wordt Marcus 3 :28 lasteren Marcus 7 :21 lastering oorsprong: hart 1 Tim. 6 :5 lastering ootzaak van -: andere leer en woordenstrijd Matth. 26 :65 lastering schijnbare - Ef. 4 :31 lastering tegen - Matth. 12 :31 lastering vergeven, niet vergeven Marcus 14 :6 lastigvallen iemand - 1 Pe 3 :7 LAT-relatie tegen -: woont bij je vrouw 1 Tim. 5 :13 ledigheid 1 Sam. 15 :35 leed dragen om iemand 1 Sam. 16 :1 leed dragen: door God ingeperkt Ex. 2 :24 leed God kent ons - Spr. 12 :21 leed rechtvaardige: hem zal geen - wedervaren Lev. 19 :14 leedvermaak tegen - Ez. 26 :2 leedvermaak Tyrus over Jeruzalem Deut. 27 :18 leedvermaak veroordeeld Spr. 17 :5 leedvermaak Nu 4 :23 leeftijd 30 tot 35 jaar oud in de dienst des tabernakels Gen. 47 :9 leeftijd afnemend in O.T. 1 Kon. 3 :14 leeftijd en gehoorzaamheid Luk. 1 :7 leeftijd hoge - Spr. 3 :16 leeftijd hogere - door wijsheid Jes. 38 :5 leeftijd in Gods hand 1 Tim. 4 :12 leeftijd jeugdige - verachten Nu 3 :46 leeftijd klasse: 1 maand en ouder Nu 1 :32 leeftijd klasse: 20 jaren en daarboven Nu 4 :3 leeftijd klasse: 30 - 50 jaar Nu 8 :24 leeftijd levieten dienen vanaf 25 - 50 jaar Gen. 9 :28 leeftijd Noachs -: 950 Nu 3 :22 leeftijd te rekenen vanaf, vs 39v Nu 1 :3 leeftijd volwassen 1 Tim. 5 :9 leeftijd Ruth 1 :20 leeg Naomi keerde ledig weder 1 Tim. 6 :4 leer andere - en opgeblazenheid 1 Tim. 1 :3 leer andere -: niet brengen 1 Tim. 6 :3 leer andere leer inzake houding der slaven 1 Tim. 6 :3 v leer andere leer: gevolgen 1 Tim. 5 :17 leer arbeiden in woord en leer Hebr. 5 :12 leer behoefte aan - 1 Tim. 6 :3 leer beoordeling van Spr. 13 :14 leer Christus - : bron van leven 2Jo :9 leer de - van Christus Opb. 2 :24 leer dwaal- hebben Matth. 22 :23 leer dwaalleer: er is geen opstanding Luk. 20 28 v leer dwaalleer: gebaseerd op onware onderstellingen 2 Tim. 1 :13 leer en liefde 1 Tim. 6 :4 leer en waarheid Hebr. 6 :2 leer fundamentele - 1 Tim. 4 :16 leer geef acht op de leer 1 Tim. 1 :10 leer gezonde - 1 Tim. 6 :3 leer gezonde - Tit. 1 :9 leer gezonde - Tit. 2 :1 leer gezonde - 2 Tim. 4 :3 leer gezonde -: niet verdragen Deut. 32 :2 leer Gods - gelijk water Opb. 2 :24 leer goede - is belangrijk Spr. 1 :5 leer in - toenemen 2Jo :9 leer in de - blijven Tit. 2 :7 leer in de - onvervalstheid 1 Tim. 1 :10 leer ingaan tegen de gezonde leer Marcus 1 :22 leer Jezus' - Luk. 4 :32 leer Jezus' -: bijzonder Jes. 42 :4 leer Jezus' -: de eilanden zullen op zijn - wachten Joh. 7 :16 leer Jezus' -: van God 1 Tim. 6 :1 leer lasteren 1 Tim. 1 :10 leer leven contra - Tit. 1 :9 leer naar de - betrouwbare woord 2 Tim. 3 :10 leer navolgen 1 Tim. 6 :2 leer normatieve - Matth. 5 :19 leer onjuiste - 1 Tim. 6 :3 leer overeenkomstig de godsvrucht Jes. 30 :21 leer probleemgericht ook Spr. 1 :9 leer sieraad Spr. 9 :9 leer toenemen in - Marcus 12 :18 leer valse -: geval: ontkenning van de opstanding 2 Tim. 2 :17 leer valse -: kanker 2 Tim. 2 :19 leer valse -: ongerechtigheid 2 Tim. 2 :16 v leer valse -: onttrek je eraan 2 Tim. 2 :16 leer valse -: toenemende goddeloosheid 2 Tim. 2 :18 leer valse -: werpt geloof om Tit. 2 :10 leer van God 2Jo :9 leer verdergaan dan de leer van Christus Gal. 1 :7 v leer verkeerde - Matth. 16 :12 leer verkeerde - : daarvoor op te passen Opb. 2 :14 leer verkeerde - vasthouden Spr. 1 :8 leer verlaten Tit. 2 :10 leer versieren Marcus 8 :15 leer waakzaamheid ten aanzien van - leer zie ook Lering Matth. 23 :9 leermeester Christus is onze enige - Opb. 4 :5 leeuw Christus: - uit de stam van Juda 1 Sam. 17 :34 leeuw door David overwonnen 2 Kon 17 :25 leeuw door God gezonden tot straf Ez. 38 :13 leeuw fig. Spr. 28 :1 leeuw fig. zinnebeeld van moed 1 Kon. 20 :36 leeuw gedood door een leeuw 2 Sam. 23 :20 leeuw geslagen Spr. 26 :13 leeuw gevaarlijk dier Spr. 19 :12 leeuw gramschap 1 Kron. 12 :8 leeuw helden met aangezichten der leeuwen Spr. 20 :2 leeuw jonge - Spr. 28 :1 leeuw jonge -: moedig 1 Kon. 13 :2 leeuw type van Satan Opb. 5 :5 leeuw van Juda Ps. 7 :3 leeuw verscheurend dier: fig. toegepast 1 Kron. 11 :22 leeuw verslagen: door Benaja Ps. 104:20 leeuw 2 Tim. 4 :17 leeuwenmuil uit de - gered: Paulus 1 Kron. 12 :22 leger groot leger, als een - Gods 2 Kron. 14 :8 v leger omvang Hebr. 13 :13 legerplaats uitgaan buiten de - Hebr. 13 :11 legerplaats verbranding buiten de -: lichamen van offerdieren Matth. 26 :53 legioen 6000 man Marcus 1 :12 leidbaar Jezus Joz 3 :4 leiden door de ark Joh. 16 :13 leiden door de Geest: in de hele waarheid 1 Sam. 12 :26 leiden door God 1 Sam. 14 :41 leiden door God Ps. 143:8 leiden door God Jes. 57 :18 leiden door God Jes. 58 :11 leiden door God Deut. 28 :37 leiden door God: als strafmaatregel Hebr. 8 :9 leiden door God: bij de hand nemend 2 Kon 19 :7 leiden door God: de vijand wegleiden Jes. 63 :13 leiden door God: door de afgronden Ex. 15 :13 leiden door God: door Zijn weldadigheid Ex. 13 :17 leiden door God: een overweging bij God 1 Sam. 23 :27 leiden door God: inval der filistijnen om David te bewaren Ps. 136:16 leiden door God: Israel door de woestijn Matth. 6 :13 leiden door God: leid ons niet in verzoeking 2 Kron. 6 :9 leiden door God: nee zeggen tegen edele voornemens Deut. 4 :27 leiden door God: ook in strafoefening door God Ps. 139:24 leiden door God: op de eeuwige weg Ps. 139:10 leiden door God: overal 2 Sam. 17 :14 leiden door God: raad vernietigen Ex. 15 :13 leiden door God: tot Zijn liefelijke woning, vgl. vs 17 2 Kon 19 :28 leiden door God: vijand wegleiden, gedwongen Ez. 28 :7 leiden door God: volken als strafmiddel Ps. 73 :24 leiden door God: Zijn Raad Jes. 63 :14 leiden door God: Zijn volk Marcus 8 :23 leiden door Jezus: een blinde 2 Sam. 6 :3 leiden een wagen - Deut. 32 :12 leiden God leidde Israel Ps. 107:7 leiden God leidde ze op een rechte weg Spr. 16 :29 leiden in een weg die niet goed is Matth. 27 :31 leiden Jezus weggeleid om gekruisigd te worden Ps. 5 :9 leiden leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil Spr. 11 :3 leiden oprechtheid leidt de oprechten leiden zie ook Voorgaan Dan. 6 :1 leider - worden op 62e Matth. 15 :14 leider blinde - Matth. 23 :16 leider blinde leidslieden Jes. 9 :15 leider die misleiden 2 Kon 17 :21 leider die tot zonde verleidt 2 Kon 21 :9 leider doende dwalen: Manassa deed het volk dwalen Micha 3 :1 leider eis aan -: het recht weten Ri 17 :6 leider geen koning in Israel 2 Cor. 1 :23 leider hoedanigheid 1 Sam. 12 :27 leider murmureren over - 1 Sam. 12 :27 leider verachten Matth. 2 :6 leider weidt, hoedt 2 Tim. 4 :12 leider zendt: Paulus leider zie ook Koning, Overste Ps. 107:7 leiding behoefte gevoelen aan leiding, in benauwdheid 1 Sam. 16 :7 leiding bij het kiezen: Samuel Luk. 21 15 leiding door Christus Matth. 4 :1 leiding door de Geest Marcus 1 :12 leiding door de Geest Luk. 2 :27 leiding door de Geest Luk. 12 :12 leiding door de Heilige Geest: in het belijden van Christus 2 Kron. 25 :7 leiding door de mond van een broeder Nu 9 :17 v leiding door de wolk des HEEREN Matth. 2 :13 leiding door een droom 2 Kon 1 :3 leiding door een engelboodschap 2 Kon 1 :15 leiding door een engelboodschap 1 Sam. 22 :5 leiding door een profeet: David door Gad Deut. 1 :33 leiding door God Deut. 8 :15 leiding door God 1 Sam. 28 :15 leiding door God: antwoorden 2 Sam. 2 :1 leiding door God: antwoorden op reeks vragen Jes. 63 :14 leiding door God: brengt rust 1 Sam. 9 :17 leiding door God: door een stem 2 Tim. 2 :7 leiding door God: door inzicht te geven 1 Kon. 21 :17 leiding door God: Elia: geval Ri 7 :13 leiding door God: geval 1 Sam. 16 :3 v leiding door God: geval Ezra 7 :6 leiding door God: gunstig stemmen Matth. 10 :27 leiding door God: hoe Spr. 16 :9 leiding door God: iemands gang Ri 20 :18 ,23 leiding door God: in de oorlog 1 Kon. 2 :15 leiding door God: in de politiek Matth. 2 :12 leiding door God: in een droom Matth. 2 :22 leiding door God: in een droom 1 Sam. 28 :6 leiding door God: middelen 1 Sam. 28 :15 leiding door God: middelen en wijzen Matth. 2 :9 leiding door God: middels een ster Ex. 13 :21 leiding door God: middels een vuurkolom Ex. 13 :21 leiding door God: middels een wolk 1 Kron. 14 :14 leiding door God: na gebed Jes. 63 :14 leiding door God: opdat Hij zich een heerlijke naam zou maken Jer 13 :1 ,3 leiding door God: soms stap voor stap Ex. 40 :1 v leiding door God: stap voor stap: eerst de bouw, daarna de oprichting 2 Kron. 25 :20 leiding door God: ten verderve (tot tucht) 2 Kon 8 :5 leiding door God: verborgen: de Sunamietsche 2 Kron. 11 :2 leiding door God: verhinderen 1 Sam. 25 :32 leiding door God: verhinderen: geval 2 Sam. 7 :4 leiding door God: verhinderen: geval 1 Sam. 8 :7 leiding door God: verworpen doordat men een menselijke koning begeerde 1 Sam. 9 :15 leiding door God: zonder dat je het weet Ez. 23 :1 leiding door Gods stem: Zijn woord 'geschiedde' tot mij Spr. 6 :22 leiding door Gods woord, in onze wandel Jes. 30 :21 leiding door leraars 2 Sam. 6 :9 v leiding door omstandigheden, door verstand te gebruiken 1 Kron. 27 :24 leiding door omstandigheden: ongunstige omst. Gal. 2 :2 leiding door openbaring Gal. 2 :2 leiding door openbaring 1 Kon. 22 :20 leiding door overreding 2 Kon 12 :2 leiding door raad en onderricht van ander: geval Spr. 20 :18 leiding door raad van wijzen Joh. 5 :20a leiding door te zien wat God doet Ex. 40 :36 leiding door vuurkolom en wolkkolom 1 Kron. 14 :10 leiding gebed om - Jer 42 :3 leiding gebed om - Ri 17 :3 leiding gebrek aan -: gevolgen 1 Thess.5 :12 leiding geven in de Heer 1 Tim. 5 :14 leiding geven: door de huisvrouw Ps. 107:7 leiding God leidt naar een doel, bijv. een stad ter woning 2 Sam. 17 :29 leiding God zorgt voor voedsel in de woestijn 1 Kon. 12 :15 leiding Gods - 2 Kron. 35 :21 -22 leiding Gods - d.m.v. niet-christenen Jer 38 :8 leiding Gods - voor Jeremia ten leven 1 Kon. 12 :22 leiding Gods -: iem. verhinderen 1 Sam. 16 :18 leiding Gods -: in het verborgen Joh. 7 :6 leiding Gods -: in Jezus' leven 1 Kon. 13 :18 leiding laat je niet leiden door anderen Hebr. 13 :23 leiding meerhoofdige leiding in de gemeente Joz 9 :15 leiding nalaten Gods - te zoeken: bij list der Gibeonieten Joh. 5 :20 leiding van Christus (gen .obj.) Ps. 106:13 leiding verbeiden van Gods raad Deut. 31 :3 leiding voorgaan: door God en Jezus Luk. 22 49 leiding vragen om - zonder rust of geduld 1 Kon. 13 :18 leiding wees zelf overtuigd en geleid 1 Kon. 22 :3 leiding zoeken 1 Sam. 30 :8 leiding zoeken: bij God 1 Sam. 28 :15 leiding zoeken: bij overledenen Ri 1 :1 leiding zoeken: door Israel: van God 2 Sam. 5 :19 leiding zoeken: van God: geval: David 2 Sam. 5 :23 leiding zoeken: van God: geval: David 2 Kon 3 :11 leiding zoeken: via een profeet 1 Kon. 5 :16 leidinggevende voert heerschappij Matth. 15 :13 leidsman blinde - leidslieden Gen. 33 :14 leidsman Jacob - Hebr. 12 :2 leidsman overste -: Jezus 1 Kon. 7 :22 leliewerk op de pilaren Jachin en Boaz 2 Kon 9 :1 lenden gord uw lendenen Deut. 15 :6 lenen aan Deut. 24 :17 lenen aan een veduwe: haar kleed niet te pand nemen Spr. 19 :17 lenen aan God: door ontferming over de arme Deut. 15 :8 lenen aan iem.: hoeveel Deut. 15 :8 lenen aan: rijkelijk Matth. 5 :42 lenen doen Luk. 6 :34 lenen door zondaars Deut. 15 :6 lenen van Deut. 24 :10 lenen voorschriften Deut. 28 :12 lenen Lev. 21 :18 lengte kort lichaam Matth. 18 :27 lening 2 Tim. 1 :11 leraar aanstelling: door God Joel 2 :23 leraar Christus - 2Jo :10 leraar dwaal-: niet ontvangen Ex. 35 :34 leraar gave Gods Jac. 3 :1 leraar laat niet velen -s worden Ez. 44 :23 leraar taak 2 Tim. 2 :18 leraar valse -s Jud :4 leraar valse -s in de Gemeente 1 Tim. 6 :5 leraar valse -s: kenmerk: geldlust Marcus 7 :7 leraar verantwoordelijkheid 2 Tim. 2 :2 leraar vereisten: trouw, bekwaam om te leren Ezra 7 :10 leraar verlangen - te zijn: Ezra 2 Tim. 4 :3 leraar verzamelen van -s 1 Tim. 1 :7 leraar willen zijn Hebr. 5 :12 leraar worden Jes. 30 :20 leraars wenselijk Tit. 2 :3 lerares van het goede Jac. 3 :1 -2 leren alleen door mannen (associatie) Deut. 20 :18 leren als slecht voorbeeld geven 2 Tim. 2 :2 leren bekwaamheid tot 2 Tim. 3 :14 leren blijf in wat je geleerd hebt 1 Kon. 8 :36 leren de goede weg: door God Deut. 4 :10 leren de woorden van God Col. 1 :28 leren doel Deut. 4 :10 leren doel: vreze Gods Luk. 6 :6 leren door Christus Luk. 20 1 leren door Christus Luk. 21 6 leren door Christus: aanleiding nemen Matth. 5 :2 leren door Christus: bergrede Luk. 20 21 leren door Christus: hoe: in waarheid Matth. 4 :23 leren door Christus: in de synagoge Luk. 21 36 leren door Christus: overdag Joh. 18 :20 leren door Christus: waar: synagoge, tempel, waar alle Joden samenkomen Luk. 20 21 leren door Christus: wat: weg Gods 1Jo 2 :27 leren door de Geest Joh. 14 :26 leren door de Heilige Geest Deut. 24 :8 leren door de Levietische priesters Spr. 1 :8 leren door een moeder Opb. 2 :20 leren door een vrouw Jona 4 :6 leren door gebeurtenissen: Jona en de wonderboom Ps. 132:12 leren door God Ps. 94 :12 leren door God (onderrichten): uit zijn woord Ps. 94 :10 leren door God: aan de mens: wetenschap Jes. 28 :26 leren door God: aan ons 2 Kron. 6 :27 leren door God: de goede weg om daarin te wandelen Ps. 119:102 leren door God: ons: door Zijn woord Ps. 119:135 leren door God: ons: Zijn inzettingen Marcus 1 :21 leren door Jezus Marcus 2 :2 leren door Jezus Marcus 2 :13 leren door Jezus Marcus 4 :1 leren door Jezus Marcus 6 :6 leren door Jezus Marcus 8 :31 leren door Jezus Marcus 9 :31 leren door Jezus Marcus 10 :1 leren door Jezus Matth. 7 :6 leren door Jezus: als gezaghebbend Marcus 4 :2 leren door Jezus: door gelijkenissen Marcus 12 :35 leren door Jezus: door vragen te stellen Luk. 20 9 leren door Jezus: met gelijkenissen Luk. 4 :31 leren door Jezus: op de sabbatten Marcus 4 :2 leren door Jezus: veel dingen Marcus 6 :34 leren door Jezus: vele dingen Matth. 26 :55 leren door Jezus: waar: in de tempel Matth. 26 :55 leren door Jezus: wanneer: dagelijks Dan. 4 :25 leren door tegenspoed Jer 9 :14 leren door vaders: tegen Gods geboden leren Filip. 3 :17 leren door zien op voorbeelden 2 Thess.2 :15 leren Du. lehren: door woord, of door brief Col. 3 :16 leren elkaar: leert elkaar in alle wijsheid 1 Tim. 4 :11 leren en bevelen Marcus 6 :30 leren en doen Matth. 23 :3 leren en niet doen Ps. 119:73 leren geboden van God - Filip. 4 :9 leren geleerde doen Col. 2 :7 leren geloof aan iemand - (Du. Lehren) 2 Tim. 2 :24 leren geschikt om te leren Jes. 1 :17 leren goeddoen 1 Tim. 4 :13 leren houd aan met - Spr. 22 :25 leren iemands pad leren 1 Tim. 5 :13 leren iets verkeerds leren door omstandigheden Col. 1 :28 leren in wijsheid Marcus 7 :7 leren inhoud: geboden van mensen Matth. 28 :15 leren instrueren hier Matth. 13 :54 leren Jezus: leren door J: in synagoge Deut. 18 :9 leren kwaad - 1 Tim. 6 :2 leren leer deze dingen Ps. 86 :11 leren leer mij Uw weg Marcus 13 :28 leren leert deze les Job 6 :24 leren leert mij en ik zal zwijgen Jer 12 :16 leren lehren: belangrijk Spr. 16 :21 leren lering vermeerderen door zoete woorden Pred. 7 :2 leren lernen: in zijn hart leggen Deut. 5 :1 leren lernen: ten einde te doen Deut. 5 :1 leren lernen: van Gods wet: geboden Deut. 5 :1 leren lernen; en waarnemen Marcus 14 :49 leren levenstaak van Jezus Deut. 31 :19 leren lied leren aan iemand Deut. 31 :22 leren lied: Mozes leerde de kinderen Israels een lied 1 Thess.2 :8 leren meedelen leer en leven 2 Tim. 3 :16 leren met de bijbel Ps. 53 :1 leren met een psalm Marcus 1 :22 leren met gezag Deut. 6 :8 leren methoden Matth. 5 :19 leren na doen Luk. 21 6 leren niet alles tegelijk: bijv. wanneer Jer 10 :2 leren niet leren de weg der heidenen Jer 3 :8 leren niet leren ten onrechte, van eens anders zonden Hebr. 5 :12 leren nodg hebben geleerd te worden 2 Kron. 17 :7 v leren nut, gevolgen Ps. 119:71 leren onder verdrukking Ps. 94 :12 leren onderrichten: om iem. rust te geven Matth. 28 :19 leren onderrichten: te bewaren alles wat ik geboden heb Ps. 94 :12 leren onderrichten: welgelukzalig dien Gij leert uit uw wet Matth. 5 :19 leren onderwerp: geboden Ez. 44 :23 leren onderwijs geven over onderscheid heilig vs onheilig Matth. 15 :9 leren onderwijzen leringen van mensen 1 Sam. 12 :23 leren onderwijzen: de goede en rechte weg Deut. 4 :14 leren onderwijzen: geboden door God Deut. 31 :19 leren onderwijzen: leren meer dan onderwijzen? Is leren per definitie succesvol? Deut. 5 :31 leren opdracht aan Mozes Marcus 4 :1 leren plaats: bij de zee: door Jezus Jac. 3 :2 leren struikelen in leren Filip. 4 :11 leren tevreden te zijn met de omstandigheden Marcus 6 :34 leren uit ontferming Matth. 11 :29 leren van Christus - Joh. 6 :45 leren van God - Jes. 2 :2 leren van God: in toekomst: gewenst door de volken Jer 7 :12 leren van het verleden Spr. 24 :32 leren van iem. anders fouten Ps. 106:35 leren verkeerd: werken van de heidenen leren Deut. 14 :23 leren vrezen den HEERE, uw God Matth. 28 :19 leren wat: Jezus geboden bewaren Luk. 20 21 leren weg Gods - in waarheid Spr. 9 :9 leren wijze -: die zal nog wijzer worden Marcus 1 :22 leren wijze van Tit. 3 :8 leren wijze: aandringend Tit. 3 :14 leren zich toe te leggen op goede werken leren zie ook Onderrichten Ez. 44 :5 leren zijn best doen om te - 2 Tim. 3 :7 leren zonder tot kennis van de waarheid te komen 1 Tim. 5 :4 leren Hebr. 13 :9 lering allerlei -en Hebr. 13 :9 lering invloed van -en: laat u niet meeslepen door allerlei en vreemde leringen Col. 2 :22 lering mens: -en van de mensen Matth. 15 :9 lering mens: -en van mensen Marcus 7 :7 lering menselijke -en Marcus 7 :7 lering normatieve -en Matth. 15 :9 lering normatieve leringen Spr. 16 :21 lering vermeerderen: door zoetheid der lippen Hebr. 13 :9 lering vreemde -en Spr. 16 :23 lering wijsheid vermeerdert de lering Rom. 1 :26 lesbienne Rom. 1 :8 letterlijk verstaan - of niet Opb. 22 :15 leugen - liefhebben en doen Ps. 62 :5 leugen behagen in - Ps. 62 :10 leugen de grote lieden zijn - Joh. 3 :21 leugen doen Joh. 8 :44 leugen duivel: is in hem Jer 10 :14 leugen een gegoten beeld is - 2 Sam. 1 :9 leugen geval 2 Kon 8 :14 leugen geval Matth. 28 :15 leugen geval Ps. 119:163 leugen haten van - Joh. 3 :21 leugen leven uit - 1 Kon. 3 :16 v leugen onderscheiden: geval Jer 13 :25 leugen op - vertrouwen Jer 28 :15 leugen op - vertrouwen Ps. 63 :12 leugen -spreker Spr. 13 :5 leugen taal: de rechtvaardige haat - Joh. 8 :44 leugen vader van de leugen is de duivel Amos 2 :4 leugen verleidt Ps. 59 :13 leugen vertellen 2 Thess.2 :9 leugen wonderen van de - Spr. 19 :5 leugenaar ontkomt niet 1 Tim. 1 :10 leugenaar terechtwijzen door de wet Spr. 19 :9 leugenaar vergaat Ps. 101:7 leugenaar zal niet bevestigd worden Spr. 21 :28 leugenachtig getuige 1 Kon. 22 :22 leugengeest Ps. 119:104 leugenpad haten van alle -en 1Jo 3 :16 leven afleggen: voor de broeders Col. 2 :20 leven alsof gij in de wereld leefdet Luk. 17 32 leven behouden Matth. 16 :25 leven behouden of verliezen Joh. 5 :40 leven bij Christus te vinden Matth. 19 :17 leven binnengaan Filip. 4 :3 leven boek van het - Opb. 2 :7 leven boom des -s: in het paradijs Spr. 3 :18 leven boom des -s: is de wijsheid Spr. 11 :30 leven boom van het - Spr. 13 :12 leven boom van het - Spr. 13 :14 leven bron van -: leer van de wijze Joh. 6 :50 v leven brood van het -: begrip Joh. 6 :47 v leven brood van het -: Christus Col. 3 :4 leven Christus ons leven 1Jo 1 :2 leven Christus, het - Spr. 23 :17 leven dagelijks -: in de vreze des HEEREN Joh. 5 :26 leven de Vader heeft - in zichzelf Marcus 4 :20 leven doel: vrucht voor de zaaier (schepper, maker) Joh. 6 :57 leven door Christus: ik leef door Christus Gal. 5 :25 leven door de Geest Spr. 4 :4 leven door geboden te onderhouden Gal. 2 :20 leven door geloof Spr. 7 :2 leven door Gods geboden te bewaren Ez. 20 :11 leven door het doen van Gods rechten Lev. 18 :5 leven door het doen van Gods rechten en inzettingen Joh. 6 :57 leven door iem.: Christus leeft door de Vader Hebr. 12 :9 leven door onderwerping aan God Spr. 3 :22 leven door wijsheid 1 Thess.3 :8 leven doordat iemand anders vaststaat in de Heer Ps. 90 :10 leven duur Ps. 55 :24 leven duur bekort vanwege zonde Ps. 91 :16 leven duur van het -: door God verlengd Deut. 17 :20 leven duur: afhankelijk van gehoorzaamheid 2 Kon 20 :6 leven duur: door God bepaald: Hizkia 1 Pe 5 :10 leven duur: kort Spr. 10 :27 leven duur: korter bij de goddelozen Spr. 10 :27 leven duur: langer door vreze des HEEREN Spr. 9 :11 leven duur: langer door wijsheid 1 Sam. 2 :31 leven duur: verkorten: door God: als straf Ps. 91 :16 leven eeuwig 2 Tim. 1 :10 leven eeuwig - Matth. 19 :29 leven eeuwig - beerven Marcus 10 :17 leven eeuwig - beerven 1 Tim. 1 :16 leven eeuwig - door geloof in de Heer Jezus Matth. 19 :16 leven eeuwig - krijgen: geboden bewaren 1 Kon. 1 :31 leven eeuwig - toegewenst 1Jo 2 :25 leven eeuwig -: aan ons beloofd Marcus 10 :30 leven eeuwig -: als toekomstig Jud :21 leven eeuwig -: als toekomstig Rom. 2 :7 leven eeuwig -: als vergelding Joh. 17 :2 leven eeuwig -: geeft de Heer aan ons Joh. 10 :28 leven eeuwig -: gegeven door de Zoon 1Jo 5 :11 leven eeuwig -: hebben de gelovigen 1Jo 3 :15 leven eeuwig -: heeft lief de broeders 1Jo 3 :15 leven eeuwig -: in mij Joh. 17 :3 leven eeuwig -: inhoud 1Jo 5 :20 leven eeuwig -: is Christus 1Jo 5 :11 v leven eeuwig -: is in Gods Zoon Gal. 6 :8 leven eeuwig -: oogsten 1 Thess.5 :10 leven eeuwig -: samen met Hem leven Joh. 5 :24 leven eeuwig -: tegenwoordig bezit Luk. 18 30 leven eeuwig -: toekomstig Tit. 1 :2 leven eeuwig -: toekomstig Joh. 6 :51 leven eeuwig -: tot in eeuwigheid Joh. 6 :58 leven eeuwig -: tot in eeuwigheid Joh. 6 :54 leven eeuwig -: verkrijgen, hoe Spr. 10 :30 leven eeuwig -: voor de rechtvaardigen Joh. 6 :47 leven eeuwig -: voor wie gelooft Joh. 5 :24 leven eeuwig -: wie -- heeft Joh. 3 :36 leven eeuwig -: wie in de Zoon gelooft 1Jo 3 :15 leven eeuwig -: wonen: in mij Marcus 12 :25 leven eeuwig leven: zijn als engelen in de hemelen 1 Tim. 6 :12 leven eeuwige -: grijp dat Tit. 3 :7 leven eeuwige -: hoop van Marcus 8 :35 leven eigen - willen behouden Deut. 30 :15 leven en het goede Joh. 1 :4 leven en licht 2 Tim. 1 :10 leven en onvergankelijkheid 1 Thess.3 :8 leven fig. opleven, verkwikt worden, innerlijk versterkt, moed krijgen Luk. 12 :14 leven geen bezit Gen. 6 :17 leven geest des -s Joh. 5 :24 leven geestelijk - Hebr. 12 :1 leven gelijk een wedloop 1 Pe 3 :7 leven genade van het (eeuwige) -: erfgenamen van die genade Luk. 8 :14 leven genietingen van het - 1Jo 1 :2 leven geopenbaard Spr. 12 :28 leven gerechtigheid doet - Spr. 15 :27 leven geschenken haten doet leven Marcus 10 :45 leven geven: door Christus: tot losprijs voor velen Deut. 30 :20 leven God is ons leven Spr. 4 :22 leven Gods woord is het - voor de vinder 2 Tim. 3 :12 leven godvruchtig - in Christus Jezus Joh. 20 :31 leven hebben: op grond van geloof; in Zijn naam 1Jo 5 :12 leven het - hebben: wie de Zoon heeft, heeft het - Marcus 9 :43 v leven het - ingaan Matth. 18 :8 leven het - ingaan: de hemel ingaan, het eeuwige leven Joh. 14 :6 leven het -: Christus Marcus 9 :43 v leven het -: Het Koninkrijk van God 1 Tim. 6 :19 leven het werkelijke - grijpen Hebr. 12 :1 v leven hoe te - Tit. 2 :12 v leven hoe te -, levenswijze 1 Tim. 6 :13 leven in - houden: door God 2 Tim. 3 :12 leven in Christus Jezus Jac. 5 :5 leven in genotzucht Deut. 6 :24 leven in het - behouden: doen van Gods wil 1Jo 3 :14 leven in het leven overgaan uit de dood Spr. 16 :15 leven in het licht van des Konings aangezicht is - Spr. 12 :28 leven in het pad der gerechtigheid is het - Gal. 2 :20 leven in het vlees (lichaam) Filip. 1 :22 leven in het vlees (lichaam) Ez. 18 :22 leven in je gerechtigheid Joh. 6 :53 leven in jezelf hebben Jac. 5 :5 leven in weelde Col. 3 :7 leven in zonden Gal. 5 :2 leven is Christus voor mij Joh. 11 :25 leven Jezus is het - Deut. 30 :19 leven kiest dan het leven Jac. 4 :14 leven kortheid Jac. 1 :12 leven kroon van het - Deut. 25 :15 leven lang - als vergelding Spr. 3 :2 leven langer leven dankzij Gods geboden Joh. 8 :12 leven licht van het - 1 Pe 3 :10 leven liefhebben Spr. 22 :4 leven loon van nederigheid 1 Thess.2 :8 leven meedelen aan anderen 2 Tim. 2 :11 leven met Christus - Deut. 31 :27 leven met mensen op aarde Col. 3 :3 leven mijn leven is met Christus verborgen in God Filip. 1 :22 leven moeite Luk. 20 38 leven na de dood 1 Pe 4 :2 leven naar begeerten van mensen: niet doen 1 Pe 4 :2 leven naar de wil van God 1 Pe 4 :6 leven naar God, in geest Deut. 31 :27 leven niet meer leven met de aardbewoners Gal. 2 :19 leven onder wet: i.t.t. - voor God 1Jo 4 :9 leven ons -: door Christus Hebr. 7 :16 leven onvergankelijk - Jac. 5 :5 leven op aarde 1 Pe 1 :6 leven op aarde: korte tijd Gal. 3 :11 leven op grond van geloof Deut. 30 :16 leven opdat gij leeft Ps. 16 :11 leven pad des -s Spr. 10 :17 leven pad tot het - Opb. 3 :1 leven schijn van - Deut. 11 :21 leven -sduur: en gehoorzaamheid Pred. 2 :23 leven smartelijk Spr. 16 :22 leven springader des -s: het verstand Spr. 10 :11 leven springaders des -s: de mond des rechtvaardigen Filip. 1 :21 leven te leven is voor mij Christus: Hij is de inhoud, om Hem gaat het Spr. 7 :23 leven tegen zijn -: strik Spr. 4 :13 leven tucht is mijn - Spr. 10 :11 leven uit het woord van God (toepassing) Spr. 4 :23 leven uitgangen des -s: uit het hart Deut. 8 :3 leven van: alles wat uit Gods mond uitgaat Matth. 4 :4 leven van: brood, Gods woord Deut. 8 :3 leven van: niet alleen van het brood Ez. 37 :9 ,14 leven vereist geest Luk. 17 32 leven verliezen Marcus 8 :35 leven verliezen: ter wille van het evangelie Rom. 14 :7 leven versus sterven Spr. 21 :21 leven vinden Matth. 16 :25 leven vinden Ps. 90 :10 leven vol moeite en verdriet 2 Cor. 12 :10 leven voor Christus, ook in noden 1 Pe 2 :24 leven voor de gerechtigheid Matth. 6 :16 v leven voor God Rom. 14 :7 leven voor God Gal. 2 :19 leven voor God -: i.t.t. leven onder wet Luk. 20 38 leven voor God: ook na de dood Spr. 3 :22 leven voor uw ziel Rom. 14 :7 leven voor zichzelf Deut. 30 :6 leven voorwaarde: liefde tot God Matth. 7 :13 leven vs. verderf Spr. 15 :24 leven weg des -s is naar boven Matth. 7 :14 leven weg ten -: smal Spr. 10 :16 leven werk des rechtvaardigen is ten - Jer 38 :2 leven wie zijn - verliest om Hem, zal het vinden. Vgl. ook arme wijze man Prediker Joh. 14 :19 leven wij leven omdat Christus leeft Spr. 8 :35 leven wijsheid is het - 1Jo 1 :1 leven woord des -s: Christus Filip. 2 :16 leven woord van het - vertonen 2 Tim. 1 :1 leven zelfsnt. nw: - in Christus Jezus Joh. 3 :36 leven zien: niet zien Luk. 14 :26 leven zijn leven haten Matth. 13 :22 leven zorg vh -: verstikkend 2 Tim. 2 :4 leven zorgen van het - Marcus 4 :19 leven zorgen van het leven Luk. 21 34 leven zorgen vh leven 2 Cor. 6 :9 leven 2 Pe 1 :3 leven Jer 10 :10 levend God is de -e God 1 Thess.1 :9 levend God: -e G Ps. 119:37 levend maak mij - door Uw wegen Ps. 119:88 levend maak mij levend naar Uw goedertierenheid Joh. 6 :63 levend maken: door de Geest Joh. 5 :21 levend maken: door de Zoon Ps. 119:93 levend maken: door Gods bevelen Ps. 119:40 levend maken: door Uw gerechtigheid Ps. 119:50 levend maken: door Uw toezegging Ps. 119:37 levend maken: maak mij - door Uw wegen Ps. 138:7 levend maken door God Ps. 143:11 levend maken door God: maak mij levend Ps. 119:156 levend maken maak mij levend naar Uw rechten 2 Tim. 4 :1 levende Jezus zal levenden oordelen Ps. 142:6 levende land der -n 1 Thess.4 :15 levende wij de -n die overblijven tot de komst van de Heer Matth. 22 :32 levende 2 Kon 8 :1 levendmaken door Elisa 2 Kon 8 :5 levendmaken door Elisa 1 Sam. 2 :6 levendmaken door God Col. 2 :13 levendmaking wij door God mee levengemaakt met Christus Deut. 24 :12 levensbehoefte voorzien in - 1Jo 2 :11 levensbeschouwing waar ga ik heen Jac. 4 :14 levensbeschouwing 1 Kron. 17 :11 levenseinde dagen vervuld Pred. 5 :17 levenskunst Marcus 12 :44 levensonderhoud Spr. 4 :10 levensverwachting langere - door de wijsheid en gehoorzaamheid Joh. 8 :14 levensvraag vanwaar, waartoe 1 Tim. 2 :2 levenswandel algemene chr. - 1 Thess.1 :9 levenswijze christen: dienen van God Joz 14 :4 Levi bezit in het land Joz 13 :33 Levi erfdeel: God zelf Joz 13 :14 Levi erfdeel: vuurofferen Ps. 104:25 Leviathan speelt in de zee Deut. 18 :1 Leviet erfdeel Deut. 12 :12 Leviet erfdeel: geen land Deut. 14 :27 Leviet ondersteuning aan hem niet opzeggen Deut. 18 :3 v Leviet recht Deut. 21 :5 leviet taak Deut. 18 :1 Leviet voedsel Deut. 12 :19 Leviet wacht u dat u de - niet verlaat Deut. 26 :12 leviet zorg voor Ezra 3 :8 Levieten 20 jaar en ouder hielden opzicht 1 Kron. 23 :24 Levieten dienstbare leeftijd Deut. 31 :25 Levieten droegen de ark des verbonds 1 Kron. 23 :26 Levieten einde van hun dienst va het dragen Joz 18 :7 Levieten erfdeel: priesterdom des HEEREN 1 Kron. 6 :48 Levieten gave aan de gemeente Nu 8 :19 levieten gave aan het volk Nu 3 :15 Levieten geteld: later moest dit wel Nu 3 :12 Levieten Gode ten eigendom Joz 21 :4 v Levieten groepen van - Nu 1 :50 Levieten legerplaats der - Nu 1 :49 Levieten ongeteld Nu 35 :1 v Levieten steden der - Joz 21 :1 v Levieten steden der - Deut. 10 :8 Levieten taak Deut. 33 :9 v Levieten taak 1 Kron. 6 :48 Levieten taak 2 Kron. 8 :14 Levieten taak 2 Kron. 29 :11 levieten taak Nu 1 :50 Levieten taak der - Nu 3 :6 Levieten taak der - 1 Kron. 15 :2 Levieten taak der - 1 Kron. 23 :24 v Levieten taak der - Nu 1 :53 Levieten taak: wacht van de tabernakel 1 Kron. 23 :2 v Levieten Deut. 25 :5 leviraat Col. 4 :16 lezen belangrijk Pred. 12 :12 lezen veel -s is vermoeiing des vlezes Ef. 5 :29 lichaam Christus' -: gemeente Ef. 4 :25 lichaam Christus' -: wij leden van elkaar Jac. 2 :26 lichaam dood zonder geest Rom. 12 :5 lichaam één lichaam in Christus Col. 2 :23 lichaam eer bewijzen aan het lichaam Spr. 11 :17 lichaam eigen - schaden Spr. 5 :11 lichaam en vlees Spr. 11 :17 lichaam en ziel Matth. 12 :44 lichaam gelijk een huis Col. 2 :23 lichaam gestrengheid tegen het - Hebr. 10 :22 lichaam gewassen met rein water 1 Thess.4 :4 lichaam heiliging van het - Luk. 10 :24 lichaam huis: ook voor onreine geest Hebr. 13 :3 lichaam in - zijn Col. 3 :15 lichaam in een - geroepen tot de vrede Jac. 2 :26 lichaam leven door de geest Spr. 4 :22 lichaam medicijn voor -: Gods woord Lev. 21 :5 lichaam niet in snijden Marcus 11 :17 lichaam van een heilige: gebedshuis (toepassing) Filip. 3 :21 lichaam van onze vernedering Filip. 3 :21 lichaam van Zijn heerlijkheid Col. 1 :22 lichaam van zijn vlees 1 Thess.4 :4 lichaam vat 2 Kon 5 :14 lichaam verjonging van het uitwendige vlees: geval Rom. 8 :23 lichaam verlossing van ons - Jud :8 lichaam verontreinigen Col. 2 :11 lichaam vlees: - van het van afleggen lichaam zie ook Straf: lijfstraf Rom. 1 :24 lichaam onteren Joh. 8 :12 licht - van het leven Marcus 9 :3 licht afstralend van Christus Luk. 8 :16 licht bedekt door druk werk Luk. 8 :16 licht bedekt door luiheid Jes. 60 :1 licht Christus Jes. 42 :6 licht Christus - der heidenen Luk. 23 44 licht Christus - der wereld Luk. 15 :8 licht Christus als Gods lamp Ef. 5 :14 licht Christus het -, vgl. Joh. 1 Joh. 12 :35 -36 licht Christus is het - Ps. 132:17 licht Christus verspreidt licht Joh. 12 :46 licht Christus: - der wereld Joh. 9 :5 licht Christus:- der wereld Ps. 119:130 licht de opening Uwer woorden geeft - Spr. 15 :30 licht der ogen: verblijdt het hart Spr. 13 :9 licht der rechtvaardigen zal zich verblijden Matth. 5 :14 licht der wereld: christen Ef. 5 :8 licht en duisternis Spr. 13 :9 licht en lamp Joh. 1 :4 licht en leven Matth. 4 :16 licht fig. Christus: groot - Joh. 3 :19 licht fig. het - liefhebben Joh. 3 :19 licht fig. in de wereld gekomen Dan. 5 :14 licht fig. inzicht in duistere zaken Spr. 13 :9 licht geestelijk - 1 Thess.5 :5 licht geestelijk - 1 Pe 2 :9 licht geestelijk - Jes. 62 :1 licht glans: beeld van gerechtigheid Ps. 104:2 licht God bedekt zich met het licht als met een kleed Ps. 139:11 licht God een licht in de nacht Ps. 118:27 licht God geeft ons licht 1Jo 1 :5 licht God is - Matth. 17 :5 licht God is -: lichtende wolk 1Jo 1 :7 licht God is in het - Micha 7 :8 licht God mij een - in de duisternis Jes. 60 :20 licht God ons - 2 Sam. 22 :28 licht God ons licht 1 Pe 2 :9 licht Gods -: daartoe zijn wij geroepen Ps. 67 :2 licht Gods aanschijn Ps. 136:7 licht grote - door God gemaakt Col. 1 :12 licht heiligen in het licht Joh. 12 :36 licht het - hebben Pred. 11 :7 licht het - is zoet Ps. 112:4 licht in de duisternis opgaand voor de oprechte Ex. 10 :23 licht in de woningen 1Jo 2 :10 licht in het - blijven: als je je broeder liefhebt 1Jo 1 :7 licht in het - wandelen 1Jo 2 :9 licht in het - zijn: kan niet samengaan met iem. haten Jes. 10 :17 licht Israels: Christus Matth. 17 :2 licht Jezus' kleren werden wit als het licht Joh. 5 :35 licht Johannes de Doper Matth. 5 :16 licht laat uw - schijnen Luk. 8 :16 licht laat uw licht zien aan de mensen Filip. 2 :15 licht lichten zijn wij Ef. 5 :13 licht maakt openbaar 1 Tim. 6 :16 licht ontoegankelijk - Spr. 4 :18 licht pad der rechtvaardigen gelijk een schijnend - Matth. 13 :43 licht rechtvaardigen als de zon stralend Pred. 2 :13 licht uitnemender dan duisternis Jes. 58 :10 licht uw - zal in de duisternis opgaan Joh. 8 :12 licht van de wereld: Christus Jes. 2 :5 licht van God: laat ons daarin wandelen Spr. 16 :15 licht van het aangezicht van de koning: in dat licht is leven Jes. 60 :1 licht ver-en: wordt verlicht! Jes. 62 :1 licht voor de volken: Jeruzalem Jes. 58 :8 licht voortbrekend als de dageraad Ef. 5 :8 licht vrucht van het - Ps. 130:6 licht wachten op het - (op God) Spr. 6 :23 licht wet is een - 1 Pe 2 :9 licht wonderbaar -: van God Ps. 97 :11 licht zaaien: gezaaid voor de rechtvaardige Jes. 62 :1 v licht zijn: betekenis Jer 4 :23 licht zonder - 1 Thess.5 :5 licht zonen van het - Luk. 16 :8 licht zoon van het- Matth. 6 :22 -23 licht Joh. 11 :10 licht Ps. 119:135 lichten Gods aangezicht lichtende over iemand Spr. 14 :15 lichtgelovig Spr. 6 :17 lid leden die kwaad doen Ef. 4 :28 lid leden in dienst van de gerechtigheid Ex. 15 :2 lied de HERE is mijn - 2 Sam. 22 :1 lied dichten: aanleiding: verlossing Deut. 31 :19 lied door God gemaakt Ps. 40 :4 lied door God ingegeven Amos 5 :22 lied door God versmaad Col. 3 :16 lied geestelijke -eren: elkaar daarmee leren en terechtwijzen Deut. 31 :19 lied leren aan mensen Ps. 40 :4 lied nieuw - Ps. 149:1 lied nieuw - Ps. 144:9 lied nieuw - voor God Ps. 96 :1 lied nieuw -: zingt den Heere een en - Ps. 98 :1 lied nieuw: aanleiding Ps. 98 :1 lied nieuw: zingt den Heer een nieuw - Ef. 5 :19 lied psalm, lofzang en geestelijk - 1 Kon. 4 :32 lied Salomo maakt 1005 liederen Ef. 5 :19 lied spreken tot elkaar door een lied Ez. 26 :13 lied teken van welvaart Ps. 96 :1 lied uitbreiding liederenschat 1 Pe 4 :4 liederlijkheid uitspatting van - 2 Kron. 2 :11 lief -hebben: omdat de HERE Zijn volk liefheeft, heeft Hij U over hen tot koning gesteld 2 Cor. 8 :2 liefdadigheid rijkdom van - 2 Cor. 9 :11 liefdadigheid 2 Cor. 9 :13 liefdadigheid 1 Kon. 3 :3 liefde - tot God: bij Salomo Hebr. 10 :24 liefde aanvuring tot - Joh. 17 :24 liefde als beweegreden Deut. 23 :5 liefde als motief 1 Thess.5 :8 liefde als wapen, defensief 2 Sam. 13 :1 liefde begrip, vs. 4 Hgl 1 :2 liefde beter dan wijn 1Jo 3 :16 liefde betonen Spr. 25 :21 liefde betonen aan moeilijke mensen: zie op het loon Rom. 5 :8 liefde bevestigen 1 Thess.3 :12 liefde bevorderen door God Joh. 17 :26 liefde bevorderen: door Jezus: God bekendmaken 2 Cor. 8 :24 liefde bewijs Joh. 15 :10 liefde blijven in Jezus'-: door Zijn geboden te bewaren 1 Thess.5 :8 liefde borstharnas van geloof en liefde Col. 3 :14 liefde Boven alles de -, vgl. 1 Cor. 13 Filemon :7 liefde brengt blijdschap teweeg Hebr. 13 :1 liefde broeder-: laat deze blijven 1 Pe 4 :8 liefde broeder-: nut: bedekt menigte van zonde 1 Pe 4 :8 liefde broeder-: vurige -: hebt vurige - tot elkaar 1 Pe 4 :8 liefde broeder-:voorrang boven bidden 1 Pe 3 :8 liefde broederlijke -: weest allen vol broederlijke liefde Ef. 6 :23 liefde bron Col. 3 :14 liefde bron: Christus, zie vers 11 1Jo 3 :14 liefde bron: ons nieuwe leven Ef. 3 :19 liefde Christus - : kennen 2 Sam. 1 :26 liefde Christus - tot ons: wonderlijker dan die der vrouwen Hgl 1 :2 liefde Christus' - uitnemend (associatie) 1Jo 3 :16 liefde Christus -: bewijs: leven afgelegd voor ons Ef. 3 :19 liefde Christus -: grootte Hgl 1 :4 liefde Christus' -: uitnemend 1 Tim. 1 :14 liefde Christus bron van - 2 Sam. 5 :8 liefde Christus liefde meerder dan Davids Filip. 2 :2 liefde dezelfde - hebben 2 Cor. 8 :8 liefde echtheid van - beproeven Opb. 2 :4 liefde eerste - Opb. 2 :5 liefde eerste - en eerste werken Hgl 1 :4 liefde en aanhankelijkheid Hgl 1 :3 liefde en gehoor 1 Tim. 1 :14 liefde en geloof 1 Tim. 4 :12 liefde en geloof 2 Tim. 1 :13 liefde en geloof Filemon :5 liefde en geloof Filemon :5 liefde en geloof 1 Pe 1 :8 liefde en geloof Opb. 2 :19 liefde en geloof Hebr. 10 :24 liefde en goede werken Filemon :12 liefde en hart Hgl 1 :2 liefde en kussen Hgl 1 :3 liefde en lichamelijke geuren Luk. 10 :42 liefde en oordeel samen Joh. 14 :21 liefde en openheid naar de ander Col. 3 :14 liefde en vrede, vgl. vers 15 2Jo :3 liefde en waarheid 1 Tim. 4 :12 liefde en wandel Deut. 13 :4 liefde en wet: liefde vervult de wet 1 Pe 4 :8 liefde en zonde: - bedekt een menigte van zonden Spr. 7 :18 liefde erotische - 2Jo :5 liefde gebod der - 1Jo 4 :21 liefde geboden Joh. 3 :35 liefde geeft 2 Tim. 1 :7 liefde geest van - 1 Thess.5 :8 liefde geloof, hoop en - 1 Thess.1 :3 liefde geloof, hoop en liefde 1 Thess.2 :8 liefde gemeente: liefde tot de g 1 Thess.4 :9 liefde genoeg - tot de broeders 2 Sam. 15 :6 liefde geveinsde - Joh. 5 :20 liefde gevolg Tit. 2 :2 liefde gezond in de - 1Jo 4 :8 liefde God is - 1Jo 4 :16 liefde God is - 2 Cor. 13 :11 liefde God van de - Deut. 13 :3 liefde God zoekt liefde in onze harten Ef. 1 :6 liefde God: Christus voor God de Geliefde 1Jo 4 :12 liefde Gods - in ons: volmaakt 1Jo 4 :16 liefde Gods - onderkennen en geloven Jer 12 :7 liefde Gods - tot Israel Marcus 1 :11 liefde Gods - voor Jezus Lev. 23 :22 liefde Gods -: blijkt uit gebod tbv arme en vreemdeling Rom. 5 :5 liefde Gods -: in onze harten uitgestort door de Heilige Geest 1 Kon. 10 :9 liefde Gods : jegens Israel 2 Sam. 18 :33 liefde Gods -: jegens vijanden 1Jo 4 :9 liefde Gods -: openbaring: zending van Zijn Zoon 1Jo 2 :5 liefde Gods -: voleindigen: door Gods woord te houden Jes. 63 :9 liefde Gods en genade 1Jo 5 :3 liefde Gods: bestaat in houden van zijn geboden Joh. 5 :42 liefde Gods: in ons: wel of niet Hos. 3 :1 liefde Gods: jegens Israel Joh. 5 :42 liefde Gods: niet in je hebben Hos. 3 :1 liefde Gods: ondanks onze afgoderij Jes. 63 :9 liefde Gods: verlossen door Zijn liefde 1 Thess.3 :12 liefde groei in - Joh. 15 :13 liefde grootste -: leven afleggen voor ander Joh. 15 :13 liefde grootte van - Spr. 7 :18 liefde grote - 1 Thess.5 :12 liefde in -: hoogachten 2 Tim. 1 :13 liefde in Christus Jezus Col. 1 :8 liefde in de Geest Spr. 24 :17 liefde in het binnenste 1Jo 3 :16 liefde inhoud Col. 3 :14 liefde is de band van de volmaaktheid 2Jo :6 liefde is naar Zijn geboden wandelen 1 Tim. 6 :11 liefde jaag naar 2 Tim. 2 :22 liefde jaag naar - 1 Thess.4 :9 liefde jegens alle broeders Filemon :5 liefde jegens alle heiligen Ex. 23 :4 -5 liefde jegens vijanden Luk. 22 51 liefde Jezus' - tegenover zijn tegenstanders Marcus 16 :6 liefde Jezus' - voor falenden Joh. 5 :20 liefde Jezus' bewustzijn van Vaders liefde Spr. 10 :12 liefde kenmerk: dekt overtredingen toe 1Jo 3 :16 liefde kennen: aan iets Hgl 2 :5 liefde krank van - Rom. 9 :1 v liefde lijdende - 1 Sam. 16 :21 liefde mate van - Marcus 12 :32 liefde meer dan offers Ex. 21 :2 v liefde mensen-: Gods: jegens slaven Tit. 3 :4 liefde mensenliefde: Gods Ef. 6 :23 liefde met geloof Spr. 27 :5 liefde moet getoond worden wil de ander er iets aan hebben Joh. 15 :19 liefde natuurlijke 2 Tim. 3 :10 liefde navolgen van Paulus' - 1 Thess.4 :9 liefde onderwijs: van God: om lief te hebben Opb. 2 :19 liefde ongelijk aan werk 2 Cor. 6 :6 liefde ongeveinsde - 1 Pe 1 :22 liefde ongeveinsde - Opb. 2 :19 liefde onze - door Christus gekend Col. 1 :4 -5 liefde oorzaak: hoop 1Jo 4 :9 liefde openbaring 2 Cor. 2 :4 liefde overvloedig - hebben tot mensen 2 Cor. 8 :7 liefde overvloedig in - tot ons 1 Thess.3 :12 liefde overvloedig in de - 2 Thess.1 :3 liefde overvloedig: van ieder Filip. 1 :9 liefde overvloeien in kennis 1Jo 4 :11 liefde plicht Spr. 25 :21 liefde practisch voorbeeld 1 Sam. 16 :21 liefde Saul jegens David Spr. 7 :18 liefde seksuele - 2 Sam. 1 :26 liefde soort: liefde tussen man en vrouw 2 Sam. 1 :26 liefde soort: vriendschap 1 Thess.4 :10 liefde toenemen in liefde 2 Thess.1 :3 liefde toeneming 1 Thess.4 :10 liefde tot broeders in een andere gemeente Filemon :5 liefde tot de Heer Jezus 2 Thess.2 :10 liefde tot de waarheid Jac. 2 :8 liefde tot jezelf: verondersteld 2 Sam. 2 :5 liefde tot vijand: David tot Saul 1 Sam. 24 :20 liefde tot vijand: onwaarschijnlijk Col. 1 :4 liefde tot: alle heiligen Filemon :5 liefde tot: alle heiligen Filip. 2 :1 liefde troost van liefde 1 Tim. 1 :5 liefde uit een goed geweten 1 Tim. 1 :5 liefde uit een ongeveinsd geloof 1 Tim. 1 :5 liefde uit een rein hart Hgl 1 :2 liefde uitnemende - 2 Cor. 2 :8 liefde van - verzekeren Spr. 5 :19 liefde van de huisvrouw: dool steeds in haar liefde 1Jo 2 :15 liefde van de Vader: in mij 2 Cor. 13 :13 liefde van God 2 Thess.3 :5 liefde van God : in ons 1Jo 3 :17 liefde van God: blijven in ons: weggaan Jud :21 liefde van God: je zelf hierin bewaren 1 Sam. 20 :17 liefde van je ziel Spr. 27 :5 liefde verborgen -: openbare bestraffing is beter Ez. 23 :11 liefde verderven: door hoererij Matth 24 :12 liefde verkoelen Opb. 2 :4 liefde verlaten Deut. 21 :11 liefde verliefdheid en schoonheid Ez. 23 :28 liefde verlies van huwelijks- Spr. 10 :12 liefde versus haat Spr. 15 :17 liefde versus haat 1 Pe 3 :8 liefde vol - 1Jo 4 :17 liefde volmaakte - 1 Tim. 4 :12 liefde voorbeeld in - zijn 1 Tim. 1 :5 liefde voorwaarden voor - 1Jo 4 :18 liefde vrees: in de - is geen vrees Pred. 9 :1 liefde vs haat Ef. 5 :2 liefde wandelt in - 1Jo 4 :20 liefde ware liefde mint Gods schepselen Filemon :7 liefde werk der -: verkwikking van de heiligen Gal. 5 :6 liefde werken door -: geloof dat door - werkt liefde zie ook Kussen, Genegenheid Ef. 6 :23 liefde zij de broeders Jud :2 liefde zij u vermenigvuldigd Hgl 2 :4 liefde Zijn banier over mij Spr. 17 :9 liefde zoeken: overtreding toedekken Joh. 15 :9 liefde blijft in Mijn liefde 2 Tim. 3 :3 liefdeloos Ps. 147:1 liefelijk God Ps. 147:1 liefelijk God is Deut. 30 :20 liefhebben aanhangen: - en a Spr. 9 :8 liefhebben als antwoord op bestraffing Lev. 19 :34 liefhebben als jezelf Marcus 12 :31 liefhebben als jezelf Deut. 10 :18 liefhebben begrip Ef. 5 :28 liefhebben begrip Lev. 19 :18 liefhebben begrip: vs. wraak, toorn, haat 1Jo 5 :1 liefhebben bevorderen: fremdbild 1Jo 4 :8 liefhebben bevorderen: God kennen die Liefde is 1Jo 4 :20 liefhebben bevorderen: leugen aan de kaak stellen 1Jo 2 :10 liefhebben broeder -: in het licht blijven 1Jo 5 :2 liefhebben broeders -: waaraan te weten:God liefhebben en gehoorzamen 1 Pe 1 :8 liefhebben Christus - Jac. 1 :12 liefhebben Christus - Ef. 6 :24 liefhebben Christus - door ons Joh. 14 :21 liefhebben Christus - door ons: bewijs: geboden doen Joh. 14 :15 liefhebben Christus -: zijn geboden bewaren Joh. 3 :19 liefhebben de duisternis - Joh. 14 :28 liefhebben de Heer - Deut. 10 :19 liefhebben de vreemdeling -: redenen 2 Tim. 4 :9 liefhebben deze eeuw - Pred. 5 :9 liefhebben dingen: niet verzadigd worden Joh. 16 :7 liefhebben doen wat nuttig is voor de ander Opb. 3 :19 liefhebben door Christus: en tucht Joh. 14 :21 liefhebben door Christus: en zichzelf openbaren Opb. 3 :9 liefhebben door Christus: heeft ons liefgehad Joh. 15 :12 liefhebben door Christus: van ons Opb. 1 :5 liefhebben door Christus: van ons Opb. 3 :9 liefhebben door Christus: van ons Joh. 17 :23 liefhebben door Christus: van ons: zoals de Vader hem heeft liefgehad Joh. 14 :21 liefhebben door Christus: wanneer Joh. 16 :27 liefhebben door de Vader: jegens ons Joh. 17 :26 liefhebben door de Vader: van de Zoon Joh. 14 :21 liefhebben door de Vader: van ons: wanneer Joh. 15 :18 liefhebben door de wereld Spr. 8 :17 liefhebben door de wijsheid Deut. 15 :16 liefhebben door een slaaf: zijn heer en diens huis 1 Sam. 18 :20 liefhebben door een vrouw: Michal jegens David, vs 28 Deut. 4 :37 liefhebben door God: de oudvaders Spr. 15 :9 liefhebben door God: dien de gerechtigheid najaagt Hebr. 12 :6 liefhebben door God: ons Jes. 61 :8 liefhebben door God: van het recht 1Jo 4 :10 v liefhebben door God: van ons: liefgehad 2 Sam. 12 :24 liefhebben door God: van salomo Deut. 23 :5 liefhebben door God: volk Israel Hos. 14 :5 liefhebben door God: vrijwillig 1 Sam. 18 :16 liefhebben door het volk: van David Marcus 10 :21 liefhebben door Jezus: de rijke man Joh. 13 :34 liefhebben door Jezus: van ons Luk. 6 :32 liefhebben door zondaars Joh. 12 :43 liefhebben eer van mensen - Pred. 9 :9 liefhebben eigen vrouw - 1Jo 4 :11 liefhebben elkaar -: bevorderen: beseffeb Gods liefde tot ons Joh. 13 :34 liefhebben elkaar -: geboden 1Jo 4 :12 liefhebben elkaar -: gevolgen: God blijft in ons 1Jo 4 :12 liefhebben elkaar -: gevolgen: Zijn liefde in ons volmaakt 1Jo 4 :19 liefhebben elkaar: bevorderen: denk aan Gods liefde tot jou Deut. 10 :18 liefhebben en dienen Deut. 11 :1 liefhebben en gehoorzaamheid Joh. 14 :31 liefhebben en gehoorzamen: bij Jezus 1 Sam. 1 :5 liefhebben en geven Joh. 17 :24 liefhebben en geven Ps. 91 :14 liefhebben en iem. Kennen Spr. 13 :24 liefhebben en tucht Opb. 1 :5 liefhebben en verlossen Spr. 27 :6 liefhebben en verwonden 1Jo 2 :10 liefhebben en volmaaktheid Joh. 15 :16 -17 liefhebben en vruchtdragen 1 Pe 1 :23 liefhebben en wedergeboren zijn Joh. 3 :19 liefhebben en zedelijke toestand Joh. 15 :17 liefhebben gebod: Jezus' gebod elkaar lief te hebben Joh. 15 :12 liefhebben geboden 1 Pe 1 :23 liefhebben geboden 1Jo 3 :10 liefhebben geboden Pred. 5 :9 liefhebben geld, overvloed Rom. 1 :7 liefhebben geliefden van God Hos. 9 :15 liefhebben gestaakt door God: jegens het afvallige Efraim Deut. 15 :16 liefhebben gevolg van wel zijn Deut. 5 :10 liefhebben God - Ps. 145:20 liefhebben God - Deut. 33 :9 liefhebben God - : boven allen Marcus 12 :30 liefhebben God - : met het verstand Marcus 12 :30 liefhebben God - : waarmee Ez. 33 :31 liefhebben God - alleen met de mond Ri 5 :31 liefhebben God - door ons Deut. 11 :22 liefhebben God - en aanhangen Deut. 7 :9 liefhebben God - en gehoorzamen Joz 22 :5 liefhebben God - en gehoorzamen Ex. 20 :6 liefhebben God - en zijn geboden en onderhouden Deut. 13 :3 liefhebben God - met ganse hart en ziel Deut. 30 :20 liefhebben God -: begrip Jes. 41 :8 liefhebben God -: door Abraham Ps. 18 :2 liefhebben God -: door David Jac. 2 :5 liefhebben God -: door ons Deut. 11 :22 liefhebben God -: en gehoorzaamheid Deut. 30 :16 liefhebben God -: geboden Joz 22 :5 liefhebben God -: geboden Joz 23 :11 liefhebben God -: geboden: door Jozua Deut. 6 :5 liefhebben God -: met ganse hart enz Matth. 22 :37 liefhebben God -: met je hele hart Ps. 116:1 liefhebben God -: reden: verhoring, heil Deut. 30 :6 liefhebben God -: vereist besnijdenis vh hart 1Jo 5 :2 liefhebben God -: zijn geboden doen Deut. 5 :10 liefhebben God -:en gehoorzaamheid Ps. 91 :14 liefhebben God zeer - Ps. 119:47 liefhebben Gods geboden - Ps. 119:127 liefhebben Gods geboden - Ps. 119:119 liefhebben Gods getuigenissen - Ps. 119:97 liefhebben Gods wet - Spr. 4 :6 liefhebben Gods woord Deut. 13 :3 liefhebben hart, - met ganse h. Jac. 2 :8 liefhebben heb je naaste lief als jezelf 2 Tim. 4 :6 liefhebben hebben liefgehad: Christus' verschijning 1 Pe 2 :17 liefhebben hebt de broederschap lief Amos 5 :15 liefhebben hebt lief het goede Lev. 19 :18 liefhebben hebt uw naaste lief als uzelf Matth. 19 :19 liefhebben hebt uw naaste lief als uzelf Luk. 6 :32 v liefhebben hebt uw vijanden lief 1Jo 4 :7 liefhebben ieder die - is uit God geboren en kent God 1 Sam. 20 :17 liefhebben iem. - met de liefde van je ziel Gen. 37 :3 liefhebben iem. boven anderen Tit. 3 :15 liefhebben in geloof Micha 7 :5 liefhebben in huwelijk Ef. 6 :24 liefhebben in onvergankelijkheid 2Jo :1 liefhebben in waarheid - 3Jo :1 liefhebben in waarheid - Matth. 22 :39 liefhebben jezelf Joh. 8 :42 liefhebben Jezus -: als kinderen van God Micha 3 :2 liefhebben kwade - 1 Pe 3 :10 liefhebben leven -: het leven - Joh. 3 :16 liefhebben liefgehad, vgl 17:23 2 Thess.2 :16 liefhebben liefgehad: door God Vader: ons Deut. 10 :15 liefhebben lust om lief te hebben: door God: van Israel Tit. 2 :4 liefhebben man - Joh. 21 :15 liefhebben meer - dan Joh. 3 :19 liefhebben meer liefgehad 1Jo 3 :18 liefhebben met de daad en in waarheid Ez. 33 :31 liefhebben met de mond 1Jo 3 :18 liefhebben met de tong of met het woord Deut. 6 :5 liefhebben met hart Marcus 12 :30 liefhebben met hart, ziel, verstand, kracht Matth. 22 :40 liefhebben met heel uw hart Deut. 6 :5 liefhebben met mijn vermogen Deut. 6 :5 liefhebben met mijn ziel 1 Sam. 18 :28 liefhebben Michal haf David lief Joh. 3 :19 liefhebben motief Marcus 12 :31 liefhebben naaste: hoe: als jezelf Spr. 15 :12 liefhebben niet - dien jou bestraft: de spotter 1Jo 3 :14 liefhebben niet - van zijn broeder: in de dood blijven 1Jo 4 :8 liefhebben niet -: kent God niet 1Jo 3 :18 liefhebben opwekking tot 1Jo 4 :7 liefhebben opwekking tot elkaar - Deut. 10 :19 v liefhebben redenen: liefde, lot, heilsdaden Spr. 22 :11 liefhebben reinheid van het hart 1 Sam. 18 :1 liefhebben tussen mannen: Jonathan en David 1 Pe 1 :23 liefhebben uit een rein hart Matth. 22 :40 liefhebben uw naaste als uzelf 2 Kron. 19 :2 liefhebben van de goddeloze: hier verkeerd Luk. 7 :47 liefhebben veel of weinig -: en vergeving 1Jo 4 :7 liefhebben vermogen: liefde is uit God Matth. 5 :43 liefhebben vijand - 1 Pe 1 :23 liefhebben voorwaarde: rein hart Lev. 19 :34 liefhebben vreemdeling - als jezelf Deut. 5 :10 liefhebben vs. haten Matth. 6 :24 liefhebben vs. haten 1 Pe 1 :23 liefhebben vurig - 1Jo 2 :15 liefhebben wereld - Spr. 4 :6 liefhebben wijsheid 1Jo 5 :2 liefhebben zekerheid over - Deut. 13 :3 liefhebben ziel, - met ganse z. Matth. 5 :46 liefhebben zondaars hebben lief Spr. 27 :6 liefhebber de wonden van de - zijn getrouw Spr. 14 :20 liefhebber van de rijke Rom. 9 :1 liegen begrip Opb. 3 :9 liegen begrip 1 Sam. 27 :11 liegen David 1 Sam. 21 :2 liegen David tegen Achimelech Spr. 6 :19 liegen door een vals getuige Spr. 14 :4 liegen door een vals getuige 2 Kon 6 :19 liegen door Elisa: goed? 2 Kon 5 :22 liegen door Gehazi, vs. 25 Spr. 6 :17 liegen door God gehaat Matth. 2 :8 liegen door Herodes Gen. 4 :9 liegen door Kain Gen. 39 :14 liegen door Potifars vrouw 1 Sam. 18 :22 liegen door Saul Ri 16 :7 liegen door Simson 2 Sam. 16 :3 liegen door Ziba Ps. 40 :5 liegen gaan - en bedriegen, tot leugen afwijken Joz 9 :22 liegen geval 1 Kon. 3 :16 v liegen geval Joh. 18 :17 liegen geval 1 Kon. 13 :18 liegen geval van - Marcus 14 :71 liegen geval: Petrus Joz 2 :5 liegen geval: Rachab Hos. 10 :13 liegen gevolg dat op je terugkeert Spr. 12 :22 liegen gruwel voor God Rom. 9 :1 liegen ik lieg niet Spr. 14 :4 liegen niet -: door een waarachtig getuige 2 Sam. 17 :20 liegen om de goede zaak Spr. 21 :6 liegen om schatten te verkrijgen Joh. 18 :25 liegen Petrus Jac. 3 :14 liegen tegen de waarheid Spr. 12 :19 liegen tijdelijk voordeel 1 Sam. 19 :17 liegen uit vrees Lev. 19 :11 liegen verboden Deut. 5 :20 liegen verboden Spr. 26 :19 liegen voor de grap: verkeerd Joz 24 :27 liegen voorkomen: gedenkteken Ps. 109:2 liegen Ps. 120:2 liegen Micha 6 :12 liegen Opb. 2 :10 lijden aangekondigd door de Heer Joh. 18 :11 lijden aanvaarden: uit Gods hand 1 Pe 4 :15 lijden als christen 1 Pe 4 :15 lijden als zondaar Hebr. 13 :13 lijden christen: smaad van Jezus dragen 1 Pe 2 :23 lijden Christus' - Luk. 18 32 lijden Christus - : door volken Marcus 10 :45 lijden Christus' -: aankondiging Luk. 23 :49 lijden Christus' -: alleen: wij nooit 1 Pe 3 :18 lijden Christus' -: doel: ons tot God brengen Luk. 24 :26 lijden Christus : moeten 2 Cor. 1 :5 lijden Christus' -: over ons komend 2 Sam. 12 :14 lijden Christus -: plaatsvervangend, vs 24 Ps. 132:1 lijden Davids - 2 Sam. 19 :7 lijden Davids leven 2 Cor. 1 :7 lijden deelgenoten vh - Joh. 18 :11 lijden denken over: drinkbeker vanwege God Hebr. 2 :10 lijden door - volmaken 1 Pe 4 :1 lijden door Christus: in vlees 1 Pe 3 :18 lijden door Christus: voor zonden Opb. 2 :11 lijden door de tweede dood Marcus 14 :27 lijden door God toegebracht: geval: Jezus 1 Pe 3 :17 lijden door goeddoen Luk. 9 :22 lijden door Jezus: veel lijden 1 Pe 3 :17 lijden door kwaaddoen Matth. 27 :19 lijden door Pilatus' vrouw: om Jezus 1 Pe 4 :12 lijden door vervolging: beproeving 1 Pe 4 :13 v lijden door vervolging: hulp: verblijd je 1 Pe 4 :13 v lijden door vervolging: hulp: visie op lijden 1 Pe 4 :13 v lijden door vervolging: hulp: zie op de beloning 1 Pe 4 :12 lijden door vervolging: normaal 1 Pe 4 :12 lijden door vervolging: vuurgloed 2 Thess.1 :9 lijden eeuwig - Opb. 2 :10 lijden en beproeving 1 Pe 4 :13 lijden en blijdschap 1 Pe 2 :23 lijden en dreigen Hebr. 5 :8 lijden en gehoorzaamheid 1 Pe 3 :14 lijden en gelukkig zijn 1 Pe 4 :19 lijden en goeddoen 1 Pe 2 :19 lijden en onrecht 1 Pe 4 :14 lijden en zegen Filip. 4 :11 v lijden gebrek Hebr. 11 :37 lijden gebrek - 1Jo 3 :17 lijden gebrek - Ps. 132:1 lijden gedenken 1 Pe 1 :11 lijden gevolgd door heerlijkheid Ps. 56 :9 lijden God registreert lijden 1 Pe 2 :23 lijden hoe -: onrecht overgeven aan de Rechter Opb. 2 :10 lijden hulp bij -: voorbereiden Matth. 27 :19 lijden in een droom Hebr. 2 :18 lijden in verzoeking 1 Pe 4 :1 lijden in vlees 1 Pe 2 :19 lijden is genade Marcus 8 :31 lijden Jezus Hebr. 5 :8 lijden Jezus' - Hebr. 13 :12 lijden Jezus' -: buiten de poort Joh. 19 :1 lijden Jezus' -: lichamelijk Matth. 11 :3 lijden Johannes niet bevrijd uit kerker 1 Pe 5 :10 lijden korte tijd 2 Tim. 4 :5 lijden lijd verdrukking 2 Tim. 1 :8 lijden lijd verdrukking met het evangelie Jac. 5 :13 lijden maakt gebed nodig 1 Pe 5 :9 lijden maakt kwetsbaar voor de duivel 2 Tim. 2 :3 lijden mee - : ook lijden Hebr. 4 :15 lijden meelijden: door Jezus: met onze zwakheden Rom. 8 :18 lijden minder groot dan toekomstige heerlijkheid Luk. 24 26 lijden na - heerlijkheid 2 Tim. 3 :10 lijden navolgen van Paulus' - Matth 24 :9 lijden om christus wil 1 Pe 3 :14 lijden om der gerechtigheid wil Luk. 20 10 v lijden om Gods wil 2 Tim. 1 :12 lijden om het evangelie 1 Thess.2 :14 lijden om het geloof Hebr. 11 :35 lijden ondergaan door geloof 1 Pe 2 :19 lijden onrechtvaardig - 1 Tim. 6 :10 lijden oorzaak: zelf Col. 1 :24 lijden Paulus 1 Thess.2 :2 lijden Paulus 2 Tim. 3 :11 lijden Paulus' - 1 Pe 2 :21 lijden roeping 2 Cor. 1 :6 lijden ten goede Filip. 4 :11 lijden tevredenheid doet minder lijden Joh. 18 :11 lijden uit Gods hand aannemen Hebr. 2 :18 lijden van Christus 1 Pe 4 :13 lijden van Christus: daaraan deel hebben Marcus 10 :33 -34 lijden van Christus: door hemzelf voorzegd Hebr. 2 :9 lijden van de dood 1 Pe 5 :9 lijden van de gemeente, in de wereld Marcus 5 :25 lijden vanwege artsen Matth. 17 :14 lijden veel - Matth. 27 :19 lijden veel - om Jezus: in een droom Jac. 5 :11 lijden verdragen: doe wat je belijd Jac. 5 :11 lijden verdragen: door het einde van de Heer te zien Jac. 5 :10 lijden verdragen: door te zien op voorbeelden 2 Tim. 2 :9 lijden verdrukking - 2 Tim. 2 :3 lijden verdrukking: lijd v 1 Pe 2 :19 v lijden visie op lijden veranderen 2 Cor. 1 :6 lijden volharding onder lijden Col. 1 :24 lijden voor anderen Filip. 1 :29 lijden voor Christus - is een geschenk Opb. 2 :10 lijden vreest niet het - Filip. 4 :11 lijden vs. tevredenheid Ri 6 :13 lijden waarom vragen over God Col. 1 :24 lijden zich verblijden in zijn - voor anderen lijden zie ook Smart Ps. 119:71 lijden zin van - Hebr. 11 :36 lijden Matth. 14 :35 lijder alle lijdenden werden bij Jezus gebracht Marcus 1 :32 lijder tot Jezus werden alle lijdended gebracht Lev. 19 :20 lijfstraf geseling: hier geboden Deut. 25 :2 lijfstraf voorschrift Spr. 26 :3 lijfstraf 1 Kon. 16 :4 lijk gegeten door dieren Ri 3 :15 links een man die - was Joh. 13 :5 linnen - doek: om mee af te drogen na de voetwassing 1 Kron. 15 :26 linnen David gekleed in - Opb. 19 :8 linnen fig. gerechtigheden Marcus 15 :46 linnen Jezus' lichaam gewikkeld in een - doek Spr. 26 :23 lip brandende -pen Spr. 22 :11 lip lippen aangenaam zijnde Spr. 12 :22 lip valse -pen: gruwel voor God Hebr. 13 :15 lip vrucht van de lippen die de naam van Jezus belijden Spr. 10 :19 lip weerhouden van zijn lippen Matth. 21 :30 lippendienst Joz 9 :1 v list der Gibeonieten 2 Kon 10 :18 -19 list en 'bedrog': door Jehu 1 Thess.2 :3 list spreken met - Matth. 26 :4 list 2 Kon 10 :19 listigheid Jehu Ez. 19 :1 v literatuur functie van -: gelijkenis ter waarschuwing, bezinning 1 Pe 2 :14 lof aan een mens: vanwege mensen Luk. 18 43 lof aan God brengen Filip. 4 :8 lof al wat - verdient, bedenkt dat Ps. 147:1 lof betamelijk Ps. 106:2 lof betekenis hier: ding waard om iemand om te loven Ps. 95 :2 lof God - brengen: opwekking tot Ps. 109:1 lof God mijns lofs Deut. 10 :20 lof God onze - Jes. 42 :8 lof God zal zijn - geen anderen geven Ps. 149:1 lof Gods - zij in de gemeente Ps. 106:12 lof Gods - zingen Deut. 26 :19 lof Israel: tot - stellen Ps. 100:1 v lof lofpsalm 1 Pe 1 :7 lof ontvangen bij openbaring van de Heer 2 Cor. 8 :18 lof voor een broeder 1 Pe 2 :14 lof vs bestraffing Ps. 106:12 lof zingen: Gods - zingen Hebr. 13 :15 lofoffer brengen aan God: wij door Hem: voortdurend Ps. 107:22 lofoffer offeren Hebr. 13 :15 lofoffer vrucht van de lippen die de naam van Jezus belijden Ps. 65 :2 lofzang in stilheid Col. 3 :16 lofzang leren en terechtwijzen met 1 Kron. 23 :5 lofzanger lofzangers des HEEREN Jac. 5 :13 lofzingen aanleiding: welgemoed Hebr. 2 :12 lofzingen door Jezus Rom. 15 :9 lofzingen Gods naam - Spr. 21 :17 lol leven voor de - leidt tot gebrek Marcus 14 :67 loochenen een feit -: geval: Petrus 1Jo 2 :22 loochenen geval Matth. 26 :70 v loochenen liegend ontkennen Spr. 11 :28 loof de rechtvaardigen zullen groenen als - Deut. 16 :14 loofhuttenfeest uw feest' Deut. 16 :13 v loofhuttenfeest Deut. 15 :10 loon der gehoorzaamheid Joh. 4 :36 loon geestelijk - Ez. 29 :18 loon God geeft - Hebr. 11 :6 loon God zoeken loont Matth. 5 :12 loon groot - in de hemelen Matth. 5 :46 loon hebben: van God Spr. 11 :18 loon na zaaien Luk. 18 30 loon nu en straks Deut. 24 :15 loon op tijd betalen Spr. 11 :18 loon trouw - Matth. 6 :1 loon van God Marcus 9 :40 loon van God: voor geringste dingen Matth. 6 :5 loon van mensen: eer 2Jo :8 loon vol - ontvangen Ez. 29 :18 loon voor een dienst Spr. 11 :18 loon voor zaaien gerechtigheid Ez. 29 :19 loon voorbeeld: loon voor Babel Luk. 6 :31 v loon werken om loon 2 Tim. 4 :7 loop eindigen Gal. 2 :2 loop geloofsleven als - Filip. 2 :16 lopen tevergeefs Spr. 23 :33 losbandig seksueel - door drank Jud :4 losbandigheid gepredikt Marcus 7 :21 losbandigheid oorsprong: hart Ef. 4 :19 losbandigheid oorzaak: afgestompt in gevoelens Ef. 5 :18 losbandigheid tegen - 1 Pe 4 :3 losbandigheid wandelen in -n Nu 3 :49 losgeld geval Matth. 15 :14 loslaten groep mensen: laat de farizeeen begaan 2 Kron. 25 :9 loslaten omdat de Heer meer geeft Marcus 10 :45 losprijs Jezus leven tot een - voor velen Nu 3 :46 lossen begrip Lev. 23 :48 lossing begrip: vrijkopen Ex. 13 :15 lossing der eerstgeborenen Nu 3 :46 lossing geval: eerstgeborenen Lev. 23 :49 lossing zelf- Spr. 18 :18 lot beeindigt geschillen Luk. 1 :9 lot door het - aanwijzen Ps. 16 :5 lot Gij onderhoudt mijn - Jud :16 lot klagers over hun - Joz 19 :51 lot uitdelen land naar het - Nu 26 :55 lot verdelen naar het - Joz 18 :10 lot werpen voor de verdeling van het land Kanaan Spr. 16 :33 lot Ps. 66 :10 louteren door God 1 Kron. 23 :30 loven 2x daags den HERE - Ps. 119:164 loven begrip Marcus 8 :7 loven door Christus 1 Kron. 16 :7 loven door een psalm Marcus 6 :41 loven door Jezus: om het voedsel Ps. 109:30 loven en prijzen Ps. 145:21 loven en prijzen Ps. 147:12 loven en roemen Ps. 145:10 loven en zegenen Ps. 147:1 loven en zingen Ps. 106:12 loven geloven doet loven Ruth 4 :14 loven geval Ps. 104:1 v loven geval Ps. 135:3 loven God - Ps. 147:1 loven God - Ps. 150:1 loven God - : in zijn heiligdom en in andere plaatsen Rom. 15 :11 loven God - : looft de Heer, alle volken Ps. 96 :2 loven God - : looft Zijn naam Ps. 57 :10 -11 loven God - : reden Ps. 111:1 loven God - : van ganser harte Ps. 103:22 loven God - door mijn ziel: looft Hem, mijn ziel Ps. 103:21 loven God - door zijn heirscharen, zijn dienaars Ps. 103:22 loven God - door zijn werken Ps. 148:1 loven God - in de hemelen Ps. 145:21 loven God - in eeuwigheid Ps. 150:3 v loven God - met muziekinstrumenten Ps. 145:2 loven God - te allen dage Deut. 8 :10 loven God -: aanleiding Ps. 103:1 loven God -: al wat in je is love Hem Ps. 145:10 loven God -: door al zijn werken Ps. 138:4 loven God -: door alle koningen der aarde Luk. 1 :64 loven God -: door Zacharia Luk. 1 :68 loven God -: geloofd zij Luk. 2 :28 loven God -: geval: door Simeon Joz 22 :33 loven God -: geval: volk Israel Ps. 138:2 loven God -: grond Ps. 92 :2 loven God -: is goed Ps. 104:1 loven God -: loof den HEERE, mijn ziel Ps. 103:1 loven God -: looft Hem Ps. 105:1 loven God -: looft Hem Ps. 103:20 v loven God -: looft Hem, gij engelen Ps. 100:4 v loven God -: looft Hem: grond 2 Kron. 6 :3 loven God -: om welke hoedanigheden Ps. 107:1 loven God -: om Zijn goedheid Ps. 118:1 loven God -: om zijn goedheid 1 Kron. 16 :34 loven God -: om zijn goedheid, goedertierenheid Ps. 103:2 loven God -: om Zijn weldaden Ezra 3 :11 loven God -: over wat Ps. 86 :13 loven God -: reden Ps. 119:7 loven God -: reden Ps. 118:21 loven God -: reden: verhoring, heil Ps. 136:15 loven God -: reden: verlossend oordeel Ps. 119:61 loven God -: reden: zijn gerechtigheid 2 Sam. 22 :50 loven God -: redenen Ps. 139:14 loven God -: redenen Ps. 150:2 loven God -: redenen Ps. 119:164 loven God -: waarover: de rechten Zijner gerechtigheid Ps. 106:1 loven God -: want Hij is goed etc Ps. 103:1 loven God -: zijn heilige naam - Ps. 148:1 v loven God loven in de hemelen Ps. 119:171 loven God overvloedig - Ps. 107:15 loven Gods goedertierenheid 1 Kron. 16 :35 loven Gods heilige naam - Ps. 54 :8 loven Gods naam: reden: goedheid Ps. 107:15 loven Gods wonderwerken Ps. 139:14 loven ik loof U Ps. 145:1 loven in eeuwigheid 2 Kron. 6 :6 loven inhoud van de lof Ps. 136:1 v loven lofpsalm 2 Kron. 29 :30 loven met de woorden van David of Asaf Ps. 138:1 loven met gehele hart Ps. 149:3 loven met muziek Ps. 113:1 v loven naam des HEEREN Ps. 148:5 loven naam des HEEREN loven Ps. 100:4 loven prijzen: - en p Ri 5 :2 loven redenen 2 Kron. 29 :30 loven tot blijdschap toe 1 Kron. 16 :35 loven volgend op verlossing Ps. 107:21 loven voor wie: God, mensen Ps. 107:8 loven voor: de mensen, God Ps. 142:8 loven voornemen Ps. 107:21 loven wat: Gods goedertierenheid. Gods wonderwerken Ps. 107:8 loven wat: Gods wonderwerken, Zijn goedertierenheid loven zie ook Prijzen Luk. 16 :8 Luc probleem: gebrek aan verstandigheid bij discipelen Luk. 18 19 Luc 18:19 goed Luk. 22 29 -30 Luc 22 29-30 vgl. vs 16,18 Luk. 22 30 Luc 22 30, vgl. Mefiboseth Luk. 22 40 Luc 22 40, vgl. vs 31 Luk. 23 35 Luc 23:35 zie 22:67 Spr. 21 :25 luiaard begeerte van de - Spr. 22 :13 luiaard deinst terug voor moeilijkheden Spr. 21 :25 v luiaard kenmerk Spr. 26 :13 v luiaard lessen over de - Spr. 15 :19 luiaard weg van de -: als een doornheg Spr. 26 :16 luiaard zeer eigenwijs Spr. 20 :4 luiaard Spr. 19 :15 luiheid doet in diepe slaap vallen Spr. 24 :30 luiheid gevolgen Spr. 6 :11 luiheid gevolgen: armoede, gebrek Spr. 13 :4 luiheid onvervulde begeerte Spr. 6 :6 luiheid tegen - Spr. 26 :15 luiheid vergroot moeheid Spr. 23 :21 luiheid voert tot armoede Spr. 10 :26 luiheid Jer 8 :6 luisteren door God Pred. 7 :21 luisteren niet - naar alle woorden Marcus 6 :11 luisteren niet -: door de mensen: naar de gezanten van Jezus Marcus 5 :36 luisteren niet -: door Jezus Job 6 :26 luisteren zonder respect - Luk. 1 :53 Luk. 1:53 vgl. visvangst; rijke jongeling Luk. 1 :54 Luk. 1:54 vgl. Egypte 2 Tim. 4 :11 Lukas bij Paulus zijnde Col. 4 :14 Lukas geliefde arts Ps. 106:14 lust bevangen door - 2 Sam. 23 :5 lust bron: Gods heilsverbond Ps. 16 :3 lust d heerlijken, in dewelke al mijn lust is Micha 7 :18 lust God heeft - aan goedertierenheid Ps. 112:1 lust grote - Jer 9 :24 lust hebben: door God: in doen weldadigheid, recht en gerechtigheid Ps. 112:1 lust in Gods geboden grote - hebben Deut. 14 :26 lust kiezen naar -: accoord hier Deut. 12 :15 lust naar alle lust uwer ziel Deut. 12 :20 lust naar de lust van je ziel eten (toegestaan) Spr. 24 :1 lust toelaten: niet toelaten in dit geval Amos 4 :4 lust tot afgodendienst Ps. 1 :2 lust z lust is in des HEREN wet