2 Kron. 6 :8 daad begint in het hart, daar al te waarderen Luk. 19 37 daad Christus' daden: krachtig 1 Sam. 19 :4 daad Davids daden waren goed voor Saul Jac. 1 :25 dader van het werk Jac. 1 :22 dader van het woord zijn 2 Kon 20 :5 dag 3e dag: op de: Hizkia hersteld Ef. 6 :13 dag boze - Filip. 1 :6 dag Christus Jezus, dag van Filip. 1 :9 dag Christus, - van C Filip. 2 :16 dag Christus: - van C 2 Thess.1 :10 dag Christus: - van onze Heer Jezus Christus Deut. 34 :8 dag dagen van het wenen werden voleindigd Deut. 30 :18 dag dagen verlengen 2 Sam. 7 :12 dag dagen vervuld 1 Kron. 17 :11 dag dagen vervuld Ps. 118:24 dag door de HERE gemaakt Marcus 16 :9 dag eerste dag van de week: Jezus opgestaan uit de doden Deut. 11 :21 dag -en des hemels op de aarde Hebr. 10 :25 dag fig. komst van de Heer Jezus 1 Thess.5 :5 dag geestelijke - 1 Pe 3 :10 dag goede -en willen zien Opb. 6 :17 dag grote - van Gods toorn en van de toorn van het Lam Joel 2 :11 dag Heer, - des HEEREN Joel 2 :31 dag Heer, - des HEEREN Joel 3 :14 dag Heer, - des HEEREN Obadja :15 dag Heer, - des HEEREN Jes. 2 :12 dag Heer, - des HEEREN der heirscharen Zef. 1 :7 v dag Heer, - des HEEREN, vs. 14v Amos 5 :18 dag Heer, - des HEEREN: duisternis Amos 5 :18 dag Heer, - des HEEREN: niet te begeren Joel 2 :2 dag Heer, - des HEREN: duisternis Joel 2 :1 dag Heer, - des HEREN: komend, nabij Joel 2 :2 dag Heer, - des HEREN: verwoestend volk Joel 1 :15 dag Heer, - des HEREN: verwoesting Opb. 1 :10 dag Heer, - van de Heer 1 Thess.5 :2 dag Heer, [de] - van [de] Heer: komt als een dief id nacht Spr. 15 :15 dag kwade -en Micha 4 :1 dag laatst, in het laatste der -en Hebr. 1 :1 dag laatst: in het laatst van deze dagen Joh. 6 :39 v dag laatste -: de laatste dag: opwekking der doden Joh. 6 :54 dag laatste -: opstanding 2 Tim. 3 :1 dag laatste dagen Jes. 2 :2 dag laatste der -en Jer 23 :20 dag laatste der -en Deut. 31 :29 dag laatste der -en: kwaad over Israel Deut. 4 :30 dag laatste -en Jac. 5 :3 dag laatste -en 2 Thess.3 :8 dag nacht en - werken 1Jo 4 :17 dag oordeel, de - vh oordeel Hebr. 3 :8 dag periode: in de - van de verzoeking Filip. 1 :10 dag van Christus 1 Pe 2 :12 dag van de bezoeking 1 Thess.5 :8 dag van de dag zijn 2 Thess.2 :2 dag van de Heer 2 Thess.2 :3 dag van de Heer: openbaring van de Heer Jezus Rom. 2 :5 dag van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God Rom. 2 :9 dag van de toorn van God Rom. 2 :5 dag van Gods toorn 2 Kon 7 :9 dag van goede boodschap Amos 5 :21 dag verbods-: Gode onwelgevallige verbodsdagen Deut. 22 :7 dag verlengen uw dagen: door moedervogel vrij te laten Luk. 2 :21 dag vervulling van zoveel dagen Jes. 63 :4 dag wraak, - der wraak 1 Thess.5 :5 dag zonen van de - Luk. 17 30 dag zoon des mensen 1 Kon. 8 :59 dagelijks God voert - mijn recht uit Hebr. 7 :27 dagelijks nodig Joel 3 :14 dal des dorswagens:menigten in het - 1 Kon. 19 :15 Damascus woestijn van - Jes. 17 :1 v Damaskus oordeel over - Ps. 148:8 damp Dan. 4 :8 Daniel Beltsazar, vernoemd naar de god van Nebukadnezar Dan. 12 :4 Daniel inzicht in het boek - zal toenemen Ps. 57 :5 Daniel te midden der leeuwen 1 Thess.3 :9 dank als vergelding Filemon :4 dank reden tot Col. 3 :15 dankbaar weest - 2 Cor. 9 :11 v dankbaarheid bevorderen Col. 3 :17 danken door de Heer Jezus God Vader danken Rom. 1 :8 danken door Jezus Christus Col. 1 :3 danken en bidden Col. 1 :3 danken God - Filip. 1 :3 danken God - om medegelovigen Col. 1 :12 danken God de Vader - 1 Thess.2 :13 danken God onophoudelijk - 2 Thess.1 :3 danken God: reden 1 Thess.5 :18 danken in alles -: doe dat Filemon :4 danken om welke zaken 1 Thess.1 :3 danken voor allen: altijd Marcus 8 :6 danken voor de maaltijd: door Christus 2 Thess.2 :13 danken voor iem. - 1 Thess.1 :3 danken voor iem.: redenen Ps. 50 :23 danken wie dankt eert God 1 Tim. 1 :12 danken 2 Cor. 9 :11 v dankzegging bewerken Col. 2 :7 dankzegging overvloeiend met - Jer 30 :18 dankzegging waardevol voor God 2 Sam. 6 :14 v dans David huppelde met alle macht 2 Sam. 6 :16 dans -er niet te verachten 1 Sam. 18 :6 dans Luk. 7 :32 dansen Christus spreekt van - Matth. 11 :17 dansen Jezus over - 1 Sam. 30 :16 dansen uit vreugde 1 Sam. 16 :18 dapper David 1 Sam. 16 :18 dapper David 2 Sam. 13 :28 dapper weest - : gezegd door Absalom tot zijn knechten Hos. 14 :6 dauw God als - voor Israel Deut. 33 :28 dauw hemel druipend van dauw Deut. 33 :13 dauw zegen 1 Sam. 20 :8 David Christus gelijk: aanvaardde doodstraf voor anderen 2 Sam. 15 :30 David Christus gelijk: bedroefd op de Olijfberg 2 Sam. 19 :28 David Christus gelijk: begenadiging van 'lieden des doods' 1 Sam. 23 :14 David Christus gelijk: bewaard en niet overgegeven 1 Sam. 19 :5 David Christus gelijk: door hem kwam heil 2 Sam. 1 :11 David Christus gelijk: droefheid om zijn tegenstander 2 Sam. 5 :5 David Christus gelijk: gefaseerde regering 2 Sam. 16 :8 David Christus gelijk: gehoond Ps. 142:4 David Christus gelijk: gelijk - strik gelegd 1 Sam. 20 :34 David Christus gelijk: gesmaad 2 Sam. 19 :22 David Christus gelijk: gevraagd om te doden 1 Sam. 26 :24 David Christus gelijk: gezindheid 2 Sam. 18 :5 David Christus gelijk: goed voor zijn vijand (vgl. bejegening Judas) 1 Sam. 20 :3 David Christus gelijk: in doodsgevaar 2 Sam. 15 :20 David Christus gelijk: laat ze weg kunnen gaan 1 Sam. 19 :5 David Christus gelijk: leven geven 1 Sam. 19 :5 David Christus gelijk: onschuldig 1 Sam. 20 :32 David Christus gelijk: onschuldig 1 Sam. 20 :1 David Christus gelijk: onschuldig vervolgd 2 Sam. 16 :10 David Christus gelijk: oordeel uit Gods hand aannemende 2 Sam. 18 :33 David Christus gelijk: plaatsvervangend sterven 1 Sam. 22 :14 David Christus gelijk: sympathisanten vervolgd 1 Sam. 20 :41 David Christus gelijk: verworpen 2 Sam. 16 :9 David Christus gelijk: volgelingen wilden optreden Ps. 142:8 David Christus gelijk: wel bij hem gedaan, omringd door de rechtvaardigen 2 Sam. 5 :8 David Christus: ongelijk Christus: Jezus had blinden en kreupelen lief 1 Sam. 19 :10 David doden: Saul wilde - doden Ps. 55 :13 v David door een vriend belaagd 2 Sam. 2 :5 David eer aan Saul 2 Sam. 4 :9 David geen wraakgevoelens 1 Sam. 29 :6 David goed getuigenis 1 Sam. 16 :19 David herder van schapen 2 Sam. 24 :17 David herder: herderlijk gevoel 2 Sam. 7 :16 David huis: bestendig tot in eeuwigheid 2 Sam. 12 :10 David huis: geplaagd door het zwaard altoos 1 Sam. 20 :3 David in doodsgevaar Ps. 56 :3 David kenmerk leven: vele bestrijders Ps. 56 :9 David kenmerk van zijn leven: omzwerven 2 Kon 8 :19 David knecht van God 1 Kron. 28 :4 David koning over Israel in eeuwigheid 2 Sam. 7 :16 David koninkrijk: tot in eeuwigheid: voor Davids aangezicht 1 Kron. 28 :3 David krijgsman, veel bloed vergoten 1 Kon. 1 :29 David leven: kenmerk: in vele noden Ps. 55 :1 v David lijden Ps. 132:1 David lijden 1 Sam. 30 :22 David mannen van David: er waren ook boze en nietswaardige Ps. 86 :16 David moeder: godsvruchtig 1 Sam. 18 :18 David nederig 1 Sam. 18 :23 David nederig Marcus 11 :10 David onze vader genoemd 1 Kon. 15 :5 David recht doend 1 Kron. 3 :4 David regeringsperioden: 7,5 en 33 jaar 2 Sam. 7 :16 David stoel: vast tot in eeuwigheid 2 Sam. 19 :7 David veel kwaad ondervonden in zijn leven 1 Sam. 18 :29 David vijand: Saul, al zijn dagen 2 Sam. 4 :9 David vijandliefde 1 Sam. 19 :12 David vlucht 1 Sam. 20 :1 David vlucht 1 Sam. 30 :5 David vrouwen van - 2 Sam. 3 :1 v David vrouwen van - 2 Sam. 5 :3 David zalving: tot koning over Israel 1 Kron. 2 :15 David zevende zoon van Isai 1 Kon. 15 :5 David zonde: de zaak van Uria 1 Kron. 2 :16 David zus: Abigail Ps. 119:57 deel God is mijn - Ps. 142:6 deel God mijn deel Col. 1 :12 deel hebben aan de erfenis Hebr. 12 :10 deel krijgen aan Gods heiligheid Filip. 1 :7 deelgenoot genade, mede- van Paulus zijn g. 2 Cor. 8 :23 deelgenoot 2 Cor. 6 :14 deelgenootschap Col. 4 :14 Demas Marcus 15 :11 democratie en demagogie Matth. 27 :26 democratie fiasco hier 1 Sam. 8 :22 democratie het volk beslist 1 Sam. 8 :7 democratie horen naar de stem des volks Jer 5 :31 democratie kan tegen Gods wil zijn Matth. 27 :15 democratie lokale - Ri 9 :2 v democratie lokale -: geval Ex. 23 :2 democratie nadeel 1 Pe 4 :3 democratie nadeel 1 Sam. 15 :24 democratie nadeel: kan leiden tot ongehoorzaamheid Luk. 23 24 democratie slecht gevolg Luk. 19 14 democratie verwerpt Christus Deut. 17 :15 democratie ware - Dan. 10 :13 demon als vorst van een aards konkrijk Jac. 2 :19 demon angst Luk. 8 :29 demon antwoord op uitgaansbevel Luk. 4 :41 demon bestraft door Jezus Luk. 4 :35 demon bestraft: door Jezus bestraft Luk. 8 :29 demon bevelen uit te gaan Jac. 3 :15 demon bron van twistzucht, jaloersheid Ri 9 :23 demon en God: - door God gezonden Marcus 1 :34 demon en Jezus: ze wisten Wie Hij was 1 Sam. 18 :8 v demon -en voet geven: illustratie (Saul) Luk. 8 :31 demon -en worden bewaard in de afgrond Luk. 4 :33 demon geest van een onreine - Jac. 2 :19 demon geloven: demonen geloven dat God één is Luk. 4 :41 demon getuigt aangaande Jezus: U bent de Zoon van God Jud :6 demon gevangen -en 1 Tim. 4 :2 demon gewetenloos 1 Tim. 4 :2 demon huichelen Matth. 11 :18 demon iem. Een - toedichten Joh. 7 :20 demon iem. onjuist - toeschrijven Dan. 10 :13 demon in strijd met een engel Dan. 10 :20 v demon in strijd met engel Luk. 8 :2 demon inwoning: door 7 demonen Luk. 8 :29 demon kan een mens aangrijpen Luk. 4 :41 demon kennis: ze wisten dat Jezus de Christus was Ps. 62 :5 demon leugenachtig 1 Tim. 4 :2 demon liegen Luk. 4 :33 demon onreine - Marcus 7 :26 demon onreine geest Luk. 4 :34 demon oordeel over -en: bekend aan demonen Matth. 8 :31 demon smeken door - Marcus 1 :34 demon spreken: Jezus liet hen hun niet toe Matth. 8 :22 demon uitdrijven Marcus 7 :26 demon uitdrijven Marcus 16 :9 demon uitdrijven Matth. 12 :28 demon uitdrijven: door Jezus, door Geest van God Marcus 16 :17 demon uitdrijven: in Jezus' naam Marcus 3 :15 demon uitdrijven: macht daarvoor hebben Matth. 12 :22 v demon uitdrijving Luk. 4 :35 demon uitdrijving Matth. 12 :28 demon uitdrijving door discipelen Matth. 17 :18 demon uitdrijving: bestraffing Marcus 1 :39 demon uitdrijving: door Jezus Marcus 1 :34 demon uitdrijving: door Jezus: vele demonen Luk. 4 :35 demon uitgaan Luk. 4 :41 demon uitgaan Luk. 8 :33 demon uitgaan, ingaan in de varkens Luk. 8 :29 demon uitgedreven door Jezus Marcus 6 :13 demon uitgedreven werden vele -en Luk. 7 :33 demon verklaren uit een demon: soms onjuist 1 Sam. 18 :8 v demon voet geven, hoe, illustratie Saul Ri 9 :23 demon werk Luk. 4 :34 demon weten Opb. 18 :2 demon woonplaats, bewaarplaats Luk. 4 :41 demon ziekte en demonen Jes. 24 :21 demonen geoordeeld Ef. 6 :12 demonen Luk. 8 :27 demonie begrip: demonen hebben Luk. 8 :27 demonie en exhibitionisme of blootloperij 1 Sam. 18 :10 demonie en profeteren Luk. 8 :27 v demonie genezing van - Luk. 8 :29 demonie kenmerk: blootloperij Luk. 8 :29 demonie kenmerk: buitengewone kracht Luk. 8 :29 demonie kenmerk: verblijf in onherbergzame oorden Luk. 8 :29 demonie kenmerk: verblijven bij de dood Luk. 8 :30 demonie meervoudige - Jac. 3 :15 demonisch demonische wijsheid Matth. 12 :24 demoniseren Christus - Matth. 11 :18 demoniseren geval: Johannes gedemoniseerd Marcus 3 :30 demoniseren Jezus een onreine geest toegedicht Hebr. 12 :28 denen God -: op een Hem welbehaaglijke wijze 1 Sam. 1 :15 denkbeeld weerleggen Ps. 139:17 denken aan God: kostelijk Neh. 9 :17 denken aan: Gods wonderen: dat nalaten Opb. 2 :5 denken bedenk waarvan u afgevallen bent 2 Tim. 3 :8 denken bedorven van - Jer 9 :6 denken bedrog in - Gen. 8 :21 denken boos van jeugd aan Ps. 103:18 denken doen: denken aan Gods bevelen om die te doen Matth. 11 :4 v denken door Christus gestimuleerd Jer 18 :11 denken door God Jes. 63 :11 denken door God: aan de dagen van ouds Jes. 10 :7 denken door het hart 2 Kron. 28 :23 denken en afgoderij 1 Sam. 9 :5 denken en beweegreden Deut. 31 :21 denken en doen Ri 3 :24 denken en doen 2 Kon 3 :23 denken en doen Spr. 16 :30 denken en doen Matth. 6 :7 denken en doen Jac. 2 :21 denken en doen: doen bekrachtigt denken Neh. 9 :17 denken en gedrag Joh. 6 :15 denken en gedrag Jac. 2 :1 v denken en gedrag Matth. 1 :19 denken en handelen 1 Sam. 1 :14 denken en spreken 1 Tim. 6 :4 denken en waarheid 2 Tim. 3 :8 denken en waarheid Ef. 4 :17 denken en wandelen Jer 18 :11 denken gedachte - Filip. 2 :3 v denken gedachtelezen: inhoud, wenselijke 2 Sam. 15 :33 denken gedachten corrigeren Ef. 4 :23 denken geest van uw - Ps. 105:42 denken God dacht aan zijn woord aan Abrahan Micha 2 :2 denken God denkt een kwaad (beraamt onheil) over het zondige volk Deut. 31 :21 denken God kent ons gedichtsel en de gevolgen ervan Amos 4 :13 denken God maakt den mens zijn gedachte bekend Matth. 9 :4 denken in het hart Ps. 140:3 denken in het hart: kwaad 2 Thess.2 :2 denken in je denken geschokt 2 Thess.2 :2 denken in je denken verschrikt Filip. 4 :10 denken inhoud: aan wie denken we? Matth. 9 :4 denken kwaad - Matth. 9 :4 denken kwaad - in het hart Ps. 56 :6 denken kwaad - tegen iem. 1 Sam. 22 :13 denken kwaad - van iemand: geval 2 Cor. 10 :7 denken laat iem. - dat Amos 2 :4 denken leugenachtig -: verleidt jezelf Joh. 21 :25 denken menen Matth. 16 :23 denken menselijk vs goddelijk - Spr. 24 :8 denken om kwaad te doen 1 Sam. 22 :17 denken onjuist - 2 Sam. 3 :25 denken onjuist - Matth. 3 :9 denken onjuist - 1 Sam. 23 :7 denken onjuist - over God 1 Sam. 22 :8 denken onjuist denken: Saul Jer 28 :15 denken op leugen vertrouwen Ps. 1 :2 denken over-: hij overdenkt Zijn wet dag en nacht Matth. 1 :20 denken overdenken en doen Gal. 6 :3 denken positief -: hier onjuist Matth. 5 :4 denken positief denken: correctie op: gelukkig de treurenden Pred. 11 :8 denken relativerend - Matth. 12 :11 v denken stimuleren: door Jezus Filip. 1 :7 denken terecht - dat Jer 37 :9 denken vals - 2 Sam. 13 :30 denken veranderen van eens anders denken Matth. 5 :43 denken veranderen: door Christus Luk. 6 :9 denken veranderen: door Christus: door een vraag te stellen en aan te kijken Matth. 5 :38 denken veranderen: door de Heer Matth. 3 :9 denken veranderen: door Johannes Jer 8 :5 denken veranderen: vasthouden aan bedrog 1 Tim. 5 :17 denken verandering 1 Tim. 6 :5 denken verdorven in het - 1 Tim. 6 :4 denken verdorven zijn in het - Gen. 6 :5 denken verkeerd - Pred. 7 :29 denken verkeerd - Rom. 1 :28 denken verkeerd -: daaraan overgegeven Rom. 1 :28 denken verkeerd -: gevolg van afgoderij 1 Sam. 22 :14 denken verkeerd -: weerleggen Ef. 4 :23 denken vernieuwd in de geest van uw -, ctr. vs 17 Opb. 2 :14 denken vernieuwen: loslaten denkbeelden of leringen 2 Cor. 10 :5 v denken vernieuwing Deut. 1 :25 denken vernieuwing van -: mislukt 1 Sam. 1 :16 denken verward Col. 2 :18 denken vlees: - van zijn v Ef. 4 :17 denken vruchteloos - Col. 3 :1 denken wat we wel/niet hebben te denken 1 Pe 1 :13 denken weest nuchter Hebr. 10 :15 denken wordt door de Geest vernieuwd Filip. 1 :7 denken zie Geloven Ef. 2 :11 denken zie ook Bedenken Opb. 3 :3 denken zie ook Bedenken denken zie ook Bedenken, Overdenking 2 Cor. 10 :2 denken Hebr. 6 :3 deo volente als God het tenminste vergunt Jes. 60 :20 depressie behandeling: God als Licht Ri 15 :16 depressie bij Simson Jona 4 :1 v depressie Jona in - Ps. 119:28 depressie kenmerk 1 Sam. 16 :1 depressie omgaan met -: door God Ps. 119:28 depressie richt mij op naar Uw woord Jes. 38 :15 depressie vertraagt handelen 1 Sam. 1 :15 depressief behandeling: ziel uitgieten voor Gods aangezicht Jer 20 :14 v depressief Jeremia - Filip. 4 :8 deugd al wat - is, bedenkt dat 1 Tim. 6 :11 deugd -en 2 Pe 1 :3 deugd roepen door - Ef. 4 :32 deugd sociale -en Ps. 118:20 deur Christus Opb. 3 :20 deur geestelijk: Christus staat aan de deur en klopt 2 Cor. 2 :12 deur geopend in de Heer Opb. 3 :8 deur geopende -: gegeven door Christus Matth. 25 :10 deur gesloten Matth. 25 :10 deur gesloten Col. 4 :3 deur God opene ons een deur voor het woord Opb. 4 :1 deur in de Hemel deur zie ook Poort Marcus 13 :34 deurwachter Deut. 4 :46 Deut. opgeschreven in Overjordaanse? Deut. 2 :12 Deuteronomium ten dele niet door Mozes geschreven?? Marcus 9 :21 diagnose vragen naar hoe lang het probleem al bestaat Lev. 13 :3 diagnose Matth. 26 :73 dialect Deut. 31 :19 dicteren God dicteert een lied 1 Pe 4 :15 dief christen kan een - zijn Ps. 50 :18 dief meedoen met - Spr. 1 :10 v dief overlegging Spr. 6 :30 dief verachting onthouden om zijn motief Matth. 6 :19 dief Ef. 4 :28 diefstal en gebrek Spr. 6 :31 diefstal gestolen goed vergelden door de dief 1 Kron. 7 :21 diefstal gestraft Matth. 15 :19 diefstal komt voort uit hart Spr. 6 :30 diefstal motief: ziel vullen Marcus 7 :21 diefstal oorsprong: hart Deut. 20 :14 diefstal roven hier goedgekeurd in oorlog Deut. 27 :17 diefstal van land Ex. 22 :1 v diefstal wetten over - Marcus 14 :65 dienaar en Jezus: de dienaren sloegen hem in het gezicht Col. 1 :7 dienaar en slaaf Col. 1 :25 dienaar gemeente: - van de g: Paulus Filip. 1 :1 dienaar is bekend in een gemeente 1 Kron. 16 :13 dienaar Israel is Gods - Col. 4 :7 dienaar trouwe 2 Kon 10 :19 v dienaar van Baal Rom. 15 :16 dienaar van Christus Jezus: voor de volken Col. 1 :7 dienaar van Christus voor u: Epafras Col. 1 :7 dienaar van Christus: trouw - Marcus 14 :53 dienaar van de hogepriester: -en van de hogepriester 2 Cor. 6 :4 v dienaar van God: ervaringe Col. 1 :23 dienaar van het evangelie Luk. 1 :2 dienaar van het woord 1 Tim. 3 :8 v dienaar vereisten 1 Tim. 6 :19 dienen ander dienen is jezelf dienen 1 Tim. 6 :2 dienen broeders - Col. 1 :7 dienen Christus -: voor de gemeente Ps. 2 :11 dienen den HERE -:met vreugde Ps. 2 :11 dienen den HERE -:met vreze 1 Pe 4 :11 dienen dien uit sterkte die God verleent Deut. 10 :20 dienen dient God Marcus 10 :45 dienen door Christus Luk. 22 27 dienen door Christus Hebr. 12 :28 dienen door genade dienen: Hem dienen Jes. 42 :1 dienen door God: ondersteunen Ex. 21 :6 dienen eeuwig -: door Christus 1 Tim. 4 :16 dienen en ook voor jezelf zorgen 1 Thess.1 :5 dienen geval: dienst vh evangelie "terwille van u" Deut. 10 :12 dienen God - 1 Thess.1 :9 dienen God - Hebr. 9 :14 dienen God - Gen. 49 :15 dienen God - : in rust Jes. 42 :1 dienen God - en zelf geholpen worden Joz 24 :14 dienen God - in oprechtheid en in waarheid 2 Tim. 1 :3 dienen God - met een rein geweten Hebr. 13 :17 dienen God - met vreugde Marcus 10 :30 dienen God -: brengt vervolging mee Ps. 100:2 dienen God -: dient den HEERE met blijdschap Hebr. 12 :28 dienen God -: door genade 1 Sam. 2 :11 dienen God -: door Samuel Ex. 23 :25 dienen God -: gevolg: ziekte voorkomen Rom. 1 :9 dienen God -: in je geest Joz 24 :19 dienen God -: kunnen wij niet 1 Kron. 28 :9 dienen God -: met een volkomen hart 1 Kron. 28 :9 dienen God -: met een willige ziel Jes. 19 :21 dienen God -: met offers Joz 22 :5 dienen God -: met uw ganse hart en ziel Deut. 28 :47 dienen God -: met vrolijkheid en goedheid des harten Ri 10 :6 dienen God -: niet dienen 1 Sam. 2 :18 dienen God -: voor diens aangezicht: door Samuel 1 Sam. 3 :1 dienen God -: voor het aangezicht der mensen Hebr. 12 :28 dienen God: met eerbied en ontzag Col. 3 :24 dienen Heer dienen Hebr. 6 :10 dienen heiligen - Col. 3 :22 v dienen hoe? Joh. 12 :26 dienen Jezus - en eer ontvangen Joh. 12 :26 dienen Jezus - en volgen Matth. 27 :55 dienen Jezus -: door de vrouwen Marcus 15 :41 dienen Jezus -: door vrouwen 1 Kon. 1 :15 dienen koning : door Abisag Ez. 33 :31 dienen lippendienst aan God Marcus 9 :35 dienen maakt groot 1 Tim. 6 :2 dienen meer - 1 Thess.1 :5 dienen mensen - Luk. 8 :3 dienen met bezittingen 1 Pe 5 :2 dienen motieven Gen. 39 :4 dienen na genade gevonden te hebben 1 Sam. 4 :9 dienen ongewenst -: de Filistijnen 2 Kon 18 :7 dienen ophouden: Hizkia ten opzichte van de koning van Assyrie Matth. 6 :24 dienen twee heren - is onmogelijk Deut. 28 :48 dienen vijanden - 2 Cor. 8 :4 dienst aan de heiligen 2 Cor. 9 :1 dienst aan de heiligen 2 Tim. 1 :18 dienst bewijzen 1 Tim. 6 :2 dienst goede - ontvangen Ex. 1 :14 dienst harde - 2 Tim. 2 :4 dienst in - nemen 1 Thess.5 :12 dienst in de gemeente: door anderen: door ons te erkennen 1 Tim. 6 :2 dienst slaven- als goede dienst Tit. 1 :3 dienst toevertrouwd aan Paulus: door God 2 Kon 17 :13 dienst van profeten en zieners Hebr. 9 :21 dienst vaten van de - 2 Tim. 4 :5 dienst vervullen: ten volle 2 Tim. 4 :17 dienst vervullen: ten volle: door Paulus 1 Thess.5 :12 v dienst vormen van - Opb. 2 :19 dienst vs werken Ex. 35 :24 dienst werk van de - Marcus 9 :35 dienstknecht aller - : voornaam Marcus 9 :35 dienstknecht aller - zijn Lev. 23 :55 dienstknecht Israelieten zijn Gods -en Joh. 17 :4 dienstknecht Jezus Marcus 10 :43 dienstknecht zijn Matth. 23 :11 dienstknecht zijn: voorname taak Ps. 130:1 diepte geestelijk: uit de -n roepen tot God Pred. 3 :18 dier als mens Lev. 26 :6 dier boos gedierte Lev. 26 :6 dier boos gedierte doen ophouden: door God 1 Kon. 21 :24 dier dieren eten gestorven mensen 1 Kon. 13 :28 dier door God beheerst Job 39 :3 dier en God: schreeuwen tot God Ps. 50 :10 dier -en zijn Godes Gen. 8 :1 dier gedenken aan -en: door God Lev. 26 :22 dier gedierte als straf Gen. 2 :19 dier gemaakt uit de aarde Jona 4 :7 dier God beschikte een worm Jona 4 :11 dier God heeft -ren 'lief' 1 Sam. 6 :12 dier God leidt -en Ps. 104:21 dier God voedt de dieren, ook de leeuwen Matth. 6 :26 dier God zorgt voor de -en Ex. 23 :11 dier Gods zorg voor -en Deut. 25 :4 dier Gods zorg voor -en Hebr. 11 :33 dier heersen over dieren: door middel van geloof Ps. 104:18 dier huizen voor de -en Marcus 1 :13 dier Jezus bij de wilde -en Matth. 21 :5 dier Jezus intocht, gezeten op een ezelin en veulen Matth. 10 :16 dier Jezus over -en Marcus 5 :12 dier kan bezeten worden 1 Kon. 4 :33 dier kruipende dieren: Salomo sprak ervan Matth. 21 :5 dier lastdier 2 Kon 17 :25 dier leeuwen door God gezonden tot straf Ps. 148:10 dier looft God, alle gij dieren Ps. 104:20 dier nachtdieren Spr. 14 :4 dier nut voor de mens: os Job 39 :9 dier omgeving: door God besteld Gen. 6 :12 dier ontaard, verdorven Job 39 :22 v dier paard: aard Jud :10 dier redeloos levend wezen Deut. 14 :1 -21 dier reine vs. onreine dieren Ps. 148:10 dier soorten -en Hebr. 12 :20 dier steniging Job 39 :16 v dier struisvogel: instinct: door God gemaakt Dan. 7 :17 dier symbool voor koning Matth. 7 :6 dier type van mensen klassen Jud :10 dier vs mens: rede Marcus 1 :13 dier wilde -en Lev. 24 :18 dier ziel Spr. 12 :10 dier zorg voor dieren bij de rechtvaardige Jer 12 :9 dieren des veld: oordeel van gegeten worden door Jer 8 :7 dieren en wet 1 Kon. 17 :4 dieren gehoorzamen God 1 Kon. 17 :4 dieren God gebiedt de dieren Spr. 12 :10 dieren leven: hun leven kennen: door de rechtvaardige Joz 11 :6 dieren strijdrossen moesten verlamd worden Joh. 9 :28 discipel begrip Matth. 7 :11 discipel 'boos' mens Marcus 3 :35 discipel broer, zuster van Jezus: dezelfde geestelijke Vader Matth. 17 :10 discipel discipelen: vraag bij hen over de Christus Joh. 8 :31 discipel een ware -: blijft in Jezus' woord Marcus 14 :13 discipel en Meester Joh. 15 :8 discipel -en zijn Marcus 3 :35 discipel kenmerk: zoekt de wil van God te doen, gelijk Jezus Matth. 13 :52 discipel maken Joh. 18 :25 discipel Petrus Matth. 25 :14 discipel slaaf Matth. 22 :16 discipel van de farizeeen Marcus 2 :18 discipel van farizeeen Matth. 13 :52 discipel van het Kon der hemelen Matth. 27 :57 discipel van Jezus geworden: Jozef van Arimathea Joh. 19 :38 discipel van Jezus: Jozef van Arimathea Matth. 11 :2 discipel van Johannes Marcus 2 :18 discipel van Johannes Matth. 28 :19 discipel volken tot -en maken: opdracht Matth. 17 :26 discipel zoon van God Marcus 8 :2 discipelen door Jezus bij Zich geroepen: om probleem te overleggen Joh. 2 :22 discipelen geloven de Schrift Luk. 19 37 discipelen Jezus' -: massa Luk. 12 :28 discipelen kleingelovigen genoemd Matth. 10 :25 discipelschap doel: worden als de meester Luk. 14 :26 v discipelschap voorwaarden Lev. 20 :25 discriminatie geboden Matth. 12 :50 discriminatie geslacht: Jezus noemt bewust ook zuster Col. 3 :11 discriminatie in nieuwe mens geen - van toepassing Lev. 24 :22 discriminatie tegen - in rechtspleging Lev. 19 :15 discriminatie verboden in rechtspraak Jac. 2 :9 discriminatie verkeerde - Jac. 2 :1 v discriminatie verkeerde -: geval Col. 3 :11 discriminatie vroeger discriminatie zie ook Onderscheid Gen. 7 :2 discriminatie zie ook Onderscheiden Ex. 23 :3 discriminatie zie ook Voortrekken Matth. 15 :27 discussie Jezus bleef de nood achter de discussie zien 2 Tim. 2 :14 discussie pas op voor zinloze woordenstrijd Matth. 21 :17 discussie vermijden: door de Heer discussieren zie Redetwisten Jud :9 dispuut over het lichaam van Mozes Ez. 28 :24 distel fig. wee doende mens of volk Hebr. 6 :8 distel Marcus 5 :34 dochter Jezus spreekt aan vrouw aan als - Ps. 144:12 dochter vergelijking met hoekzuil 1 Pe 4 :6 dode aan -n is een blijde boodschap verkondigd 1 Pe 3 :19 dode althans sommige doden zijn in gevangenschap Pred. 9 :5 dode geen deel meer in deze eeuw onder de zon Matth. 8 :22 dode geestelijk - Jes. 59 :10 dode geestelijk -n Hebr. 13 :7 dode herinneren Matth. 17 :3 dode herkenbaar 1 Thess.4 :16 dode in Christus 2 Tim. 4 :1 dode Jezus zal doden oordelen 1 Kon. 11 :36 dode -n leven voor Hem: David 2 Kon 4 :34 dode opgewekt Matth. 11 :5 dode opwekken: door Jezus Ps. 115:17 dode prijst God niet Hebr. 11 :35 dode terugkrijgen door opstanding Ps. 63 :10 dode verblijfplaats Deut. 14 :1 dode verboden rondom dode Pred. 9 :5 dode vergeten Ez. 44 :25 dode verontreinigt 2 Tim. 4 :1 dode versus levende Pred. 9 :4 dode weet niet Matth. 28 :4 dode worden als een dode Pred. 9 :6 dode zonder liefde, haat of nijdigheid Matth. 22 :32 dode Jac. 3 :8 dodelijk venijn Matth 24 :9 doden christenen gedood 1 Kron. 10 :14 doden de HEERE doodde Saul Jac. 5 :6 doden de rechtvaardige - 1 Kron. 7 :21 doden dieven doden 1 Kon. 20 :42 doden dood wat/wie God verbannen heeft: Benhadad Ps. 59 :12 doden dood ze niet Opb. 2 :23 doden door Christus 2 Kon 19 :35 doden door een engel: 185.000 vijandige soldaten 1 Kon. 19 :17 doden door een profeet Nu 3 :13 doden door God 1 Sam. 2 :6 doden door God Ps. 52 :7 doden door God Joz 10 :11 doden door God, meer dan door de handen der Israelieten Gen. 38 :7 doden door God: Er 1 Sam. 2 :25 doden door God: Hij wilde de zonen van Eli - 1 Sam. 6 :19 doden door God: Israelieten Gen. 38 :10 doden door God: Onan 1 Sam. 15 :33 doden door Samuel Ex. 20 :13 doden gij zult niet - Ps. 105:36 doden God doodde de eerstgeboreren in Egypte Joz 8 :25 doden inwoners van Ai 1Jo 3 :12 doden motief: Kain Joz 10 :40 doden opdracht van God hier Matth. 5 :29 doden uw leden die op de aarde zijn (Paulus) Matth. 19 :18 doden verbod Jac. 2 :11 doden verboden Deut. 20 :18 doden volkeren: reden 1 Sam. 26 :9 doden voorkomen: wijzen op de gevolgen Deut. 20 :14 ,16 doden wel en niet te doden Matth. 5 :21 doden zie ook Moord doden zie ook Uitroeien Matth. 18 :8 doden zondige leden te doden Col. 3 :5 doden doodt dan uw leden die op aarde zijn, vgl. vs. 9 Jes. 5 :14 dodenrijk als verslindende 2 Sam. 22 :6 dodenrijk banden des -s Ps. 18 :6 dodenrijk banden des -s omringen mij Joh. 5 :25 dodenrijk Christus' prediking ih -? Ps. 143:3 dodenrijk duisternis 1 Sam. 2 :6 dodenrijk God doet daarin nederdalen en daaruit weder opkomen Ps. 139:7 dodenrijk God is ook in het - Matth. 11 :23 dodenrijk hemel vs. dodenrijk Spr. 15 :24 dodenrijk is beneden Spr. 15 :11 dodenrijk kennen: is voor de HERE, hij kent het Spr. 15 :11 dodenrijk kennen: voor ons onkenbaar Matth. 11 :23 dodenrijk onder de aarde schijnt, vgl. 'neergestoten' Matth. 16 :18 dodenrijk poorten van het -: machten van de dood 1 Sam. 28 :19 dodenrijk Samuel en Saul in Deut. 31 :16 dodenrijk slapen met uw vaderen Ps. 139:8 dodenrijk versus hemel daarboven 2 Sam. 12 :23 dodenrijk Ez. 30 :14 dodenrijk Ez. 32 :21 v dodenrijk 1 Sam. 31 :4 -5 doding zelf- Jer 8 :3 doding zelf-: massale, als oordeel Jer 8 :3 doding zelf-: neiging Col. 3 :12 doel aandoen deugden Deut. 30 :16 doel algemeen: God liefhebben en in zijn wegen wandelen Filip. 2 :20 v doel altruistisch vs egoistisch 2 Tim. 2 :10 doel behoudenis doen verkrijgen 1 Thess.2 :16 doel behoudenis van anderen Tit. 3 :14 doel christen, inz. Arbeider van God: goede werken 1 Pe 2 :9 doel christen: Gods deugden verkondigen 1 Pe 4 :19 doel christen: goeddoen Tit. 3 :8 doel christen: goede werken 1Jo 4 :17 doel Christen: leven zoals Hij is Col. 3 :10 doel christen: meer en dieper kennen 2 Tim. 3 :17 doel christen: volkomen, ten volle toegerust tot alle goed werk Matth. 5 :48 doel christen: volmaaktheid Jac. 1 :4 doel christen: volmaaktheid Marcus 12 :2 doel christen: vrucht dragen Matth. 5 :45 doel christen: zoon van de Vader worden Joh. 17 :1 doel Christus'- Joh. 14 :13 doel Christus' - Joh. 18 :37 doel Christus' - Matth. 10 :34 doel Christus' -: niet: vrede Joh. 5 :34 doel Christus' -: behoudenis van mensen Marcus 10 :30 doel Christus -: evangelie verkondigen 1 Pe 3 :18 doel Christus' -: ons tot God brengen Joh. 6 :38 doel Christus' doel: Gods wil doen Filip. 1 :20 doel Christus grootmaken: geval Filip. 1 :26 doel Christus grootmaken: roem in Hem doen toenemen Marcus 10 :43 doel dienstknecht zijn Filip. 1 :25 doel eer van God Matth. 6 :18 doel eer van mensen zoeken Ps. 107:7 doel en weg Spr. 15 :9 doel gerechtigheid Filip. 1 :11 doel gerechtigheid 2 Tim. 2 :22 doel gerechtigheid, geloof, liefde, vrede met hen 2 Tim. 2 :4 doel God behagen 2 Tim. 2 :4 doel God behagen Gal. 1 :10 doel God tevreden stellen Matth. 5 :16 doel God verheerlijken Deut. 14 :23 doel God vrezen alle dagen 1 Thess.2 :12 doel Gode waardig wandelen Ef. 4 :12 v doel Gods - Hebr. 12 :10 doel Gods - met ons: deel krijgen aan zijn heiligheid 1Jo 4 :9 doel Gods - met ons: leven door Christus Luk. 1 :74 v doel Gods - met ons: voor deze aarde Ef. 4 :12 doel Gods -: heiligen volmaken Ex. 29 :46 doel Gods -: met Israel: wonen onder hen 1Jo 4 :14 doel Gods -: met wereld: heil Col. 1 :22 doel Gods -: ons heilig etc voor Zich te stellen Joh. 17 :12 doel Gods -: Schrift vervullen Joh. 12 :36 doel Gods doel met ons Filip. 1 :10 doel Gods lof en heerlijkheid 1 Thess.2 :4 doel goed -: God behagen Tit. 2 :14 doel goede werken 1 Tim. 5 :10 doel goede werken doen 1 Tim. 6 :18 doel goede werken doen 1 Thess.5 :15 doel goede: het g als doel Filip. 1 :25 doel groei, blijdschap, roem anderen bevorderen Luk. 24 47 doel groep: alle volken Filip. 2 :11 doel heerlijkheid van God de Vader 1 Pe 1 :15 doel heilig worden 1 Thess.4 :3 doel heiliging 1 Thess.4 :7 doel heiliging Marcus 12 :30 doel hoogste -: liefde Matth. 9 :13 doel Jezus - Joh. 17 :21 doel Jezus' - : eenheid der gelovigen Joh. 17 :21 doel Jezus' - : geloof van de wereld 1 Tim. 1 :15 doel Jezus' - : zondaars behouden Matth. 3 :13 doel Jezus' - toen hij tot Johannes kwam Joh. 17 :26 doel Jezus' -: liefde in ons Matth. 13 :44 doel Jezus'- : akker met schat kopen Tit. 2 :14 doel Jezus' -: eigen volk verkrijgen Matth. 3 :15 doel Jezus' -: gerechtigheid vervullen Joh. 17 :18 doel Jezus' -: heililgen van ons Tit. 2 :14 doel Jezus' -: ons verlossen van alle wetteloosheid Tit. 2 :14 doel Jezus' -: onze goede werken bevorderen 2 Cor. 8 :9 doel Jezus'- : onze rijkdom Marcus 1 :38 doel Jezus' -: prediken Tit. 2 :14 doel Jezus' -: reinigen Tit. 2 :14 doel Jezus' -: reinigen: ons: tot een eigen volk Joh. 17 :13 doel Jezus'- met ons: blijdschap Joh. 18 :37 doel Jezus'- op aarde: getuigen van de waarheid Matth. 15 :24 doel Jezus'-: gevolg: beperking Filip. 1 :9 doel kennis, liefde, inzicht Spr. 24 :27 doel keuze Luk. 18 16 doel kinderlijk worden Luk. 24 19 doel leven voor God (en dan de medemens) Tit. 2 :7 doel leven: goede werken voortbrengen Marcus 3 :35 doel leven: wil van God doen Matth. 5 :16 doel licht laten schijnen voor het oog van de mensen 1 Tim. 1 :5 doel liefde Filip. 1 :11 doel lof en heerlijkheid Gods Gal. 1 :10 doel mensen tevreden stellen (pas op) Filip. 1 :25 doel met betrekking tot de gemeente: bevordering, blijdschap van het geloof, roemen in Christus 1 Tim. 1 :5 doel met oog op gemeenteleden Joh. 12 :35 doel niet kennen: wie in de duisternis wandelt Filip. 2 :15 doel onberispelijk en rein zijn 1 Thess.3 :13 doel onberispelijk te zijn in heiligheid voor de Heer 1 Tim. 5 :7 doel onberispelijk zijn Filip. 1 :9 doel onderscheiden wat het beste is Filip. 3 :12 v doel Paulus' -: gelijkvormigheid aan Christus Col. 1 :28 doel Paulus: iedere mens volkmaakt stellen in Christus Luk. 24 47 doel prediking: bekering Luk. 24 47 doel prediking: bekering: aan alle volken Matth. 6 :19 -21 doel schatten verzamelen in hemel, niet op aarde Hebr. 2 :10 doel schepping is er om Hem Spr. 16 :16 doel stellen Matth. 11 :1 doel subdoel: Christus: prediken Filip. 2 :15 doel t.o.v. wereld: zedelijk Hebr. 13 :20 doel van de christen 1 Thess.2 :12 doel van een Christen: Gods koninkrijk en heerlijkheid Hebr. 10 :24 doel van een christen: liefde en goede werken Marcus 4 :21 doel van een christenleven: licht verspreiden Matth. 10 :25 doel van een discipel van Jezus Joh. 15 :16 doel van ons leven: vruchtdragen Opb. 2 :25 doel vasthouden wat je hebt Gal. 2 :4 doel verkeerd - 1 Thess.2 :4 doel verkeerd -: mensen behagen 2 Tim. 3 :17 doel volkomenheid, volledig geschikt, ten volle toegerust tot alle goed werk Matth. 19 :21 doel volmaaktheid Jac. 1 :4 doel volmaaktheid 2 Cor. 13 :9 doel volmaking Matth. 10 :39 doel voor christen: worden als de meester Jer 3 :18 doel voor ogen houden: doet God ook Matth. 13 :8 doel vrucht dragen Luk. 20 10 doel vrucht dragen Filip. 1 :11 doel vrucht dragen Joh. 15 :8 doel vrucht, verheerlijking Gods Spr. 15 :14 doel wetenschap Matth. 7 :21 doel wil van God doen 1 Thess.4 :1 doel zekere wijze van wandelen en God behagen doel zie ook Voornemen Jer 4 :28 doel zie Voornemen Col. 3 :1 doel zoeken de dingen die boven zijn Matth. 6 :33 doel zoeken Kon van God en Zijn gerechtigheid Filip. 1 :10 doel zuiver, onberispelijk zijn tegen de dag van Christus Marcus 1 :38 doelbewust Jezus Marcus 1 :38 doelgericht Jezus 2 Tim. 4 :7 doelgericht Paulus Filip. 2 :2 doelgericht samen hetzelfde bedenken 1 Tim. 5 :19 doelgroep bevel met oog op - der oudsten Matth. 10 :5 doelgroep geval Gal. 6 :10 doelgroep 1 Tim. 6 :11 doelstelling deugden Spr. 4 :7 doelstelling wijsheid is het voornaamste 1 Thess.5 :15 doelstelling Luk. 6 :31 doen aan mensen doen: regel Col. 3 :17 doen alles in de naam van de Heer Jezus Deut. 20 :18 doen anderen leren mij kwaad te doen hier Joh. 5 :30 doen Christus' -: afhankelijk van God Joh. 5 :30 doen Christus' -: Hij kan van Zichzelf niets doen Matth. 5 :19 doen dan pas leren Ps. 103:18 doen denken aan Gods bevelen om die te doen Filip. 2 :14 doen doet alles zonder tegenspreken en mopperen Jac. 5 :11 doen en belijden: samenbrengen 1 Sam. 5 :5 doen en denken 2 Kon 3 :23 doen en denken Opb. 22 :15 doen en denken van een leugen Marcus 6 :30 doen en leren Joh. 6 :28 doen en werken Joh. 6 :28 doen geloven is ook doen 1Jo 2 :29 doen gerechtigheid doen: en uit God geboren zijn Lev. 18 :4 doen Gods rechten zult gij doen Matth. 12 :50 doen Gods wil - Deut. 17 :19 doen Gods wil doen; en Gods woord bewaren Ef. 6 :6 doen Gods wil: van harte Ps. 103:20 doen Gods woord doen: door engelen Deut. 31 :12 doen Gods woord doen: vereist lezen van Zijn woord Matth. 19 :16 doen goeds - om eeuwig leven te hebben Luk. 6 :46 v doen horen en - Ez. 8 :12 doen in de duisternis gruwelen doen Col. 3 :17 doen in werk Col. 3 :17 doen in woord Marcus 5 :19 doen Jezus' - en Gods - Joh. 8 :29 doen Jezus -: altijd wat God behaagde Joh. 5 :19 doen Jezus over Zijn - 2 Kon 13 :2 doen kwaad - in de ogen des HEEREN 3Jo :11 doen kwaad -: die heeft God niet gezien Opb. 22 :15 doen leugen doen Deut. 26 :16 doen met ganse hart en ganse ziel Pred. 9 :10 doen met uw macht 2 Kon 14 :3 doen naar alles wat je vader gedaan hebt: Amazia Jac. 2 :12 doen ons doen wordt geoordeeld 2 Kon 13 :2 doen recht - in de ogen des HEEREN 2 Kron. 26 :5 doen recht - in de ogen Gods 2 Kron. 25 :2 doen recht -, doch niet met volkomen hart 1 Kon. 15 :12 v doen recht -: in de ogen des HEREN: waardoor Matth. 7 :12 doen regel 1 Sam. 10 :7 doen terwijl God met je is Col. 3 :23 doen van harte iets doen Matth. 16 :27 doen vergelden naar iemands doen 2 Cor. 8 :11 doen voltooien Col. 3 :23 doen voor God alles doen 2 Kron. 19 :6 doen voor God alles doen: voorbeeld de rechter Joh. 3 :21 doen waarheid - 1 Sam. 1 :23 doen wat goed is in je ogen (goed geval) 2 Kron. 6 :11 doen wat in in hart is: Salomo en de tempelbouw 1 Sam. 10 :7 doen wat je hand vinden zal 1 Kon. 22 :43 doen wat recht is in de ogen des HEREN 2 Kron. 27 :2 doen wat recht is in Gods ogen Micha 6 :8 doen wat te - Zach. 7 :9 doen wat te - Filip. 4 :9 doen wat te doen Luk. 10 :42 doen wat te doen: volgens Jezus Jac. 1 :22 doen weest daders van het woord, niet alleen hoorders Gen. 4 :7 doen wel-: dan verhoging Col. 3 :17 doen werk is een vorm van doen Joh. 10 :25 doen werken: in de naam van Mijn Vader Joh. 13 :17 doen weten en doen 2 Tim. 3 :10 doen wijze van doen Ps. 58 :4 dolen leugensprekers dolen zie ook Omdolen 1 Sam. 8 :5 dominee begeren: aanleiding: zwakheid der broeders Hos. 10 :3 dominee geen oplossing voor geestelijke armoede 1 Sam. 10 :24 dominee kan verkoren zijn, ofschoon God liever anders bestuurt Ri 8 :23 dominee onbijbels (toepassing) Matth. 23 :8 dominee onbijbels ambt Deut. 1 :13 dominee ondoenlijk ambt 1 Sam. 7 :10 donder door God gestuurd 1 Sam. 2 :10 donder zinnebeeld van Gods toorn en oordeel 2 Sam. 22 :14 donderen door God: van de hemel 2 Sam. 22 :8 donderslag Deut. 34 :7 donker oog kan - worden = blind worden Jes. 58 :10 donkerheid uw - zal zijn als de middag Deut. 14 :21 dood - aas eten verboden Hag. 2 :14 dood - lichaam: maakt onrein Lev. 21 :11 dood - lichaam: vermijden: door hogepriester Col. 3 :3 dood - voor de aardse dingen Ps. 18 :5 dood banden des -s hadden mij omvangen 2 Sam. 22 :5 dood baren des -s Matth. 26 :38 dood bedroefd tot de - toe Marcus 14 :34 dood bedroefd tot de dood toe 1 Sam. 28 :19 dood bewustzijn na de - Jes. 65 :4 dood bezig zijn met de - Spr. 11 :4 dood bezit redt niet van de - Gen. 49 :18 dood bij de naderende -: Op uw zaligheid wacht ik, HERE Spr. 7 :27 dood binnenkamers van de - Spr. 16 :14 dood boden van de - Opb. 2 :8 dood Christus - geweest Joh. 18 :14 dood Christus' -: voor ons Joh. 15 :13 dood Christus' -: voor ons bestwil Marcus 15 :44 dood Christus' -: zelfovergave Opb. 1 :18 dood Christus heet de sleutel van de dood Joh. 12 :33 dood Christus: wist welke dood Hij zou sterven 2 Sam. 7 :12 dood dagen vervuld Spr. 14 :32 dood de rechtvaardige vertrouwt als hij doodgaat Dan. 12 :13 dood der heiligen: rusten Ps. 55 :5 dood doodsangst, vgl. 4 Ps. 90 :3 dood door God bevolen 2 Kron. 13 :20 dood door God gedood Hebr. 6 :1 dood -e werken Matth. 18 :8 dood eeuwige dood ctr. Leven ingaan Luk. 8 :27 dood en demonie Deut. 30 :15 dood en het kwade Pred. 8 :8 dood geen heerschappij over de dag des -s 1 Tim. 5 :6 dood geestelijk - Opb. 3 :1 dood geestelijk - Col. 2 :13 dood geestelijk - : in de overtredingen en onbesnedenheid van uw vlees Opb. 3 :1 dood geestelijk - en gemis van waakzaamheid Jes. 25 :7 dood geestelijk -: zinnebeelden Gen. 2 :17 dood geestelijke - Spr. 7 :26 -27 dood geestelijke - Joh. 5 :24 dood geestelijke - Luk. 15 :24 dood geestelijke -: begrip Ps. 5 :10 dood geestelijke -: gedragstekenen van - Jud :12 dood geestelijke -: twee maal Joh. 5 :24 dood geestelijke -: vgl. Adams dood Rom. 7 :9 v dood geestelijke dood: door de zonde Jac. 2 :26 dood geloof: geloof zonder werken is - Spr. 12 :28 dood gerechtigheid: in haar voetpad is de - niet Ps. 56 :14 dood gered van de dood Spr. 21 :16 dood gevolg van onverstand Jac. 1 :15 dood gevolg van zonde Jac. 5 :20 dood gevolg van zonde Amos 5 :8 dood God verandert de doodsschaduw in de morgenstond Pred. 9 :10 dood graf: in het graf geen denken Ps. 89 :49 dood ieder mens onderworpen aan 2 Kron. 32 :33 dood iem. eer bewijzen in zijn dood: Jehizkia Ps. 109:9 dood iemand - wensen 1Jo 3 :14 dood in de - blijven: kenmerk: broeder niet liefhebben Hebr. 2 :9 dood Jezus' - 1 Sam. 20 :31 dood kinds des -s Pred. 9 :12 dood komt onverwacht Matth. 4 :16 dood land van de schaduw van de - 1 Tim. 5 :6 dood levend - zijn Jac. 2 :26 dood lichaam zonder geest is - Jer 9 :22 dood lichaam: niet opgeraapt Matth. 10 :28 dood lichamelijke dood vs. Ziellijke dood Hebr. 2 :9 dood lijden van de - Spr. 11 :19 dood loon der zonde Opb. 20 :6 dood macht der - Hebr. 2 :14 dood macht over de -: duivel Filip. 1 :23 dood na de - met Christus te zijn is verreweg het beste Filip. 1 :23 dood na de dood: gelovige is met Christus Spr. 11 :19 dood naar zijn - jagen Deut. 31 :27 dood niet meer leven met de aardbewoners Matth. 8 :28 dood occupatie met de dood Spr. 1 :32 dood oorzaak: dwaasheid Spr. 11 :19 dood oorzaak: kwaad Ps. 118:18 dood overgeven ter -: niet: door God: ctr. Christus Jes. 25 :8 dood overwonnen: door God Ps. 107:18 dood poorten des -s: daaraan komen Spr. 11 :4 dood redden van de -: gerechtigheid doet dat Ps. 116:8 dood redden van de -; door God Luk. 1 :79 dood schaduw van de - Ps. 107:10 dood schaduw van de -: daarin zitten Ps. 107:14 dood schaduw van de -: God voert daaruit Matth. 26 :66 dood schuldig Joh. 11 :11 dood slaap Deut. 31 :16 dood slapen Matth. 16 :28 dood smaken Marcus 9 :1 dood smaken Luk. 9 :27 dood smaken 1 Sam. 15 :3 dood straf op een volk: door God bevolen mbt Amalek Gen. 9 :6 dood straf: op dood Ps. 18 :6 dood strikken des -s bejegenden mij Spr. 13 :14 dood strikken des -s: afwijken van - - Spr. 14 :27 dood strikken des -s: afwijken van - - Gen. 30 :1 dood swens en onvervulde geestelijke behoefte 2 Tim. 1 :10 dood tenietgedaan door Christus Spr. 24 :11 dood ter - gegrepen zijn: red degenen die ter - gegrepen zijn Marcus 5 :3 dood terrein van de duivel Opb. 2 :10 dood trouw tot in de - Opb. 2 :23 dood tuchtmiddel van Christus Opb. 2 :11 dood tweede - Opb. 20 :6 dood tweede - Opb. 21 :8 dood tweede -: voor wie Joh. 5 :14 dood tweede dood is erger dan ziekte op aarde 1Jo 3 :14 dood uit de - overgaan in het leven Dan. 9 :26 dood van Christus: gewelddadig Dan. 9 :26 dood van Christus: voor anderen Ps. 116:15 dood van Gods gunstgenoten: kostelijk in Zijn ogen 2 Kon 9 :10 dood verachtelijke - Job 3 :21 dood verlangen naar de - Job 6 :9 dood verlangen naar de dood Ps. 103:4 dood verlossing van/uit de -: door God: uw leven Spr. 14 :32 dood vertrouwen op God in het aangezicht van de dood Col. 2 :20 v dood voor de wereld: consequenties Hebr. 2 :15 dood vrees voor de -: voert tot slavernij Hos. 13 :14 dood vrijmaking van de dood Spr. 16 :25 dood wegen van de - 1 Pe 2 :24 dood wij: voor de zonden afgestorven dood zie ook Sterven Luk. 2 :26 dood zien: niet zien voordat Hebr. 11 :5 dood zien: niet zien: Henoch Spr. 21 :6 dood zoeken Ps. 143:1 v doodsgevaar Deut. 5 :17 doodslaan verboden 2 Kon 6 :21 doodslag belet: door Elisa 2 Kon 3 :19 doodslag bevolen door God 1 Sam. 26 :9 doodslag en levensbeschouwing 1 Sam. 26 :9 doodslag en mensbeeld: Saul is gezalfde des HEEREN 2 Kon 11 :16 doodslag geval: op last van de priester Deut. 19 :4 doodslag ongewild, per ongeluk 1 Kron. 22 :8 doodslag onheilig in Gods ogen Joz 20 :3 v doodslag onopzettelijke - Ex. 21 :12 v doodslag wetten over - 1 Tim. 1 :10 doodslager terechtwijzen door de wet Joh. 19 :7 doodstraf Christus' -: aanklacht: zichzelf Gods Zoon gemaakt Ri 21 :10 doodstraf collectieve -: geval Deut. 13 :11 doodstraf effect: vrees, stoppen met zondigen 2 Kon 14 :6 doodstraf en generaties 1 Kron. 13 :10 doodstraf geval: toegepast door God Marcus 13 :12 doodstraf in de eindtijd Deut. 24 :16 doodstraf kind niet doden voor de vader of omgekeerd Joz 1 :18 doodstraf makkelijker toegepast dan bij ons Lev. 20 :4 doodstraf nalaten Ex. 21 :12 doodstraf niet verkeerd op zich Deut. 13 :10 doodstraf steniging Joz 7 :15 ,25 doodstraf steniging, daarna verbranding Nu 35 :16 v doodstraf van de doodslager, geboden Deut. 13 :8 doodstraf voor afgodisch misleidend familielid Deut. 24 :7 doodstraf voor dief van zielen Lev. 19 :8 doodstraf voor eten dankoffer op 3e dag Deut. 13 :15 doodstraf voor hele stad Deut. 22 :21 doodstraf voor ontuchtige vrouw Deut. 13 :5 doodstraf voor valse afgodische profeet Deut. 22 :25 doodstraf voor verkrachting ondertrouwde Nu 1 :51 doodstraf voor vreemde die bij tabernakel komt Nu 3 :10 ,38 doodstraf Deut. 19 :12 v doodstraf 2 Kon 14 :6 doodstraf Marcus 7 :10 doodstraf doof zie ook Hardhorend Ps. 58 :5 doofheid geestelijke - Jes. 42 :19 v doofheid geestelijke - Jer 6 :10 doofheid geestelijke - Marcus 4 :12 doofheid geestelijke - Joh. 8 :43 doofheid geestelijke - Joh. 18 :37 doofheid geestelijke - Jer 5 :21 doofheid geestelijke - gevolg van zonde, vs 25 Marcus 8 :18 doofheid geestelijke -: begrip Ez. 12 :2 doofheid geestelijke -: oorzaak: wederspannigheid Matth. 11 :5 doofheid genezen Marcus 7 :32 v doofstomme genezing 1 Pe 3 :21 doop betekenis Col. 2 :11 doop betekenis: begrafenis met Christus Marcus 10 :38 doop fig. lijden Matth. 3 :16 doop onderdompeling in water Matth. 3 :13 doop van Jezus doop zie ook Dopen Joh. 1 :3 door - Hem: alles in mijn leven 1 Tim. 5 :6 door geestelijk - zijn: van een gelovige Rom. 1 :8 door Jezus Christus: danken Ps. 139:23 doorgronden door God: mij Ps. 139:1 doorgronden door God: van mij Micha 7 :4 doorn fig. smart aanbrengend slecht mens Ez. 28 :24 doorn fig. smartende mens of volk 2 Sam. 23 :6 doorn fig. van mens 2 Sam. 23 :6 v doorn fig. van mens: oordeel over - 2 Cor. 12 :7 doorn voor het vlees Jer 4 :3 doorn zaait niet onder de doornen Matth. 13 :22 doorn zinnebeeldig Spr. 15 :19 doornheg weg van de luiaard als een - Deut. 15 :17 doorsteken oor van een slaaf Joz 4 :23 doortocht door Schelfzee en Jordaan Opb. 2 :23 doorzoeken door Christus: innerlijk van ons Spr. 28 :11 doorzoeken iem. - Matth. 3 :6 dopen betekenis: onderdompeling Gal. 3 :28 dopen en Christus aandoen Matth. 3 :11 dopen met Heilige Geest Matth. 3 :11 dopen met vuur Matth. 3 :11 dopen met water Marcus 16 :16 dopen na geloofd te hebben Marcus 16 :16 dopen noodzakelijk Gal. 3 :28 dopen tot Christus Matth. 28 :19 dopen tot de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest Matth. 3 :11 dopen tot: bekering 2 Kon 5 :14 dopen zich - in de Jordaan: door Naaman dopen zie ook Doop Matth. 27 :29 doren kroon van -s Matth. 13 :7 doren -s zinnebeeld van zorgen en rijkdom Hebr. 6 :8 doren Marcus 4 :7 dorens verstikken opschietend zaad 2 Kon. 25 :18 dorpelbewaarder Deut. 28 :48 dorst als vloek Ps. 143:6 dorst geestelijke - Opb. 22 :17 dorst geestelijke -: die kome Joh. 6 :35 dorst geestelijke -: Jezus voorziet erin Jes. 49 :10 dorst God doet - ophouden Jes. 41 :17 dorst God voorziet Jes. 5 :13 dorst oordeel Ex. 17 :17 v dorst Matth. 25 :35 dorst Matth. 5 :6 dorsten geestelijk -: naar gerechtigheid Ex. 4 :11 dove door God gemaakt Lev. 19 :14 dove niet vloeken Jes. 29 :18 dove zullen horen Joh. 16 :12 draagkracht beperkte - Jes. 63 :9 dragen door God Hebr. 1 :3 dragen Jezus: de Zoon draagt alle dingen door het woord van Zijn kracht Joh. 16 :12 dragen niet kunnen - Ex. 28 :12 dragen op de schouders: namen der kinderen Israels Ez. 12 :6 drama om iets uit te beelden Joh. 6 :52 v drank de ware -: Jezus' leven, bloed Spr. 23 :33 drank doet hart verkeerdheden spreken Ef. 5 :18 drank en losbandigheid Pred. 2 :3 drank ervaring met - Jer 9 :15 drank fig. kwade - straf Ri 19 :22 drank maakt hart vrolijk Ruth 3 :7 drank maakt hart vrolijk Spr. 23 :33 drank maakt losbandig Luk. 1 :15 drank sterke - : t.o. vervulling met H. Geest Spr. 20 :1 drank sterke - is woelig Ri 13 :4 drank sterke - verboden Deut. 14 :26 drank sterke -: toegestaan Spr. 31 :6 drank sterke-: geef die aan die bitter bedroefd is Spr. 31 :6 drank sterke-: geef die aan die verloren gaat Jes. 5 :11 drank verslaving Jes. 5 :12 drank verslaving: en God niet kennen Spr. 23 :20 drank wees niet onder de wijnzuipers 2 Tim. 4 :6 drankoffer als - uitgegoten: Paulus 2 Tim. 4 :6 drankoffer figuurlijk Filip. 2 :17 drankoffer Paulus als een - uitgegoten over Hos. 4 :18 drankzucht leidt tot afval Hos. 3 :1 drankzucht religieuze kant Jes. 5 :22 drankzucht veroordeeld Ri 14 :15 dreigement tegenover Simsons vrouw 1 Pe 2 :23 dreigen niet -: door Jezus Matth. 26 :47 dreiging Jezus bedreigd Ps. 113:7 drek beeld van de bedreven zonden (?) Ps. 113:7 drek uit de drek verhogen de nooddruftige: door God Col. 1 :6 v drieeeenheid God, Christus, Geest 2Jo :1 -3 Drie-eenheid 2 Cor. 13 :13 Drieenheid 1 Thess.2 :8 drijfveer liefde Matth. 21 :12 drijven uitdrijven: door de Heer Jezus Jer 49 :12 drinkbeker beeld van straf Marcus 10 :38 drinkbeker fig. lijden Marcus 14 :36 drinkbeker fig. lijden Deut. 9 :9 drinken 40 dagen zonder - Col. 2 :16 drinken vrijheid in Tit. 1 :7 drinker geen 1 Pe 4 :3 drinkgelag wandelen in -en Jes. 35 :10 droefenis zal wegvlieden Pred. 7 :3 droefheid betert het hart Marcus 3 :5 droefheid bij Jezus Marcus 14 :34 droefheid bij jezus Joh. 21 :17 droefheid bij Petrus Spr. 17 :25 droefheid bittere - Spr. 14 :10 droefheid bittere -: het hart kent zijn eigen bittere - Joh. 16 :20 v droefheid Christus over - 2 Cor. 7 :10 droefheid goede - 1 Sam. 20 :41 droefheid grote -: bij David Rom. 9 :2 droefheid grote -: bij Paulus Matth. 26 :38 droefheid grote -: Jezus 'zeer bedroefd' Joh. 16 :6 droefheid hart vervuld van - Joh. 16 :7 droefheid helpen tegen -: wijzen op nut van bedroevende dingen Matth. 26 :37 droefheid Jezus 2 Cor. 7 :11 droefheid naar God: effecten Spr. 25 :20 droefheid niet zingen bij eens anders - 1 Thess.4 :13 droefheid onnodige - wegnemen door denken te hervormen 2 Cor. 2 :7 droefheid overmatige - Ps. 119:28 droefheid richt mij op naar Uw woord Matth. 26 :38 droefheid tot de dood toe 2 Cor. 7 :10 droefheid van de wereld Joh. 16 :20 droefheid vs blijdschap droefheid zie ook Smart 1 Sam. 22 :2 droefheid Ps. 95 :5 droge geformeerd door God Matth. 24 :49 dronkaard Gen. 9 :21 dronken -e: niet verachtelijk behandelen 1 Thess.5 :7 dronken geestelijk - Gen. 43 :34 dronken Jozef 2 Sam. 11 :13 dronken maken van iem. Gen. 9 :21 dronken Noach Spr. 5 :19 dronken seksuele roes Spr. 31 :4 -5 dronken tegen -schap 1 Kon. 16 :9 dronken zich - drinken: geval 2 Sam. 13 :28 dronken Spr. 23 :34 v dronken Joel 1 :5 dronken 1 Sam. 25 :36 dronkenschap Nabal Luk. 21 34 dronkenschap pas op voor - 1 Pe 4 :3 dronkenschap 2 Kron. 6 :26 droogte als gevolg van zonde Ps. 107:33 droogte als straf 1 Kon. 8 :35 droogte gevolg van zonde Jes. 5 :6 droogte God verhindert de regen Gen. 37 :10 droom bestraft om een droom Matth. 2 :19 droom engel verschijnt in - Jer 23 :26 droom gedichtsel des harten Matth. 27 :19 droom geval: Pilatus' vrouw Gen. 41 :32 droom herhaald: betekenis Matth. 2 :22 droom leiding door - Matth. 2 :12 droom leiding in een - Gen. 40 :1 v droom met betekenis Deut. 13 :2 droom misleidende - Jer 23 :25 droom niet altijd van God Matth. 27 :19 droom over Jezus Gen. 40 :8 droom uitlegging: van God Joel 2 :28 droom vanwege de HEERE Matth. 2 :13 droom verschijning van een engel Matth. 1 :20 droom verschijning van engel Gen. 37 :5 v droom voorspellende - Jes. 29 :8 droom wens- Spr. 1 :15 drugs gebruikende vrienden mijden (toepassing) Spr. 23 :21 drugs gevolg: armoede (toepassing) Ps. 107:14 drugs God breekt banden van verslaving (toepassing) Ps. 119:92 druk in de - vergaan 1 Kon. 22 :13 druk sociale - Ps. 119:92 druk standhouden in de -: door overdenking van Gods wet Jes. 24 :8 drumstel Marcus 6 :20 dubbelhartig geval: Herodes Spr. 28 :18 dubbelhartigheid noodlottig 2 Tim. 3 :9 duidelijk worden aan allen Matth. 8 :12 duisternis buitenste - Matth. 25 :30 duisternis buitenste - Matth. 22 :13 duisternis buitenste -: geween en tandengeknars Joh. 3 :19 duisternis de - liefhebben Joh. 1 :5 duisternis de wereld: vgl. 3:19 Amos 4 :13 duisternis door God gemaakt Spr. 7 :9 duisternis en zondigen Micha 3 :6 duisternis fig. Joh. 8 :12 duisternis fig. in de - wandelen Filip. 2 :15 duisternis fig. in de wereld Ps. 143:3 duisternis geestelijke - Matth. 4 :16 duisternis geestelijke - Matth. 6 :22 v duisternis geestelijke - Luk. 1 :79 duisternis geestelijke - 1 Thess.5 :4 v duisternis geestelijke - 1 Pe 2 :9 duisternis geestelijke - Jud :6 duisternis geestelijke - Jes. 59 :9 duisternis gevolg van zonden Ps. 104:20 duisternis God beschikt de - (van de nacht) Ps. 107:14 duisternis God voert uit de - Micha 7 :8 duisternis in - gezeten: God is mijn licht 1Jo 2 :11 duisternis in de - wandelen en zijn 1Jo 2 :11 duisternis in de - zijn: en haat Ps. 107:10 duisternis in de - zitten Matth. 24 :29 duisternis in eindtijd Ps. 112:4 duisternis licht opgaand in de duisternis, voor de oprechten Col. 1 :13 duisternis macht der -: satanische macht Luk. 22 53 duisternis macht van de - Joh. 12 :46 duisternis niet in de - blijven Matth. 6 :22 duisternis oorzaak Ex. 10 :21 duisternis plaag Matth. 27 :45 duisternis tijdens het kruislijden van Christus: over het hele land 1 Thess.5 :5 duisternis van de - zijn 1Jo 1 :6 duisternis wandelen in de - Spr. 2 :13 duisternis wegen der -: ingaan Ef. 6 :12 duisternis wereldbeheersers dezer - Joh. 12 :35 duisternis zedelijk-geestelijke - Ef. 5 :8 duisternis zijn (van de mens) Ez. 32 :7 duisternis zon en maan verduisterd Deut. 32 :16 duivel aan -en offeren Joh. 8 :44 duivel als vader Spr. 27 :11 duivel antwoord geven: door God Joh. 8 :44 duivel beinvloeding door: casus: de mensen die Jezus wilden doden Matth. 25 :41 duivel bestemming Joh. 17 :15 duivel bewaren voor de boze: doet God Matth. 13 :39 duivel boze Ef. 6 :16 duivel boze 1Jo 2 :13 duivel boze genoemd Ps. 120:3 duivel brandende pijlen Lev. 17 :7 duivel contact met: nahoereren 1Jo 5 :18 duivel de boze 2 Kron. 11 :15 duivel dienst aan -en 1Jo 3 :8 duivel doet zondigen Matth. 8 :28 duivel doodsgebied 2 Tim. 2 :26 duivel en leugen Matth. 25 :41 duivel engelen van de - Ef. 4 :27 duivel geef hem geen plaats Joh. 13 :2 duivel geeft Judas in het hart om iets te doen Joh. 8 :38 duivel geeft woorden in Joh. 18 :40 duivel gekozen voor Jezus Joh. 16 :11 duivel geoordeeld Joh. 6 :71 duivel gezegd van Judas Joh. 14 :30 duivel haakt aan op zonde in ons Joh. 8 :44 duivel heeft begeerten 1Jo 5 :18 duivel heeft geen vat op christenen Jud :9 duivel heeft macht over de dood (voor ons niet meer) 1Jo 5 :18 duivel heeft vat op mensen Matth. 13 :18 duivel houdt evangelieverkondiging in de gaten 2 Tim. 2 :26 duivel houdt mensen gevangen Ef. 6 :16 duivel influisteringen Luk. 8 :12 duivel kan Gods woord uit ons hart nemen Joh. 13 :27 duivel kan in iemand varen Ef. 4 :26 duivel kans voor -: toorn Matth. 4 :6 duivel 'kent' de Bijbel 1Jo 3 :12 duivel kind: Kain 1Jo 3 :10 duivel kind: kenmerk: zondigen Joh. 8 :44 duivel leugen is in hem Joh. 8 :44 duivel leugen: spreekt de - Matth. 13 :25 v duivel listig Marcus 5 :3 duivel losbandig, opstandig Luk. 22 53 duivel macht van de duisternis Hebr. 2 :14 duivel macht: over de dood Matth. 4 :5 duivel meegaan met de duivel Matth. 13 :18 duivel mens: neemt woord van God weg uit ons hart Joh. 8 :44 duivel mensenmoordenaar Opb. 2 :10 duivel middel door God gebruikt Opb. 20 :3 duivel misleidt de naties Luk. 8 :12 duivel neemt Gods weg: om geloof en behoudenis te verijdelen Ps. 106:37 v duivel offeren aan duivels Marcus 16 :6 duivel ontstelt anderen Matth. 25 :41 duivel oordeel Jes. 24 :21 duivel opgesloten in een put Joh. 14 :30 duivel overste van de wereld Joh. 16 :11 duivel overste van deze wereld 1Jo 2 :13 v duivel overwonnen: door jongelingen Job 6 :4 duivel pijlen van de -: effect Jud :9 duivel redeneren door de - Jud :9 duivel redetwisten door de - Matth. 13 :18 duivel rooft: Gods woord, uit harten Marcus 5 :5 duivel schreeuwen als kenmerk van bezetene Luk. 8 :12 duivel slaat evangelisatie gade Lev. 17 :7 duivel slachtoffer aan -en offeren Joh. 8 :44 duivel spreken door de - Joh. 8 :44 duivel spreken: uit de leugen Joh. 8 :44 duivel staat niet in de waarheid 2 Tim. 2 :26 duivel strik van de - 1 Pe 5 :8 duivel tegenpartij Hebr. 2 :14 duivel tenietdoen: door Christus Marcus 5 :3 duivel terrein van de dood Luk. 23 19 duivel type van de -: Barabbas Jes. 35 :9 duivel typisch door een leeuw voorgesteld Joh. 8 :44 duivel uit de - zijn 1Jo 3 :8 duivel uit de - zijn Marcus 5 :8 duivel uitdrijving Matth. 4 :1 duivel verzoekt Marcus 1 :13 duivel verzoekt Matth. 13 :25 v duivel vijandig tegen de Heer Jezus Matth. 13 :39 duivel vijandig tegen de Heer Jezus Jac. 4 :7 duivel vluchten door de -: als je hem weerstaat Jac. 4 :7 duivel vrees bij de - Joh. 8 :44 duivel waarheid:geen waarheid in in hem 1 Pe 5 :9 duivel weerstaan: standvastig: in het geloof Jac. 4 :7 duivel weerstaan: weerstaat hem Matth. 8 :29 duivel weet zijn toekomst 2 Sam. 16 :7 v duivel werk: aanklager der broederen 1Jo 3 :8 duivel werken van de -: verbreken Opb. 2 :10 duivel werkt door mensen Opb. 2 :10 duivel werpt in de gevangenis 2 Tim. 2 :26 duivel wil van de - doen 2 Tim. 2 :26 duivel wil van de -: ongerechtigheid, ongeloof Filip. 2 :6 duivel wilde aan God gelijk zijn, ctr. Christus Matth. 13 :25 duivel zaait onkruid Matth. 13 :39 duivel zaait verkeerde dingen Marcus 5 :5 duivel zelfbeschadiging alls kenmerk van bezetene 1 Pe 5 :8 duivel zoeken: wie hij zou kunnen verslinden Jer 27 :10 ,15 duivel zoekt ons verderf, zelfs dat van valse profeten 1Jo 3 :8 duivel zondigt vanaf het begin Matth. 13 :38 ,40 duivel zonen van de boze Lev. 20 :27 duivelskunstenaar doodstraf Lev. 20 :6 duivelskunstenaar overspelig nalopen Lev. 19 :31 duivelskunstenaar -s: zoek ze niet 2 Kon. 23 :24 duivelskunstenaar wegdoen: de -s weggedaan door Josia 1 Sam. 28 :3 duivelskunstenaar weggedaan de -s door Saul Marcus 15 :43 durf geval Spr. 8 :18 duurzaam goed: bij de Wijsheid Deut. 29 :5 duurzaam goederen duurzaam gemaakt door God duurzaam zie ook Bestendig Spr. 28 :2 duurzaamheid 1 Pe 2 :2 dwaalleer tegen -: redelijke, onvervalste melk 1 Tim. 6 :20 dwaalleer wend je af van - Col. 2 :8 dwaalleer Jud :11 dwaalleraar vergelijk met Kain, Bileam en Korach Jac. 5 :20 dwaalweg iemand terugbrengen van zijn - 1 Pe 2 :15 dwaas dwaze mensen Matth. 23 :17 dwaas geval 2 Kron. 16 :9 dwaas heid: geval Spr. 14 :3 dwaas hoogmoed Jes. 32 :5 dwaas milddadig genoemd ten onrechte Spr. 10 :21 dwaas sterft door gebrek van verstand Spr. 12 :16 dwaas toorn van de - Spr. 15 :5 dwaas versmaadt tucht van zijn vader Deut. 32 :6 dwaas volk: Israel Spr. 12 :15 dwaas weg van de - is recht in zijn ogen Spr. 14 :18 dwaasheid als erfenis Pred. 10 :1 dwaasheid bederft je eer en wijsheid Spr. 15 :21 dwaasheid blijdschap voor de verstandeloze Spr. 24 :9 dwaasheid de gedachte der - is zonde Spr. 22 :15 dwaasheid der jeugd Jer 5 :21 dwaasheid geval van Spr. 26 :11 dwaasheid hernemen Spr. 26 :4 dwaasheid niet met dwaasheid beantwoorden Spr. 27 :22 dwaasheid onuitroeibaar Joz 7 :15 dwaasheid onverstandige overtreding Spr. 14 :17 dwaasheid oorzaak: haast tot toorn Spr. 12 :23 dwaasheid uitroepen Spr. 5 :23 dwaasheid verdwalen in de grootheid van zijn - Spr. 14 :29 dwaasheid verheffen: door haastigheid Spr. 19 :3 dwaasheid verkeert je weg Spr. 19 :3 dwaasheid vertoornt tegen God Spr. 13 :16 dwaasheid zot breidt - uit 1 Pe 2 :25 dwalen als schapen 2 Kron. 33 :9 dwalen anderen doen -: door Manasse Matth. 22 :29 dwalen cognitief of intellectueel - Jes. 29 :24 dwalen -de van geest zijn Spr. 10 :17 dwalen doen -: oorzaak: bestraffing verlaten 2 Kon 21 :9 dwalen door een leider: Manassa Jac. 1 :16 dwalen dwaalt niet Matth. 27 :22 dwalen eenstemmig -: geval Marcus 12 :27 dwalen heel erg - Spr. 28 :10 dwalen iem. doen -: gevolg: val Tit. 3 :3 dwalen kenmerk van de oude mens Marcus 12 :24 dwalen leerstellige : oorzaak: Schrift niet kennen noch Gods kracht Hebr. 3 :10 dwalen met het hart - Spr. 10 :17 dwalen oorzaak: bestraffing verlaten Spr. 12 :26 dwalen oorzaak: goddeloze weg Matth. 22 :40 dwalen oorzaak: onkunde aangaande Schrift, aangaande kracht Gods Jes. 63 :17 dwalen van Gods wegen -: van Gods wege Ps. 95 :10 dwalen van hart Ps. 119:67 dwalen voor verdrukking dwalen zie ook Dolen Hebr. 5 :2 dwalende toegeeflijk zijn jegens de -n 1Jo 4 :6 dwaling de geest van de - 1 Kon. 22 :6 v dwaling geest van -: geval Ri 17 :13 dwaling geval Ez. 9 :9 dwaling tav God 2 Thess.2 :11 dwaling werking van de -: hier door God gezonden Ez. 8 :12 dwaling Filemon :14 dwang het goede bij u zij niet uit -, maar vrijwillig 2 Cor. 9 :7 dwang uit - geven niet goed Filemon :15 dwang vs. vrije wil Ps. 107:17 dwaze geplaagd om zijn zonden Spr. 1 :7 dwaze veracht wijsheid en tucht Marcus 6 :45 dwingen door Jezus Luk. 14 :23 dwingen dwing ze binnen te komen: opdat mijn huis ol wordt Matth. 14 :22 dwingen Jezus: dwong zijn discipelen aan boord te gaan